De Keijzer en Fort-Bath

In augustus 2020 schreef ik over het Geheim Register, waar veroordeelden instonden die vrijgelaten werden, maar wel in de gaten gehouden moesten worden. In dat register werden geen gevangenen uit Breda opgenomen, en dat is waar de meeste Bergenaren gedetineerd werden. Toch zaten er wel wat tussen, voornamelijk mensen die eerder verhuisd waren naar elders of een connectie hadden met Zeeland of Zeeuws-Vlaanderen. In het kader van portretfoto’s uit deze tijd, voornamelijk de jaren 1880 en 1890 en hoe bijzonder het is dat deze ‘laag’ van de samenleving op deze manier werd vastgelegd, keek ik ook naar de Veenkoloniën. Daarover schreef ik al eerder. Naar de koloniën van weldadigheid in Drenthe en Overijssel, een idee van koning Willem I, werden eind 19de eeuw nog altijd mensen verbannen. Dieven, bedelaars, landlopers, prostituees. Ook uit Berrege. Ik liep in beide registers de Bergenaren, Woensdrechtenaren, Ossendrechtenaren en Wouwenaren na.

Afbeeldingen: Tresoar Leeuwarden.

Cornelia de Keijzer was één van de mensen waarvan je kan zeggen dat het terecht is dat ze opgenomen werd in het register. Zij werd namelijk twee keer vermeld en is dus opnieuw veroordeeld na haar eerdere vrijlating. Cornelia is in 1867 te Haarlem veroordeeld voor diefstal, in 1873 voor diefstal, in 1874 voor diefstal bij nacht en in 1882, 1883 en 1886 te Amsterdam voor diefstal. Een veelpleegster dus. Cornelia werd geboren te Bergen op Zoom en woonde bij haar opnemingen in dit register in de hoofdstad. Wat ook opvalt is dat ze bij eerste artikel getrouwd was, zie haar naam ook, en bij de tweede vermelding niet meer. Verder zijn er grote fouten gemaakt bij de registratie. Bijvoorbeeld haar lengte: 1,57 versus 1,72 meter. Was ze zoveel gegroeid in haar tijd in de cel? Of de spitse kin versus de ronde kin, de smalle mond versus de brede mond, rond versus een ovaal aangezicht. Goed dat er een foto bijzit.

Feiten zijn dat ze tuchthuisstraf kreeg, kon schrijven en in de strafgevangenis van Amsterdam huisdienst en breiwerk deed. Haar gedrag was dan wel goed of zeer goed, maar termen als diefachtig (goh), bedrieglijk en schraapzuchtig doen daar toch wel een beetje van af. Cornelia is geboren op 16 maart 1831 in Bergen op Zoom, als dochter van de 29-jarige pakdrager Jacobus de Keijzer uit Zundert en zijn vrouw Elisabeth Geertruda Jutjens. De familie Jutjens kwam oorspronkelijk uit Etten bij Doetinchem, en woonde aan de Vischmarkt. Vader Jacobus hertrouwde twee keer, waarvan een keer in 1834, met Antonetta Budel. Cornelia’s moeder overleed dus reeds toen zij heel jong was. Het hele gezin woonde in de periode 1850-1860 op de Vischmarkt, E234. Het was een bijzonder huishouden, dat bestond uit:

  • Jacobus de Keijzer (*Groot-Zundert, 1802), debiteur van loten der Staatsloterij.
  • Antonet Budel (*Groningen, 1796, overleden op 3/6-1855),
  • Cornelia de Keijzer (*Bergen op Zoom, 1831, op 6/7-1855 vertrokken naar Brussel en op 30/9-1856 naar Breda).
  • Jan Baptist de Keijzer (*Bergen op Zoom, 1835), meubelmaker, op 30/11-1861 vertrokken naar Amsterdam.
  • Adriaan de Keijzer (*Bergen op Zoom, 1836).
  • Theresia Praam (*Maastricht, 1822), arbeidster, ingekomen in 1849 en vertrokken op 18/2-1852 (‘zegge’ 29/3-1852) naar Alkmaar (‘zegge’ Antwerpen).
  • Elisabeth Praam (waarschijnlijk dochter bovenstaande, *Bergen op Zoom, 1850), arbeidster, eveneens in 1852 vertrokken naar Alkmaar of Antwerpen.
  • Johannes George Sweighard (*Bath, 1815), gepensioneerd (..) van den sta(..), op 15/2-1852 of 1853 ingekomen uit Den Helder, vertrokken op 14/3-1853 naar Bath.
  • Anna Pieternella Groothuijzen (echtgenote van bovenstaande, *Vlissingen, 13/6-1812), op 23/10-1852 ingekomen uit Fort Bath, op 14/3-1853 vertrokken naar Bath.

De laatste twee waren gereformeerd, de anderen katholiek. Het echtpaar Sweighard-Groothuijzen valt me ook om een andere reden op. Bath is niet heel ver weg, maar wel een bijzondere plaats. Als klein fortdorpje was het een tijd lang (tot ze halverwege de 19de eeuw fuseerde met Rilland) een zelfstandige gemeente op het Zeeuwse eiland Zuid-Beveland. De naam van de gemeente was dan ook Fort-Bath en Bath, waar laatste dan op het dorp zelf sloeg (net als bij Lillo: Lillo-fort, Lillo-Kruisweg en Oud-Lillo), echter, er was geen dorp Bath meer sinds de zestiende eeuw. Johannis George Schweighard (*Fort-Bath, 23/1-1815, ✞gemeente Fort Bath en Bath, 31/3-1860) trouwde op 31 maart 1853 op 38-jarige leeftijd te Bath met Anna Pieternella Groothuijse, een 42-jarige naaister uit Vlissingen. Met haar woonde hij dus op de Bergse Vischmarkt, maar ik kwam Schweighard ook tegen in de bevolkingsregisters van de stad waar zijn vrouw vandaan kwam. In de periode 1850-1858, ongeveer dezelfde periode als dat zij in Bergen op Zoom woonden, woonde hij ook in Vlissingen aan de Korte Walstraat, aan het Lange Groenewoud, aan de Sint Jacobstraat en aan de Kleine Markt. De huishoudens waren altijd groot en bestonden uit verschillende mensen van allerlei afkomsten. Van werkmannen tot medewerkers van het Belgisch loodswezen. Schweighards beroep varieerde. Hij werd vermeld als gepensioneerd onderofficier, gepensioneerd veldwachter of simpelweg als werkeloze. Bij zijn vroege overlijden in 1860 werd gepensioneerd sergeant vermeld. 

Schweighard werd geboren op 23 januari 1815 in Fort-Bath als zoon van Frederik Schweighard en Pieternella van Leerdam. Zij woonden allebei in Bath, waar ze in respectievelijk 1861 en 1863 overleden. Nader onderzoek brengt een duidelijke band met forten en ‘het maritieme’ naar voren. Frederik en Pieternella trouwden in 1815 in Bath. Hij was kleermaker en geboren in 1787 in Fort-Louis in Frankrijk, zoon van Johannis Georgius Schweighard en Geneviève Seitz. Fort-Louis is, de naam zegt het al, een fort, gebouwd op een eiland in de Rijn bij Straatsburg, op de plek waar laatste de vaak betwiste grens vormt tussen Frankrijk en Duitsland. Tegen de tijd dat Frederik er geboren werd was het onderdeel van Frankrijk, gelegen in het département Nederrijn dat bij de Franse revolutie in 1790 gecreëerd werd. Het verklaart onder meer de Duitse achternamen in deze. In de stamboom van Pieternella vind ik nog meer forten terug. Zij werd geboren in Oud-Vossemeer op Tholen, maar haar ouders kwamen beiden uit het Oost-Vlaamse fort Liefkenshoek aan de Schelde, waar haar moeder haar familie had in de gereformeerde gemeenschap van Doel. Deze gemeenschap was van oorsprong Nederlands (in de zin van afkomstig uit de Republiek), en was daar alleen ter verdediging van de blokkade van Antwerpen. 

Fort Louis in de Rijn op de kaart van Cassini, tweede helft 18de eeuw. (Afbeelding: D. Heefer/Wikimedia Commons).

Ik dwaal wat af. We waren gebleven bij Cornelia (of ook Cornelia Adriana) de Keijzer, die in 1856 in Breda was gaan wonen. Ik kom haar acht jaar later tegen in Haarlem in Noord-Holland, als ze op 13 april 1864 daar trouwt met de 28-jarige wachtmeester Cornelis van den Hazenkamp. Ze was toen al eerder getrouwd, ze was weduwe van ene Johannes Jacobus van Stroe. Hij komt uit Utrecht en is zoon van ongehuwde moeder Josina van de Hazenkamp. Het echtpaar zou uiteindelijk vijf kinderen krijgen: Cornelis (*Haarlem, 1861), Cornelia Adriana (*Haarlem, 1865), Josina (*Haarlem, 1866), Johannes Baptist (*Haarlem, 1867) en Elisabet Aartje (*Amsterdam, 1873). Volgens het geheim register werd ze in het jaar van de geboorte van zoon Johannes Baptist in diezelfde stad al veroordeeld voor diefstal. De veroordeling in 1874 was voor het provinciaal Noord-Hollands gerechtshof, het kan dus prima dat ze toen inmiddels in Amsterdam was gaan wonen. Tijdens alle andere begane misdrijven woont Cornelia in Amsterdam.

  • Tussen juli 1885 en 1/2-1887 woont ze in een groot pand van ene weduwe Wielik, op Bontekoegang PP22 of Westerstraat PP22. Vanaf laatste datum moet ze weer naar de Amsterdamse strafgevangenis.
  • Tussen 10 april 1887 en april 1888 woonde ze bij haar broer Johannes Baptist de Keijzer, op Saenredamstraat YY57. Hij was op dat moment meubelmaker en woonde daar met zijn protestantse Bergse vrouw Maria de Bakker. Ze werd vermeld als ingekomen vanuit de strafgevangenis Amsterdam. Bij haar burgerlijke staat staat een S, en: ‘van C. van den Hazenkamp’. De S is van scheiding.
  • Tussen augustus 1888 en 21/12-1888 woont ze alleen op Korte Prinsengracht FF9. Op laatste datum gaat ze weer naar de Amsterdamse strafgevangenis.
  • In een ‘overgenomen’ bevolkingsregister worden een aantal belangrijke feiten goed opgetekend. Op 18/12-1891 wordt Cornelia ontslagen uit de gevangenis in Nieuwer-Amstel (Amstelveen), in de periode vanaf 1892 woonde ze op Egelantiersgracht 197 en Bloemgracht 103. Vermeld werd dat ze gescheiden huisvrouw was van Cornelis van den Hazenkamp en dat ze op 15 juli 1897 overleed.
  • Op 5 mei 1892 is ze patiënt in het Amsterdamse Binnengasthuis. Ze wordt vermeld als weduwe van Cornelis van den Hazenkamp en woont op Bloemgracht 103 of 105. Ze werd op 2 juni 1892 weer ontslagen. Vermeld werd ook dat haar zoon woonde op Wenslauerstraat 8.

Amsterdam markeerde niet bepaald een goeie periode in haar leven. Of het leven van haar gezin net zo min: in de jaren 1870 woonde vader Cornelis met al zijn kinderen op Anjeliersgracht 111 en later op Marnixstraat 13. Hij was betrokken bij het regiment huzaren. Bedenk je eens hoe de zorg voor de kinderen gegaan moet zijn, in zo’n situatie, zo midden in de industriële revolutie. Wanneer de scheiding officieel voltrokken is weet ik niet: het zal ergens halverwege de jaren 1880 geweest zijn. Ik heb ze proberen na te zoeken in de tienjarige tafels van de decennia 1880 en 1890, maar zonder resultaat. Wanneer men opmerkt dat Cornelia in de tijd dat ze niet vastzat of alleen of bij haar broer woonde, is het de vraag hoe goed het contact met haar kinderen was. Zoals ik schreef is in een register vermeld dat zij overleed op 17 juli 1897. In de index op ‘t Amsterdamse overlijdensregister werd 19 juli 1897 geschreven; boek 6, bladzijde 29. Op die plek vond ik haar niet terug. 

De panden Bloemgracht 10-2 op een foto van Benjamin Wilhelmus Stomps uit juli 1896. (Afbeelding: Stadsarchief Amsterdam).

 

 

Geheime fotoalbums

Al jaren had ik ze op ‘t oog. Reeds op de oude website van het Bergs archief stonden ze: zes fotoalbums, gedigitaliseerd door Picturae. De omschrijving meldt dat het politiefoto’s zijn van ongeveer de periode 1885-1900, met “wie de personen waren, hoe ze heetten of de reden van hun bezoek aan het politiebureau is in het album niet bekend gemaakt.” Stel je voor. Zes boeken met foto’s van Bergenaren. Foto’s van gewone Bergenaren, in een tijd dat portretfoto’s voor de rijken waren. Hoeveel voorouders van me zouden er niet tussen moeten staan. Afgelopen week ging ik met mede-onderzoeker Marco de Kock ermee aan de slag. We mailden naar het WBA. We gingen kijken of er toch echt geen aanwijzingen waren, een nummer of een register waarmee de volgorde overeenkwam. We wilden hoogleraren criminologie en fotografie benaderen. We onderzochten het verschil tussen een huis van bewaring en een gevangenis, in die tijd. En daar lag de oplossing, eerder dan verwacht. We ontdekten dat veel van hen op hetzelfde soort foto hetzelfde kloffie met dezelfde geruite bef droegen. Én.. we ontdekten dat er een Geheim Register bestond. Een geheim register van ontslagen gevangenen. 

Gevangenen in de rijksgevangenissen in ‘s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Hoorn, Leiden, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam die hun straf hadden uitgezeten waren niet allemaal gelijk. Sommigen van hen waren veelpleger of hadden echt iets serieus op hun kerfstok. Zij werden ingeschat als gevaarlijk, in ieder geval was er kans op recidive. Het plan was om in het geheim hun signalement te verspreiden onder politieafdelingen. In de periode 1882-1897 werd een aantal gedetineerden voor hun vrijlating op de foto gezet. Die foto’s werden vervolgens verspreid onder politieafdelingen. Waarschijnlijk niet alle politiekorpsen, maar alleen die in grotere steden. Waaronder Bergen op Zoom. De foto’s die bij het geheim register horen zijn door het Fries Archief in Leeuwarden gescand en online gegooid. Net als in Berrege, maar zij wisten wél wat de foto’s waren. En van wie. In de zoekfunctie van Tresoar ontdekte ik identieke foto’s, foto’s die ik herkende uit de Bergse albums. Het waren dus geen Bergenaren op ‘t Bergs bureau. Het waren kopietjes. Dat lijkt een teleurstelling, maar ik was wel opgelucht. Want stel dat je honderden foto’s hebt van Bergenaren (uit die tijd!) waarbij er geen mogelijkheid is om er ooit achter te komen wie het waren.. dat leek me erg frustrerend.

Check check, dubbel check. Dus koos ik achttien portretten uit de Bergse albums uit die Marco en mij opvielen, om te kijken of ik die in Tresoar zou terugvinden. En dat lukte, op nummer 3 en nummer 17 na. Dat opzoeken is geen straf. De foto’s zijn oprecht fantastisch. Ze bieden een hele toffe inkijk in verschillende types met verschillende outfits. Hun gezicht verteld een verhaal. Ik omschrijf eerst wat me opviel. En het register geeft daar de feiten bij, over de mensen waar de Berregse pliesie naar moest uitkijken. Die feiten noteer ik daarna. Op de eerder vermeldde twee nummers na, vond ik van al deze mensen een foto terug in het Fries archief. De afbeeldingen hierboven zijn dus kopies, uit het West-Brabants Archief in Bergen op Zoom, licht door mij bewerkt ter verwijdering van het watermerk. Doet u mee aan een potje 19de-eeuws Wie Is Het?

Persoon 1 is erg vrolijk. Zo komt hij me in ieder geval wel voor. Dat, in combinatie met zijn haar, wat natuurlijk zo rechtop lijkt te staan, maakt hem wat opvallend. Hij lijkt haast wat speels. Persoon 1 blijkt de 34-jarige (*rond 1854) Jan Geijlvoet, die op 1 april 1888 werd ontslagen uit de gevangenis van Rotterdam. Hij was protestants, arbeider van beroep en afkomstig uit het dorpje Zwartewaal op Voorne, ten zuidwesten van Rotterdam. Hij woonde in Haarlem, waar hij in 1874, 1875, 1878 en 1880 werd veroordeeld wegens diefstal en mishandeling. Daar kwamen nog twee veroordelingen in Amsterdam bij, in 1882 en 1886, wegens diefstal. Hij zat bij mekaar bijna vijf jaar vast. In de bak was hij kleermaker. Zijn gedrag was redelijk, ‘doch hij is zeer sluw van aard’. Wat moet ik me daarbij voorstellen? Zou er een verband zijn met zijn uiterlijk? Speelde hij spelletjes met cipiers? Jan ging na zijn vrijlating naar Haarlem. Ik vermoed dat hij in 1895 in Amstelveen overleed, getrouwd en als wildjager. 

Dan persoon 2. Mijn eerste indruk was; deze man heeft het niet makkelijk gehad. ‘t Lijkt iemand die ouder lijkt dan hij is; de wallen hangen tot over zijn wangen. En wat zit zijn sjaal vreemd, kruislings. Waar is die aan bevestigd, onder zijn jas? Persoon 2 blijkt Gerrit Reitsma te zijn, een protestantse, 65-jarige (*rond 1821), Friese koopman. Hij werd geboren in Tzum, was getrouwd en woonde in Franeker. Reitsma moet geen succesvol koopman geweest zijn, of eentje met louche zaken. Hij werd tussen 1859 en 1884 zes keer veroordeeld door de rechtbank in Leeuwarden en het provinciaal Fries gerechtshof, alle keren wegens diefstal. In totaal werd hij tot zeven jaar cel veroordeeld. In de gevangenis was zijn gedrag goed, en was hij aardappelschiller. Op 11 oktober 1886 werd hij ontslagen uit de gevangenis van Leiden, en gaf aan dat als hij zijn ‘uitgaanskas’ kreeg, zijn vertrekcentjes, hij zich terug naar Franeker zou begeven. De eerste keer dat hij Friesland verliet was het niet, want als alles klopt zat hij in 1880 al vast in Hoorn. Opvallend: in de omschrijving vermeld met geen baard, op de foto heeft hij die toch wel. Of zouden die paar haartjes in die tijd van baarden niet hebben gegolden als ‘baard’?

De oudere dame, persoon 3, viel me op door precies dat. Een oudere dame, in de gevangenis. Ze kijkt stug en emotieloos, maar ook wat vastberaden. Nu was dat ook wel de standaard houding op foto’s in die tijd. Zou ze aan haar muts twee spiegeltjes hangen, zou ze zomaar een Zeeuwse kunnen zijn. Misschien was ze dat ook wel, maar daar kom ik niet achter, want haar inschrijving vond ik niet terug.

Inschrijving in het gevangenisregister te ‘s-Hertogenbosch, rond 1892 (links), portret uit het register van personen om in de gaten te houden uit 1917 (rechts).

Persoon 4 ziet er sjiek uit. Zo’n mooi bolhoedje en een stropdas; je vraagt je toch af hoe je daaraan komt in de gevangenis. Deze man doet mij denken aan zijn fictieve tijdgenoot Josiah Trelawny uit Red Dead Redemption 2. De charlatan van een gang, degene die zich voordoet als vooraanstaand zakenman en met trucs toch de platte crimineel uithangt. Tot nu toe zijn mijn inschattingen vrij treffend, want persoon 4 blijkt witteboordencrimineel Wijnand van Aken. Van Aken was protestants, ongehuwd, dertig (*rond 1863) en kantoorklerk in en uit Dordrecht. Volgens de omschrijving was hij ook doof, wat geen belemmering hoeft te zijn voor dat beroep, uiteraard. Hij werd drie keer veroordeeld in Den Haag, een keer in 1889 voor oplichting, een keer 1891 wegens verduistering en een keer in 1892 wegens valsheid in geschrifte ‘en het gebruik maken daarvan’. Blijkbaar was hij niet te vertrouwen, anders kwam je ook niet in dit geheim register. Drie jaar zat hij bij mekaar vast, toen hij op 3 oktober 1893 vrijkwam. Zijn gedrag was goed geweest en hij had wegens ziekte een tijd doorgebracht op de ziekenzaal van de gevangenis in ‘s-Hertogenbosch, waar hij gedetineerd was. Hij ging op weg naar Rotterdam. Over die ziekte wordt meer duidelijk uit het gevangenisregister zelf. Hij leed aan ‘beginnende longtering’. Des te ongeloofelijker is het dat Van Aken in 1917 nog voorkomt in een register van veroordeelden dat lijkt op het Geheim Register, maar dan gedigitaliseerd door het Amsterdams stadsarchief. De ziekte kreeg hem er dus nog niet onder. Uit die registratie blijkt ook dat hij in 1907 wederom veroordeeld werd wegens valsheid in geschrifte. In 1917 wordt ook een nieuwe foto van hem gemaakt. In het signalement komt geen longtering meer naar voren, wel als kenmerk dat hij doof is en opvallende rimpel ‘boven de neuswortels’ heeft. 

Over gelijkenissen gesproken. Persoon 5 ziet er vriendelijk uit, maar niet al te snugger. Dat kán natuurlijk ook te maken hebben met zijn gebit. Hij viel mij op omdat hij mij deed denken aan Brooks uit de Shawshank Redemption. ‘Brooks was here’. Persoon 5 blijkt de werkloze Amsterdammer Herman August Blankenstein. Op 22 februari 1886 werd hij vrijgelaten in Leeuwarden, hij was toen protestant, 47 (*rond 1838) en ongehuwd. Vermeld werd dat hij geboren was en ‘t laatst woonde in Amsterdam. Blankenstein werd in 1868 en 1877 veroordeeld voor oplichting en in 1877 en 1881 voor diefstal, alle vier de keren in de hoofdstad. Uiteindelijk kreeg hij bij mekaar 3½ jaar cel en vijf jaar tuchthuisstraf. Dat laatste kan misschien verband houden met zijn werkeloosheid. Zijn gedrag in Leeuwarden was ‘zeer goed’, hij was er wever en gaf aan naar Weesp te gaan. Om meer te weten te komen over zijn achtergrond zocht ik hem op in de Amsterdamse bevolkingsregisters. Hij woonde in 1879 een tijdje in een kosthuis op het eiland Rapenburg, in 1880 een paar maanden in de Bloedstraat op de Wallen en tussen juli 1880 en zijn internering in Leeuwarden in april 1881 aan de Utrechtsedwarsstraat. De panden waren overbevolkt met alleenstaande mannen, doch er valt wel iets op: Herman was kantoorbediende in 1880. Uiteindelijk liep het minder goed af. Hij overleed op 27 februari 1890 in de derde rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Hij werd 52 jaar oud.

Persoon 6 kijkt of hij elk moment op de fotograaf gaat tuffen. Dat zal wel niet zijn geweest hoor, maar het maakt de foto wel opvallend. En z’n haar zit netjes! Het gaat hier om Willem Craaibeek, eveneens een Amsterdammer. 46 jaar, getrouwd, werkman, protestants. Tussen 1859 en 1886 werd hij zes maal veroordeeld voor diefstal. Bijna zes jaar zat hij vast, in totaal. Telkens periodes van een jaar, twee jaar of een aantal maanden. Het probleem was structureel, zeg maar. Melding werd gemaakt van een litteken op zijn rechterwang, zou dat die bult zijn? Craaibeek zat gevangen in Groningen, waar hij strohulzen maakte. Zijn gedrag was goed, maar hij was ook ‘eigenzinnig’. Op 29 juni 1888 werd hij vrijgelaten en ging hij op weg naar Amsterdam.

Op het eerste gezicht lijkt het alsof persoon 7 onverschillig kijken goed onder de knie heeft. Maar kijk wat langer in haar ogen.. het gaat niet helemaal goed. Deze blik viel mij op. Persoon 7 is de protestantse Friese moeder Lijsbeth Hiemstra, 47 jaar en arbeidster. Op 1 mei 1886 werd ze vrijgelaten in Utrecht, na een straf waarbij ze zich ‘vrij goed’ gedroeg en wasvrouw was. Lijsbeth kwam uit het Friese terpdorp Oosterend en trouwde al in 1856, toen ze zeventien was. Samen met haar man Molle Eisma woonde ze in dorpen in de buurt, in Goënga en Scharnegoutum. De basisschool maakte ze af, ze kon schrijven. Twee keer werd ze veroordeeld in de Friese hoofdstad Leeuwarden; in 1871 wegens diefstal en in 1884 volgende een wat langere tenlastelegging: misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrift van koophandel en diefstal. Valsheid in geschrifte, daar moet je voor kunnen schrijven. Wat je nog meer moet kunnen hangt denk ik af van wat voor geschriften je vervalst. En dat misbruik in vertrouwen.. hangt dat ermee samen? In ieder geval was het serieus genoeg om haar signalement tot op 250 kilometer verderop in Bergen op Zoom te doen belanden. Voor de zekerheid.

Afbeeldingen: links: Tresoar, rechts: Bevolkingsregister Zoelen 1849-1859, Regionaal Archief Rivierland

Aan persoon 8 vielen mij wat vrij excentrieke dingen op, vooral in het gezicht. Zijn opvallende oogleden bijvoorbeeld, hoe hoog zijn ogen in het gezicht zitten en hoeveel zijn mond geaccentueerd is. Persoon 8 was Gerrit de Jager. Hij werd op 6 december 1885 vrijgelaten uit de gevangenis in Haarlem. Gerrit was op dat moment 41, tuinman, protestants en ongetrouwd. Hij had een blonde baard om de kin ‘met knevel’. Opvallend was zijn Na een veroordeling voor diefstal in Haarlem, wat eveneens zijn woonplaats was, in 1882 en 1883, kreeg hij bij mekaar drie jaar gevangenisstraf. Tijdens die straf was hij kleermaker. Wat het meeste eruit springt: Gerrit kon niet schrijven en zijn gedrag tijdens zijn straf was slecht. En dat werd niet zomaar opgetekend: ‘slecht’ komt maar weinig voor in het geheime register. Vocht hij? Was hij recalcitrant? Een stukje achtergrond zou misschien voor pedagogen uitleg bieden. Gerrit werd op 4 april 1844 geboren als zoon van een ongehuwde moeder, Teuntje de Jager, in Zoelen, bij Tiel in de Betuwe. In de periode 1849-1859 woonde hij in huis nummer 104 aldaar, samen met meerdere mannelijke familieleden. Ooms? Neven? In ieder geval niet zijn moeder. Was ze overleden? Was Gerrit uit huis gezet op die leeftijd? Ik weet het niet. Evenmin vond ik iets over wat er met hem gebeurde na zijn vrijlating in 1885. Ik hoop iets goeds.

Persoon 9 viel mij op omdat hij mij aan een bekende van me deed denken. En nee, natuurlijk zeg ik niet wie. Maar daarnaast valt zijn blik natuurlijk ook op. Hij kijkt moeilijk, of misschien wel strijdlustig. Of misschien is er een flits gebruikt, wat nogal wat licht gaf in die tijd, met al dat magnesium. Persoon 9 blijkt Jan Schippers, protestants arbeider, ongetrouwd en 36 jaar (*1852). Hij ziet er jonger uit, vind ik. Schippers werd in 1885 in Amsterdam en in 1887 in Utrecht veroordeeld vanwege diefstal. Hij kwam oorspronkelijk uit Hekelingen op het eiland Putten, maar woonde voor zijn straf in Oudenrijn bij Utrecht. Toen hij op 11 mei 1888 werd vrijgelaten uit de gevangenis van Utrecht gaf hij aan ook terug te keren naar Oudenrijn. Zijn gedrag was goed geweest, hij kon schrijven, miste zijn rechtervoet en vlocht riet. Soms is er niet meer achtergrond nodig.

Deze man is doodeng. Griezelig. Persoon 10 doet me denken aan Raspoetin. Hij heeft een grote baard, zijn jas zit vreemd, alsof hij heel breed is. De vorm van zijn ogen helpt ook niet mee. Misschien heb ik ongelijk. Jan Scheffer was dertig jaar (*rond 1858) toen hij op 4 september 1888 vrijgelaten werd uit de gevangenis in Groningen. Scheffer was een protestantse, ongehuwde schippersknecht, geboren in Blokzijl, een dorpje aan de Zuiderzee in het Steenwijkerland in Overijssel. Hij had geen vaste woonplaats, wat ook te zien is aan waar hij veroordeeld werd: 1880 in Zutphen, 1880 in Arnhem, 1882 in Zwolle, 1884 in Heerenveen en 1884 in Leeuwarden; alle keren voor diefstal. Hij kreeg tweemaal 183 dagen cel, een keer twee jaar cel, een keer een jaar cel en een keer vier jaar cel opgelegd. Die laatste straf werd omgezet naar twee jaar. Was dat vanwege goed gedrag? Ik betwijfel het, want de omschrijving van zijn gedrag in Groningen bevestigd mijn eerste indruk van Scheffer. Scheffer kon schrijven en maakte strohulzen. Zijn gedrag was ‘in den laatsten tijd slecht’. “Hij is zeer onverschillig en kwaaddenkend en een gevaarlijk persoon”. Zo. Nu was iedereen in dit register gevaarlijk, dat was een beetje het idee van het register zelf. Maar waar de meesten goed of redelijk gedrag vertoonden, springt dit er wel uit. Bij zijn vertrek nam Jan zijn uitgaanskas aan, de centjes waarmee hij naar huis kan. Maar hij had nog steeds geen thuis, geen bestemming werd vermeld. Wel schoor hij zijn baard af; in zijn signalement wordt geschreven dat hij geen baard had. Ik heb verder niets meer gevonden over Jan.

Afbeeldingen: links: Bevolkingsregister Amsterdam 1874-1893. Rechts: Tresoar.

Persoon 11 kijkt keistoer. Hij lijkt een straatjongen. Hij pikt niets, dat zie je zo. Persoon 11 is Jan Hendrik Willem Frederik Weerman, en is wat ouder dan ik inschatte: 33 jaar (*1854). Deze protestantse ongetrouwde arbeider was ook nog eens Amsterdammer, dus zijn dialect zal wel meegeholpen hebben aan zijn imago. Weerman werd in 1881 en 1883 veroordeeld voor diefstal, hij kreeg bij mekaar drie jaar cel. Op 15 oktober werd hij ontslagen uit de gevangenis in Amsterdam maar kreeg toch een ‘uitgaanskas’ om thuis te kunnen komen. In de gevangenis was zijn gedrag goed, hij kon schrijven en vlocht riet. Opvallend: in het Fries archief hebben ze een andere foto van Weerman dan in Bergen op Zoom. Die foto met pet, die komt uit Berrege. Die zonder uit Leeuwarden. Alles kwam goed met Hendrik Jan Willem Frederik (zoals hij ook wel genoemd werd). Op 14 november 1888 trouwde hij met de Harderwijkse Mina Maat en stichtte met haar een gezin in de Amsterdamse Van Heemskerckstraat.

Hoeveel ‘gewone mensen’ hadden er in die tijd drie portretfoto’s van zichzelf laten nemen? (Afbeeldingen: Stadsarchief Amsterdam, Tresoar)

Persoon 12: de mater familias. Ze doet me denken aan de moeder van Carmen in Penoza IV. Ze heeft al veel gezien. Veel slechts, maar bleef altijd staan voor de mensen die dichtbij haar stonden. Zo stel ik me dat voor. Zou het kloppen? Persoon 12 is Wilhelmina Frederika Antonia Bernordt, in ‘t geheim register vermeld als Bernot. Zij werd op 13 april 1888 vrijgelaten uit de gevangenis in ‘s-Gravenhage, waar ze een straf van bij mekaar vier jaar en vier maanden uitzat wegens meerdere diefstallen. Haar gedrag tijdens die straf was goed, ze kon schrijven en was ‘belast’ met breiwerk en huisdienst. Even tussendoor: diefstal komt vaak voor in dit register. Het lijkt iets wat te ‘klein’ is om je in zo’n geheim register te doen belanden. Maar, beeld je in, het gaat hier om de jaren 1870/1880. Voorwerpen en spullen waren veel duurder en veel meer waard, relatief, dan nu. En hoeveel mensen waren verzekerd? Als iemand je groentekar stal was je je bestaan kwijt. Als iemand je gouden horloge stal, was je je pensioen kwijt. Serieuzer dan men nu zou denken dus. Terug naar mevrouw Bernordt. Of.. mevrouw of juffrouw? In het register werd verder vermeld dat zij katholiek was, geboren in Rotterdam, daar ook woonde, koopvrouw was van beroep, 57 jaar (*1830) en ongehuwd. Bernordt werd op 19 oktober 1830 in Rotterdam geboren, als dochter van Maaike Antonia van Nouhuijs of Nouwhuijsen en Willem Frederik Bernordt. Laatste erkende haar bij het huwelijk van haar ouders in 1833. Ik kwam haar o.a. tegen in nog een ander landelijk register van veroordeelden in ‘t stadsarchief van Amsterdam. Een kopie daarvan plaats ik hierboven. In deze akte werd gemeld dat zij ook bekend was als Fiolet. En ja.. Wilhelmina was op 5 november 1851 te Rotterdam getrouwd met Franciscus Jacobus Fiolet. Ze kreeg ook kinderen met hem, maar was in 1888 ongehuwd.. Het antwoord daarop is de vroegste echtscheiding die ik ooit tegenkwam, op 9 april 1863 in Rotterdam. Verklaard werd dat Fiolet overspel gepleegd had. Vanaf toen stond ze er dus alleen voor, waarschijnlijk met die kinderen. Tja. Diefstal.. Uiteindelijk zou ze op 17 mei 1914 te Rotterdam overlijden.

Kijk eens naar persoon 13. Hoe sjiek! Het pak, de hoed, het lijkt wel van haar eigen haar. Het lijkt erop dat ze de kans kreeg zich om te kleden toen ze naar de fotograaf ging, in de laatste weken van haar gevangenisstraf. Als ik nu zeg: een soort Mata Hari? Een spionne van haar tijd dus? Is dat dan gek? Oké, het blijkt van wel. Persoon 13 is namelijk Adriana Elisabeth Berman, 21 jaar (*rond 1865), ongehuwd, protestant, geboren in Zierikzee als kind van een onhuwde moeder, woonachtig te Rotterdam en publieke vrouw. Een prostituee dus. Maar wel een sjieke, zo te zien. Berman werd in 1883, 1884 en 1885 veroordeeld voor diefstal in Rotterdam, waar ze eerder in 1882 al veroordeeld werd daarvoor in Goes, op het moment dat ze zeventien jaar was. Na een straf van bij mekaar twee jaar en drie maanden werd ze op 26 maart 1886 vrijgelaten in Utrecht. Ze had gebreid, kon schrijven en haar gedrag was goed. 

Persoon 14 doet me denken aan acteur Pierre Bokma, vooral in zijn blik. De jas en bef zijn algemeen voor een bepaalde gevangenis, op veel van de portretten draagt de gedetineerde ze. Persoon 14 blijkt de 47-jarige (*rond 1840) Amsterdamse tapper Johan Adam Baijer. Protestants, ongehuwd. Hij werd op 12 december 1887 vrijgelaten uit de strafgevangenis in Leeuwarden, na een straf waarbij hij wever was met ‘redelijk’ gedrag. Er is echter wel iets ongewoons: vermeld werd dat hij wegens diefstal in 1878 veroordeeld werd tot tien jaar tuchthuis. Geen reguliere cel dus, al moet hij daar ook in hebben gezeten in Leeuwarden. In het stadsarchief van Amsterdam vind ik meerdere vermeldingen van een Johan Adam Baijer of Beijer, allemaal met als geboortedatum 6 december, maar soms in 1838, dan in 1839 of 1840. In 1867 kwam Baijer in het Buitengasthuis te wonen, vanuit Hoorn. Tot 19 april 1878 woonde hij op Wijngaardstraatje 6, hij vertrok toen naar Leeuwarden. In 1891 woonde Baijer in de Amsterdamse Foeliedwarsstraat, in 1892 in een armenhuis aan de Muidergracht. Als tapper werd hij niet veel vermeld, wel dat hij Evangelisch-Luthers was van geloof. Dan, op 54-jarige leeftijd in 1893, trouwde Baijer met de 66-jarige Utrechtse Johanna de Wolf. Dat huwelijk duurde niet lang. In 1890 wordt Beijer opgenomen in het Binnengasthuis, hij heeft influenza. Op 9 september 1892 moest hij opnieuw naar het ziekenhuis met een beenbreuk; hij heeft als werkman/sjouwerman er ‘n kist tegenaan gekregen. In 1895 opnieuw met Kyfose, een kromming in de rug. Op 20 juni 1895 wordt hij dan in dezelfde registers van het gasthuis als overleden vermeld. Als getrouwd werkman. Ik hoop dat hij zijn geluk vond.

Bron: Tresoar.

Mijn eerste reactie bij persoon 15 was; dit klopt niet. Da’s een kind. Veertien hooguit, wat doet hij in dit register? Maar ik maakte een verkeerde inschatting. Persoon 15 is de 20-jarige (*rond 1866) katholieke Cornelis van Vliet uit Gouda. Cornelis was ongehuwd, had geen beroep en werd in 1884 en 1886 in Rotterdam en Den Haag veroordeeld voor diefstal, waar hij in totaal twee jaar gevangenisstraf voor kreeg. Op 3 december 1886 werd hij vrijgelaten, waarna hij zou terugkeren naar zijn thuisstad Rotterdam. In de gevangenis deed hij aan tricotpluizen. Zijn gedrag was redelijk, maar hij was wel ‘vuil en lui’. Het zal maar over je gezegd worden..

Persoon 16 valt op door zijn felle ogen. Ik zou zeggen dat ze blauw zijn, maar dat kan ik niet bewijzen nog, aan de hand van alleen de foto. Ook maakt hij een wat onnozele indruk. Maar misschien schuilt er meer achter? Zijn pak zit trouwens wel netjes, vind ik. Persoon 16 blijkt Lieuwe de Vries, een protestantse getrouwde koopman van vijftig jaar oud (*rond 1836). Hij was geboren in Oterleek en woonde in Alkmaar in Noord-Holland. Zijn ogen waren lichtgrijs, daar zit ik ongeveer wel goed met mijn inschatting. Lieuwe werd veroordeeld in 1865 wegens diefstal, waar hij vijf jaar tuchtthuisstraf voor kreeg (best ‘n flinke straf) en in 1885 voor diefstal van vee in de weide. Een veedief dus! De Vries kwam op 18 december 1886 vrij uit de gevangenis in Leiden, waar zijn gedrag goed was en hij kleermaker was.

Persoon 17 viel Marco op vanwege het opgetekende snorretje. En uiteraard de bekende jas en bef. Stel, je krijgt als Bergse politieagent deze foto met beschrijving. Maar in die beschrijving staat dat de voormalig gedetineerde waar je naar uit dient te kijken een snor draagt. Dan teken je die erop. Op een wijze waarop men die droeg in de jaren 1880. Persoon 17 heb ik, als tweede foto na persoon 3, niet terug kunnen vinden in het Fries archief.

Afbeelding: WBA Bergen op Zoom/schermafbeelding M. de Kock

Persoon 18, de laatste uit dit rijtje. Waarschijnlijk hoef ik niet te vertellen waarom deze persoon ons opviel. Marco en ik hebben nog gediscussieerd over of persoon 18 nu gehandicapt was of geboeid. Uiteindelijk had Marco gelijk. Waar bovenste foto (in tegenstelling tot de andere gebruikte foto’s) uit het Fries archief komt, is op de onderste foto uit het Bergs archief goed te zien dat deze gast in een dwangbuis met touwen zit. Persoon 18 blijkt wederom een Amsterdammer. Gerardus Franciscus Jacobus Hessels, protestants (ondanks zijn wat katholieke namen), twintig jaar (*rond 1876), ongehuwd werkman. Hessels werd in 1892 en 1894 te Amsterdam veroordeeld voor diefstal, en in 1893 wegens ‘wederspannigheid‘. Hij werd op 26 maart 1896 vrijgelaten uit de gevangenis van Nieuwer-Amstel (Amstelveen), na een straf van bij mekaar drie jaar en negen maanden gevangenisstraf, waarbij zijn gedrag redelijk was en hij matten breidde en bosjes maakte voor vuurmakers. De situatie waarin Hessels op de foto ging doet mij iets afvragen. Ging men op de foto bij arrestatie? Of vlak voordat men vrijgelaten werd? Ik ging van het laatste uit, maar het lijkt toch alsof hij na zijn arrestatie voor wederspannigheid op de foto ging.. Of was het toch het eerste en was dit het voorval wat zijn gedrag ‘redelijk’ maakte? 

Ik ben nog niet klaar met dit register. Want als deze website reguliere bezoekers zou hebben (en dat weet ik niet, ik heb bezoekersstatistieken uitgeschakeld) dan zouden die ongetwijfeld weten dat ik bij ‘t ontdekken van nieuwe bronnen als deze altijd even de Bergenaren, Wouwenaren, Woensdrechtenaren en Ossendrechtenaren opzoek. Wordt vervolgd dus!

Oveniersuskes (hulpkaarten kadaster III)

Ik was al even bezig met de hulpkaarten van het kadaster. De centrale vraag hierbij: hoe kan ik perceelnummers, afkomstig uit 19de-eeuwse notariële akten, vertalen naar duidelijke locaties? Oftewel: kan ik het daadwerkelijke pand vinden waar het om gaat? Onderstaand artikel is het resultaat. Dit is het laatste artikel in de reeks over het kadaster.

  • 126, 127, 62, 63 Hopmans-Franken, Musters-Hopmans
  • 40 Franken
  • 20, 21, 42, 43, 84, 85 Franken-Withagen, Withagen-Withagen, Withagen-Steenbak
  • 82, 83 Boschman-Nuijten
  • 90, 91 Borrie-de Ruijter

Hopmans-Franken, Musters-Hopmans

Bij notaris Van Gastel te Wouw werd op 17 oktober 1885 een akte opgesteld waarin gekeken werd naar de nalatenschap van Isabella Franken (*Bergen op Zoom, 1822, ✞ aldaar, 1858, kwartierstaatnummer 127) en hoe de boedel verdeeld moest worden. Haar weduwnaar Petrus Hopmans (*Bergen op Zoom, 1823, ✞ aldaar, 1897, kwartierstaatnummer 126) was toen al ruim 25 jaar getrouwd met Isabella’s zuster Anna Cornelia Adriana Franken (*Hoogerheide, 1833, ✞ Bergen op Zoom, 1911). De boedel bestond uit:

  • Meubilair en “andere roerende goederen”, ter waarde van 396 gulden en vijftig cent
  • Tweehonderd gulden aan contanten
  • Een huis en erf aan de Rijkebuurtstraat met als adres C9 en kadastrale nummering sectie G 2757 met een geschatte waarde van 2900 gulden.
  • Een perceel bouwland te Halsteren, sectie D nummer 261 aldaar, met een geschatte waarde van vijfhonderd gulden.

Perceel G2757 komt voor op een hulpkaart uit 1875. Het blijkt te gaan om twee percelen die rond die tijd klaarblijkelijk samengevoegd werden. De hulpkaart verwijst naar nummers G2010 en G2011. Leuk detail: die twee nummers komen weer van een hulpkaart uit 1861, toen het perceel G1278 gesplitst werd. De oorspronkelijke kaart verwijst naar een pand op de hoek van de Rijkebuurtstraat en de Bruinevisstraat. Het begin van de Kaai lijkt een terugkerend thema te zijn in dit artikel en onder mijn Bergse voorouders. Het beige pand met knipvoegjes wat we anno 2019 op die plek vinden is niet het huis waar de familie in woonde, dat is wel te zien op onderstaande foto van een kleine twintig jaar na de opsomming van de boedel.

De hulpkaart uit 1875. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Op deze prachtige foto uit 1907 zien we de Rijkebuurtstraat richting de Kaai. Het rode pand was van de familie. Afbeelding: WBA Bergen op Zoom.

Eerder, in 1873, liet tweede echtgenote Anna Cornelia Adriana Franken bij notaris Van Gastel haar testament opstellen. Hierbij werd er geen inventaris opgemaakt, ze benoemde simpelweg Petrus Hopmans als erfgenaam. Op 14/2-1898 werd bij notaris Schermer een akte opgesteld waarin bleek dat, inmiddels wijlen, Petrus Hopmans financiële afspraken had met collega-hovenier Martinus Petrus Franken Laurenszoon (*Bergen op Zoom, 1833, ✞ aldaar, 1911, kwartierstaatnummer 40).
Het in 1873 opgestelde testament bleek dus tevergeefs; Petrus Hopmans overleed als eerste in 1897. Met de Wouwse notaris Van Gastel werd op 29/3-1898 een openbare verkoop gehouden, waarbij allerlei ‘roerende goederen’ van wijlen Petrus verkocht werden. Dit lijstje is leuk om te zien, niet alleen omdat ze een klein privé-inkijkje geeft in wat voor klein spul het echtpaar in hun huis aan de Rijkebuurtstraat had staan, maar ook omdat bijna alle kopers hoveniers waren of in ieder geval uit ‘n hoveniersfamilie kwamen. Het laat dus goed zien hoe deze beroepsgroep in Berrege naar binnen gekeerd was op allerlei fronten. Er zullen wel wat voorouders van mij tussen zitten, maar omdat er zoveel hetzelfde heetten en hier geen patroniemen vermeld werden, kan ik dat niet met veel zekerheid zeggen.

  • Vier ramen aan Willem Musters, zestig cent.
  • Een wagentje aan Piet Musters te Bergen op Zoom, dertig cent.
  • Kruiken aan Cornelis Hopmans te Bergen op Zoom, veertig cent.
  • Ketels aan Van den Boom, dertig cent.
  • Een waterketel aan Jan Franken, zestig cent.
  • Kannen aan vrouw Pagée, één gulden vijftig.
  • Een kan aan Jan Franken Arnolduszoon te Bergen op Zoom, één gulden negentig.
  • Vorken aan Petrus Withagen Janzoon te Bergen op Zoom, twee gulden tien.
  • Een hak aan Van Egeraat, vijftig cent.
  • Een tuinschaar aan Lambertus Franken, twee gulden.
  • Een lent aan Huijgen, dertig cent.
  • Een lent aan Piet Withagen voornoemd, dertig cent.
  • Hakken aan Piet Withagen voornoemd, één gulden vijftig.
  • Hakken aan Franken, één gulden tien.
  • Een waterketel aan Piet Nuijten-Crusio, twintig cent.
  • Een waterketel aan Van den Boom, tien cent.
  • Een haak aan Arnoldus Hopmans, twintig cent.
  • Een schop met riek aan Willem Musters, twee gulden twintig.
  • Een schop aan Piet Withagen Janzoon, één gulden zeventig.
  • Een bijl aan Arnoldus Hopmans, één gulden zestig.
  • Een vlagzeis aan Piet Withagen Janzoon, zestig cent.
  • Een touw aan Cornelis Franken, negentig cent.
  • Een haargetouw aan Piet Withagen, negentig cent.
  • Strengen aan Arnoldus Hopmans, twee gulden dertig.
  • Een zaag aan Arnoldus Hopmans, tachtig cent.
  • Een g(..)eef aan Cornelis Huijgens, één gulden tien.
  • Een zeef aan Arnoldus Hopmans, één gulden.
  • Een kist aan Arnoldus Hopmans, één gulden.
  • Een kist aan Piet Hagenaars, dertig cent.
  • Een kist aan Piet Withagen, tien cent.
  • Een tafel aan Piet Nuijten-Crusio, zestig cent.
  • Een ton aan Jan Paanen te Bergen op Zoom, één gulden twintig.
  • Ba(..)le met gewicht aan Cornelis Hopmans, zeven gulden.
  • Een kruiwagen aan Piet Withagen, vier gulden 25.
  • Een aardkar aan Piet Withagen, 39 gulden.
  • Een aardappelzetter aan Piet Withagen, twintig cent.
  • Een ploeg aan Cornelis Hopmans, tien gulden vijftig.
  • Een tol aan Arnoldus Hopmans, één gulden zeventig.
  • Schuthekken aan Piet Withagen, tachtig cent.
  • Manden aan Piet Paanen te Bergen op Zoom, één gulden.
  • Een egge aan Arnoldus Franken Arnolduszoon te Bergen op Zoom, vijf gulden.
  • Een beerkist aan Piet Withagen, elf gulden.
  • Een ijswagen aan Jan Franken Adrianuszoon te Bergen op Zoom, drie gulden.
  • Een egge aan Willem Appels te Bergen op Zoom, vier gulden 25.
  • Een schraag aan Piet Withagen, twintig cent.
  • Een peemolen aan Piet Nuijten-Crusio, twee gulden.
  • Een ladder aan Piet Withagen, één gulden zeventig.
  • Een ladder aan Cornelis Hopmans, één gulden.
  • Wielen aan Arnoldus Franken, één gulden tien.
  • Een kafmolen aan Cornelis Hopmans, zeven gulden.
  • Een mand met kippen aan Piet Hagenaars te Bergen op Zoom, vier gulden 25.
  • Een mand met kippen aan Arnoldus Hopmans, vijf gulden.
  • Mest aan Gerrit Franken te Bergen op Zoom, tien gulden vijftig.
  • Mest aan Antonie Verdult te Bergen op Zoom, voor zes gulden 75 en nog een keer voor zeven gulden en vijf gulden vijftig.
  • Mest aan Jacobus van Eekeren te Bergen op Zoom, zes gulden.
  • Mest aan Piet Musters voornoemd, zeven gulden 25.
  • Mest aan Hendricus van Broekhoven, zeven gulden 25.
  • Mest aan Jan Franken, zes gulden 25.
  • Een witbonte koe aan Piet Withagen, 121 gulden.
  • Een zwartbonte koe aan Martien Franken-Withagen, 111 gulden.
  • Een blauwe koe aan Piet Withagen, 119 gulden.
  • Een pony aan Piet Withagen, 106 gulden.
  • Een tuig aan Piet Withagen, vijf gulden.
  • Een zadel met ligt aan Piet Withagen, zes gulden.

Later dat jaar, op 12 mei 1898, werd dan toch de gemeenschappelijke boedel verdeeld. De familie verscheen voor notaris Van Gastel. Anna Cornelia Adriana Franken, hovenierster, weduwe van Petrus Hopmans, Petrus Musters Willemszoon (*Bergen op Zoom, 1845, ✞ aldaar, 1929, kwartierstaatnummer 62), hovenier, getrouwd met dochter Petronella Hopmans (*Bergen op Zoom, 1850, ✞ aldaar, 1924, kwartierstaatnummer 63), Cornelis Hopmans, hovenier, Nicolaas Snellens, schipper, getrouwd met dochter Maria Hopmans, Arnoldus Hopmans, hovenier, Walterus van Egeraat, voerman, getrouwd met dochter Catharina Hopmans, Johannes Petrus van den Boom, slager, getrouwd met dochter Johanna Hopmans en Petrus Cornelis Withagen, hovenier, getrouwd met dochter Petronella Jacoba Hopmans. Zij waren allen woonachtig te Bergen op Zoom, met uitzondering van Nicolaas Snellens (die uit mijn hoofd ook in de stamboom Bernaards voorkomt), hij woonde te Raamsdonk. De boedel bestond uit:

  • Percelen bouwland, hakhout en tuin, sectie F nummers 377 en 696 en sectie C nummers 730, 575 en 773, samen ruim drie hectare groot en met een geschatte waarde van 3700 gulden. De percelen waren al enkele decennia hun eigendom.
  • Nog meer inboedel en gereedschap, met een geschatte waarde van 790 gulden.
  • 41 gulden en 22 cent aan cash.
  • Een schuldvordering met betrekking op het schip van Nicolaas Snellens.
  • Een hypothecaire schuldvordering aan schoonzoon Walterus van Egeraat.
  • Drie renteloze vordering met een gezamenlijke waarde van 7600 gulden.
  • Het huis in sectie G nummer 2757 lijkt inmiddels verkocht te zijn, met ‘voorbehoud van vruchtgebruik’.

Perceel C575 wordt vermeld op een hulpkaart uit 1881. Op die kaart wordt verwezen naar het oude nummer, 330, wat een orgineel nummer uit 1832 is (zie mijn uitleg over ‘originele’ nummers en nummers van hulpkaarten bij dit artikel). C330 was een langgerekt perceel, gelegen aan de Zoom en naast de Zanderijen, ongeveer waar nu de A4 ligt. Op zowel de kaart uit 1832 als de hulpkaart van 1881 is landgoed Ruitershove te herkennen. Perceel C773 was wat kleiner en rechthoekig. Ze komt voor op drie hulpkaarten; één uit 1897 die verwijst naar C637, C637 verwijst weer naar C576 op een hulpkaart uit 1881 en C576 verwijst naar een origineel perceelnummer: C330. En da’s toevallig precies hetzelfde oorspronkelijke perceel langs de Zoom als het latere C575.

Perceel C730 wordt weergegeven op een twee keer zo grote hulpkaart uit 1898. De kaart lijkt opgesteld te zijn rondom een herindeling van een groot stuk land. Te zien is bijvoorbeeld dat er een soort van kanaal o.i.d. aangelegd is, zo lijkt het. In ieder geval vertelt het originele nummer, C180, me dat het ging om een stuk landbouwgrond aan de huidige Ravelstraat, de oude Moerstraatsebaan, in de buurt van de hoeve Bloemendaal.

Het perceel langs de Zoom op de hulpkaart uit 1882. Bron: hulpkaarten Kadaster doos HK0073, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Hetzelfde perceel langs de Zoom op de eerste kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Het perceel langs de Moerstraatsebaan op een hulpkaart uit 1896. Bron: hulpkaarten Kadaster doos HK0073, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Hetzelfde perceel in de buurt van Bloemendaal/de Bommesee op de eerste kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op deze uitsnede van de topografische kaart anno nu is aangegeven waar de drie percelen ongeveer gelegen hebben. (Originele afbeelding: J.W. van Aalst/Wikimedia Commons)

Franken

Voorouder Martinus Petrus Franken Laurenszoon (*Bergen op Zoom, 1833, ✞ aldaar, 1911, kwartierstaatnummer 40) was ook een drukbezet man. Een drukbezette hovenier, welteverstaan. Hij werd onder andere in 1873 en 1876 (en nog vele andere momenten) vermeld in verband met de koop en verkoop van percelen. Zo verkocht hij o.a. in 1877 een perceel van tien hectare bouwland te Halsteren (sectie D nummer 841) aan Adrianus Wesenbeek aldaar, in 1878 percelen bouwland met een grootte van negen en zeventien hectare te Halsteren (sectie D nummer 841) aan Theodorus Verbeek te Antwerpen en datzelfde jaar nog weer aan Wesenbeek (Halsteren D849). De Halsterse sectie D omvatte de Noordgeest, het gebied wat in 1962 overging naar Berrege. Hier zaten toen al veel hoveniertjes. Verder komt hij vele malen voor i.v.m. hypotheken en borgstellingen voor anderen. Het lijkt erop dat Martinus meer een soort boerenzakenman was dan puur hovenier. En dat blijkt ook wel een beetje uit de handel in huizen. Alle akten gingen bij Van Gastel te Wouw.

  • Op 6/3-1875 verkocht Martinus een huis met erf, perceel G nummer 1597 te Bergen op Zoom, samen met een stukje grond binnen perceel G324 aan Hermanus Robbe voor tweeduizend gulden.
  • Op 12/2-1876 verkocht Martinus een huisje met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 324, voor negenhonderd gulden aan Antonie Huismans.
  • Op 16/2-1884 verkocht Martinus een huis met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 3454 voor 1200 gulden aan Jacobus Stok te Halsteren.
  • Op 29/12-1884 vond er bij de Draak op de Mart een verkoop plaats van huis en erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 3025. Hierbij waren Martinus en Constantinus Antonius de Bruijn betrokken, en het lijkt erop dat Martinus voor tweeduizend gulden het huis kocht.
  • Op 6/2-1886 verkocht Adam Paulus samen met anderen voor 2250 gulden een huis met erf te Bergen op Zoom, perceel sectie G nummer 3105 aan Martinus.
  • Op 9/4-1891 verkocht de eerder vermelde Constantinus Antonius de Bruijn een huis met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 388, voor 1750 gulden aan Martinus.
  • Op 28/1-1892 verkocht Helena Elisabeth Baartmans, weduwe van Antonie Huijsmans (aan wie Martinus in 1876 een huis verkocht) met anderen een huis met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 4880, aan Martinus voor zevenhonderd gulden. Perceel G4880 is moeilijk te traceren; hulpkaarten ontbreken. Het lag in ieder geval in de Bergse binnenstad.
  • En tenslotte verkocht Pieter Jan Baptist Doggen op 22/12-1893 een huis met erf te Halsteren, sectie D nummer 940 aldaar (op de Noordgeest), aan Martinus voor vierhonderd gulden.

Perceel G324 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Perceel G1597 komt voor op een hulpkaart uit 1848. Ze blijkt te verwijzen naar G323, een origineel perceelnummer. G323 lag naast G324, wat wel ongewijzigd bleef, en was dus een huisje aan de noordoostzijde van de Mosselstraat.

Perceel G1597 op een hulpkaart uit 1848. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

De twee percelen op de originele kaart uit 1832. De Vischmarkt en Sint Antoniestraat zijn ook goed te herkennen. Aan het eind van de straat lag geen groot veld ofzo, da’s simpelweg een andere kaart (aldaar begon de vesting; laatste werd geslecht in de tijd dat Martien Franken handelde in de huizen). 

De twee panden in de Mosselstraat zijn inmiddels (ik vermoed in de jaren ’90) afgebroken in het kader van stadsherstel in de Vijfde Wijk. Hier zijn ze te zien op een luchtfoto uit 1986. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

‘t Mosselstraatje gezien richting de Sint-Anthoniestraat. Rechtsachter de eerder omschreven nieuwbouw. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Perceel G3454 brengt me op een kadasterhulpkaart uit 1883, waarop een rijtje huizen te zien is. De verwijzing is naar een kaart die niet lang daarvoor opgemaakt moet zijn: G3416. En inderdaad, de volgende kaart, uit 1881, laat het rijtje huizen zien in aanbouw. Het volgende perceelnummer is G3371. Da’s een kaart uit datzelfde jaar, die verwijst naar G3250, wat weer een kaart is uit 1880 waarop te zien is dat G2463 dan opgesplitst is in G3249 t/m G3253. G2463 komt voor op een kaart uit 1871, en die maakt veel duidelijk. Op die kaart is duidelijk te contour van de binnenstad te zien, met straten die aangelegd werden op de grond die vrijkwam door het slechten van de vesting. Dat maakt het waarschijnlijk lastig om de precieze locatie te bepalen. De kaart uit 1871 verwijst naar G2388. Nog een paar keer doorbladeren brengt me op een hulpkaart uit 1870, waar het zo’n beetje eindigt. Toch biedt het vergelijken van deze kaarten aanknopingspunten. Zo is te zien dat perceel 2463 een ‘vakje’ is, later een huizenblok dus, en dat vakje is te plaatsen aan de hand van de contouren van de stad en de oude vesting zoals ze op de hulpkaart uit 1871 getekend staan. En dan kom je uit op een blok tussen de Glymesstraat, Koepelstraat, Coehoornstraat en Belvédèrestraat, met huizen aan de noordkant, dus aan de Koepelstraat, of aan de oostzijde, dus aan de Coehoornstraat.

Het rijtje huizen (waar er rond die tijd op de lege plek nog twee gebouwd werden) op een hulpkaart uit 1881. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op deze hulpkaart uit 1880 is het patroon wat gebruikt werd in de nieuwbouw op de plaats van de geslechte vesting te herkennen.. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

..en op deze hulpkaart van tien jaar daarvoor nog beter. Hier is duidelijk een soort overgangsperiode te herkennen; grenzen van kadastersecties die nog de vorm van de vesting hebben en grote lege terreinen tussen die grenzen en de oude stad waarop in patronen gebouwd werd. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Het te herkennen huizenblok in het hedendaagse stratenplan. (Afbeelding: J.W. van Aalst/Wikimedia Commons)

Perceel G3025 komt voor op een hulpkaart uit 1876 waarop een blok opvallend gelijkaardige huisjes te zien is, doch ze lijkt daar los van te staan. Het verwijst naar perceelnummer G1489. Dat brengt mij bij een oudere hulpkaart met meer details. Deze komt uit 1842, en vermeld dat het perceel eigendom was van Walter Adrianus Roosen op dat moment, en dat er een gedeeltelijke afbraak plaatsvond. Het originele perceelnummer was 708. G708, zo blijkt uit de originele kaart uit 1832, was een vrij groot woonhuis aan de Goudenbloemstraat, op dat moment nog ‘den Armen Blok’ genoemd, naar het naastgelegen gasthuis. Het huis is geen monument, althans niet ten tijde van het opstellen van het Bergs Monumentenboek in 1995. Het huidige adres is Goudenbloemstraat 7. Perceel G3105 komt voor op een hulpkaart uit 1878, waarbij verwezen werd naar perceelnummer G3027. G3027 brengt mij op dezelfde hulpkaart uit 1877 als die van G3025. G3027 blijkt te verwijzen naar oorspronkelijk nummer G537.

Het perceel op een hulpkaart uit 1876. Het rijtje huizen was waarschijnlijk onderdeel van ‘t Erremenblok. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Hetzelfde perceel op de originele kaart uit 1832. Op deze uitsnede zijn goed de oude katholieke schuurkerk en de Waalse en Lutherse kerk te herkennen. (Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Foto uit 1970 van Goudenbloemstraat 5 (pakhuis) en 7, gezien in de richting van de Pis’oek. (Afbeelding: Jan Weijts/WBA Bergen op Zoom)

Het huis heet ‘den Klijnen Notenboom’. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Perceel G388 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Het blijkt hier te gaan om het vrij grote pand op de hoek Vischmarkt/Wijngaardstraat/Klaverstraat, waar toevalligerwijs rond de tweede wereldoorlog weer mijn betovergrootvader Kees Linders (*Bergen op Zoom, 1870, ✞ aldaar, 1953, kwartierstaatnummer 18) woonde. G388 doet heden ten dage aan als een wat vervallen pand uit de jaren ’30, maar schijnt bedriegt: da’s enkel de gevel.

Op de oorspronkelijke hulpkaart uit 1832. Er is de loop van de tijd haast niets veranderd aan de grootte of vorm van het pand. (Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Op deze foto de Vischmarkt richting het noorden, rond 1895. Het rood gearceerde pand is het hoekpand Klaverstraat. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

De huidige situatie. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Franken-Withagen, Withagen-Withagen, Withagen-Steenbak

Dan is er nog het echtpaar Adrianus “Adriaan den Blauwe” Franken (*Bergen op Zoom, 1873, ✞ aldaar, 1951, kwartierstaatnummer 20) x Paulina Maria Withagen (*Bergen op Zoom, 1873, ✞ aldaar, 1942, kwartierstaatnummer 21). Ook zij waren hoveniers, en kwamen voor in akten samen met Paulina’s ouders, het echtpaar Withagen-Withagen: Godefridus Withagen (*Bergen op Zoom, 1845, ✞ aldaar, 1907, kwartierstaatnummer 42) x Maria Withagen (*Bergen op Zoom, 1849, ✞ aldaar, 1921, kwartierstaatnummer 43).
Op 27/8-1907 kwam notaris Van Gruting naar het ‘sterfhuis’ van Godefridus Withagen aan de Dubbelstraat, om op te tekenen wat de nalatenschap was. Hierbij waren aanwezig Godefridus’ weduwe Maria Withagen, waarbij vermeld werd dat zij moeder was van de minderjarige kinderen Walterus Withagen, Helena Withagen, Johanna Petronella Withagen en Catharina Maria Withagen, en zijn kinderen Petrus Paulus Withagen, hovenier en voogd over zijn minderjarige broer en zussen, Adrianus Franken, koopman, getrouwd met dochter Paulina Maria Withagen, Cornelis Bruijs, hovenier, getrouwd met dochter Cornelia Maria Withagen en dochter Petronella Maria Withagen, allen woonachtig te Bergen op Zoom. De inboedel werd als volgt vastgesteld.

Uit de stal:

  • twee koeien
  • graan en hooi
  • een paard
  • kar, tuig en landbouwgereedschap
  • tobben, korven en manden
  • tien gulden aan mest
  • twaalf kippen

En uit ‘t huis:

  • Een kastje met tafel, stoelen, lamp en spiegel
  • deken en kussen
  • aardewerk en huishoudelijk gerief
  • tafel en stoelen
  • klok, spiegel, ornamenten, vazen en een lamp
  • huishoudelijk gerief in een kast

In het voorhuis:

  • Een bank
  • Melktafel met melkgereedschap
  • Op zolder:
  • Lijnmeel (?)
  • Ledikanten met toebehoren
  • Twee kachels
  • Een ijswagen
  • Een renwiel
  • Manskleeden en vrouwekleeden
  • Een brandkast

Samen met de groenten en fruit op het veld was het geheel 1353 gulden en vijftig cent waard, zo werd ingeschat. Maar dan waren er nog de onroerende goederen. Godefridus bezat drie huizen, twee aan de Artilleriestraat en één aan de Dubbelstraat; in het laatste woonde hij waarschijnlijk zelf aangezien werd vermeld dat dat zijn sterfhuis was, en Dubbelstraat vermeld is in meerdere geboorteakten van zijn kinderen. De twee huizen aan de Artilleriestraat hadden kadasternummers G4405 en G4406 en waren samen een geschatte duizend gulden waard, het huis met tuin aan de Dubbelstraat had nummer G4407 en had een geschatte waarde van 2200 gulden. In 1909 en 1913 zou de hele familie nog een keer in een akte verschijnen i.v.m. een hypotheek op dit onroerend goed. Over de precieze locatie van deze percelen kon ik niets vinden m.b.t. ontbrekende hulpkaarten.
Godefridus was net als de eerder genoemde Martinus Petrus Franken een drukbezet hovenier. Naast wat transacties m.b.t. lapjes bouwgrond en hypotheken werd (ver)kocht hij ook deze huizen:

  • Op 19/2-1873 kocht hij in een akte bij notaris J.F. van Goch een huis met erf aan de Moeregrebstraat ‘nabij de Spuibrug’ van Johannes en Lucia Hagenaars. Laatste hadden toen geen beroep of ‘maatschappelijke betrekking’, mogelijk gingen zij met pensioen en verkochten ze hun huis. Het huis had kadasternummer G216. Godefridus’ moeder Cornelia Withagen-Steenbak en zijn schoonvader, bouwman Petrus Martinus Withagen, stonden borg voor de aankoop.
  • Op 22/5-1875 kocht Godefridus (nu vermeld als ‘Godefridus Petrus Pauluszoon Withagen’) weer een huis, ditmaal van Johannes van Rijen te Bergen op Zoom. De verkoop vond plaats in koffiehuis ‘de Korenbeurs’ met de Wouwse notaris W. van Gastel. De totale koop, voor een bedrag van 4320 gulden, bestond uit een huis met schuur, stallen, bakoven, wagenhuis, pakhuis, erf, moestuin en twee regenbakken, en werd samen gedaan met Petrus Hopmans, mogelijk de voorouder uit eerder in dit artikel. Het geheel omvatte het perceel met kadasternummer G165 en een deel van de percelen G166 en G167.
  • Op 4/10-1877 verkocht Godefridus het huis wat hij vier jaar eerder gekocht had weer door. Het gaat hier om het huis met erf aan de Moeregrebstraat, kadasternummer G216. De verkoop werd gedaan bij notaris Van Gastel aan Gerardus Jacob Noordhuizen voor 1500 gulden, die hem voorgeschoten werden door Petrus Michiel Koens te Bergen op Zoom, met een rente van 4% te voldoen per 4 oktober.
    De ouders van Godefridus waren Pieter Paulus Withagen (*Bergen op Zoom, 1803, ✞ aldaar, 1870, kwartierstaatnummer 84) en Cornelia Steenbak (*Bergen op Zoom, 1803, ✞ aldaar, 1875, kwartierstaatnummer 85). Van hen weet ik dat hij geboren werd in de Fluwelenbroekstraat en zij in de Rijkebuurtstraat, en dat zij beiden overleden aan de Lindebaan. Op 22/12-1869 maakten beide echtelieden hun testament op bij Van Gastel, waarin ze alles aan mekaar nalieten; da’s meer iets procedureels. Mogelijk was P.P. Withagen ziek geworden, want hij zou een aantal maanden later komen te overlijden.

Perceel G216 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Ook hier vinden we een mooi pand terug, wat ook anno 2019 niet herbouwd is o.i.d. Het lag aan de Moeregrebstraat, tegenover de open Grebbe, naast het ‘Steeleke’, waar Dubbelstraat, Moeregrebstraat, Kaai, Hoogeboomstraat en Spui samen kwamen. Het ligt naast het ‘Kerkje van Weijts’ en is niet vermeld in het Bergs Monumentenboek uit 1995.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het huis heet ‘de Groote Heijdtbloem’. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

G165, G166 en G167 waren ten tijde van de vermelding percelen waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden zijn. En op die eerste kaart blijkt het te gaan om twee panden aan de Dubbelstraat, ter hoogte van het Molenpad in de buurt van café de Mortier. De tuin was inderdaad vrij groot en zal toentertijd tot aan de Artilleriestraat gelopen hebben. Op de oorspronkelijke kaart is de Blokstal waar nu het Facilitair Bedrijf in zit te herkennen als G204.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Boschman-Nuijten

De schoonvader van Martinus Laurenszoon Franken was Theodorus (Doris) Boschman (*Bergen op Zoom, 1799, ✞ Halsteren, West-Brabant, 1879, kwartierstaatnummer 82). Doris’ vader kwam uit een Brusselse familie, zijn moeder uit kringen rond de Waalse kerk. Toch raakte hij betrokken bij de Bergse hoveniers, en had hij ook veel banden met Halsteren, het dorp waar zijn vrouw Adriana Nuijten (*Halsteren, West-Brabant, 1810, ✞ Bergen op Zoom, 1883, kwartierstaatnummer 83) in de Kromstraat geboren werd.
Eerder vond ik dit echtpaar al terug in de Halsterse hulpkaarten van de eerste helft negentiende eeuw, maar er zijn ook een hoop notariële akten te vinden m.b.t. hen. Los van allerlei grote akten waarin hij met andere hoveniers handelde in stukjes grond.

  • Daarnaast verkocht Doris op 26/5-1872 zijn huis met erf en tuin op ‘t dorp van Halsteren, kadasternummers C806 en C807, aan Halsternaar Cornelis Koenen in een akte bij notaris Van Gastel. Het geheel kostte vijfhonderd gulden en werd aan Koenen voorgeschoten door Bergenaar Franciscus Hubner, met 5% rente tot 1 mei van het volgende jaar.
  • Op 26 maart 1881 werd er bij dezelfde notaris een akte opgesteld waarbij Constantinus Antonius de Bruijn, die we al eerder tegenkwamen in deze zoektocht, verschillende huizen met erf verkocht. Het lijkt erop dat ene Johanna Nuijten als weduwe van Theodorus Bosmans twee huizen kocht, maar dat blijkt niet helemaal uit de akte (en de voornaam zou dan ook verkeerd zijn). Het ging hier in ieder geval om een huis en erf met adres wijk E nummer 49d en kadasternummer sectie G nummer 3243-gedeeltelijk en een huis en erf met adres wijk E nummer 49c en kadasternummer sectie G nummer 3243-gedeeltelijk.
  • Op 21/4-1881 bleek dat het echtpaar wel een huis in eigendom had, tenminste in de periode voor 1879, het jaar dat Doris overleed. Adriana Nuijten bekende toen als weduwe van Theodorus Bosmans schuld over een hypotheek aan mejuffrouw Alida Maria Hillenaar te Bergen op Zoom. Het ging om vierhonderd gulden met een rente van 5% per 21 april.
  • Op 6/3-1884, Adriana was ook reeds overleden, werd de boedelscheiding opgemaakt van dit echtpaar bij notaris Van Gastel. Voor de notaris verschenen Martinus Petrus Franken Laurentiuszoon, hovenier, als echtgenoot van Johanna Bosman en als gemachtigde namens Cornelis Bosman, zonder beroep, te Oudenbosch, Adrianus de Krom, voerman, als echtgenoot van Anna Bosman, Johannes Baptist Nuijten, hovenier, als echtgenoot van Cornelia Bosman, Petrus Bosman, winkelier en voogd over de minderjarige kinderen Kroonen, Sebastianus Bosman, timmerman, Philomena Bosman, zonder beroep, Jacobus Bosman, werkman en Petrus Kroonen, arbeider te Halsteren, weduwnaar van Maria Bosman met als minderjarige kinderen Adriana Maria Kroonen, Dijmphna Kroonen, Cornelia Kroonen, Martinus Petrus Kroonen, Johanna Kroonen en Philomena Kroonen. Alle personen waar ik geen woonplaats vermeldde waren op dat moment woonachtig te Bergen op Zoom. Doris en Adriana hadden in hun leven een vrij aanzienlijke boedel opgebouwd.
  • In de voorkamer lagen twee gordijnen, een linnenkastje, een kastje, een kabinet met vier komen, een uittrektafel met kleed, twaalf stoelen, een zorgstoel, drie katoenen lakens, andere lakens, drie vrouwenhemden, een vrouwenhoed, vijf bonte doeken, twee vrouwenmutsen, drie slopen, twee halsdoeken, een lade met lappen, een zwart kleed, een zwarte rok, drie blauwe schorten, een bed, twee lakens, een deken, drie kussens en een ‘collier’ met kralen.
  • In de achterkamer vond men vijf schilderijen, drie vaasjes, twee kandelaars, drie beeldjes, negen schilderijen, twee koperen waterketels, negen ‘figuren voor de schoorsteen’, en lamp, glaswerk met karaf, een blad met kopjes en schoteltjes, negen borden en schotels, twee doosjes met koffiemolen en melkkan, een vloermat, veertien witte borden en twaalf blauwe borden.
  • In de keuken hing een klok en vond men een kachel met toebehoren, een spiegel, schilderijen, een lamp, een blikken ketel, een tinnen schotel met drie borden, een rok met drie schorten, een bed met toebehoren, lakens en dekens, tien mud aardappelen, een tonnetje zuurkool, twee stoven, een tafel, acht lepels en vorken, drie messen, een koekepan, een strijkijzer en dertig gulden aan varkensvlees.
  • Op de achterplaats lagen twee wastobben, een stoel, twee ijzeren potten, aardewerk, een varkenskot, een kippenhok, drie kippen en anderhalve gulden aan mest.
  • Op zolder lagen een rok en zak, een ladder, een bed met toebehoren, lakens en dekens, vier stoelen, een tafel, een ijzeren ketel en ‘rommel’. Die rommel was vijftig cent waard.
  • In de gang waren nog drie lakens en een vrouwenhemd.

Perceel G3243 komt voor op een hulpkaart uit 1878, waarbij ze verwijst naar perceel G1532. Da’s een oude hulpkaart uit 1845, waarop verwezen wordt naar perceel G298. Ten tijde van de transacties van Doris Boschman was het perceel ‘gedeeltelijk’ van hem. De originele kaart uit 1832 geeft weer dat dit lange pand gelegen was aan de Scholiersberg. Het werd in de jaren 1870 een beetje opgedeeld, maar bleef desondanks vrij groot. Het pand is afgebroken in ‘t kader van de stadsvernieuwing, waarschijnlijk in de jaren ’80.

Uitsnede van de hulpkaart uit 1878. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

De hulpkaart uit 1845. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De Scholiersberg, linksboven, op een luchtfoto uit 1968. Vooraan het Markiezenhof. De rood gearceerde huizen zijn niet zeker de huizen of het pand wat Doris in eigendom had, maar liggen in ieder geval wel in het verlengde ervan, aan het einde van de straat. Ook grappig: op deze foto kun je goed zien hoeveel van het Markiezenhof ‘nep’ is. De toren of dit gebouw bijvoorbeeld. (Afbeelding: Aviodrome Lelystad/WBA Bergen op Zoom)

Borrie-de Ruijter

Niet al mijn Bergse voorouders waren hoveniers. Via mijn oma Bernaards stam ik af van het gereformeerde echtpaar Leendert Borrie (*Bergen op Zoom, 1809, ✞ aldaar, 1887, kwartierstaatnummer 90) x Cornelia de Ruijter (*Willemstad, 1814, ✞ aldaar, 1887, kwartierstaatnummer 91). Leendert was verver en glazenmaker, waar de familie Borrie ook lang bekend stond als schildersfamilie. Van hen weet ik dat ze altijd op de Kaai woonden, in de loop van de 19de eeuw aan de Zuidzijde Haven en tegen het einde van hun leven in de Rijkebuurtstraat, op nummer C117 (veranderd naar C5). Zij overleden ook beiden op dat adres.
Leendert en Cornelia stelden twee keer hun testament op bij de Wouwse notaris Van Gastel. Wat laatste betreft valt het dus op dat deze notaris best wel van klandizie had opgebouwd binnen verschillende ‘kringen’ in Berrege; niet alleen onder de hoveniers dus. Het eerste testament was van 12 mei 1876, het tweede van 3 juli 1882. Volgens die twee testamenten lieten ze alles aan elkander na. Op 17 maart 1884 verkocht het echtpaar, of Leendert althans dus, hun huis aan hun zoon Cornelis Willem Borrie. Het betrof een huis met erf in sectie G nummer 1243 voor een bedrag van 2300 gulden met een verschuldigd gebleven percentage van 5% per 17 maart.
Drie jaar later, in maart 1887, kwamen beide echtelieden te overlijden. Op 22 april 1887 werd bij notaris Van Gastel de boedelscheiding opgesteld in bijzijn van Willem Bastiaan Borrie, te Bergen op Zoom, verver en voogd van de minderjarige kinderen van Theodorus Samuel Borrie, Jan François Borrie, te Bergen op Zoom, smid en voogd over de minderjarige kinderen ‘Kerbus’, Maria Kock, te Terneuzen, weduwe van Theodorus Samuel Borrie en voogdesse over haar minderjarige kinderen, Leendert Borrie, timmerman te Bergen op Zoom, Cornelis Willem Borrie, verver te Bergen op Zoom, schoonzoon Karel Rijkhals, pottenbakker te Bergen op Zoom en getrouwd met Cornelia Borrie, Joseph Kerbus, korporaal bij het derde regiment infanterie in het garnizoen te Bergen op Zoom, weduwnaar van dochter Maria Borrie en voogd over hun minderjarige kinderen Maria Kerbusch, Antonius Kerbusch en Josina Kerbusch (mijn betovergrootvader Petrus Antonius Kerbusch was in 1887 blijkbaar reeds wettelijk meerderjarig, of met Antonius moet hem bedoeld worden), Dirk Hendrikus Boekweit, zonder beroep en woonachtig te Bergen op Zoom, getrouwd met dochter Josina Borrie en als laatste Agatha Josina Borrie, zonder beroep, woonachtig te Bergen op Zoom.

Nadat de notaris noteerde dat het sterfhuis van de echtelieden Rijkebuurtstraat wijk C nummer 117 was, ging hij over tot het opsommen van de inventaris.

  • In het ‘saletje‘ waren raamgordijnen, een tafel met kleed, zes stoelen, vier schilderijen, een spiegel, zeven schoorsteenfiguren, koperen kaarsenschaal, ‘karpet’, twee vazen, twee kleine vazen, een ‘Berlijnsch’ koffie- en theeservies, een penant tafeltje, een blaadje en karaf met glazen, een vergulde spiegel, raam- en deurgordijnen, twee bloempotten, blad en doosjes, drie karaffen, twaalf glazen, vier bierglazen, een bak, vijf potjes, een ‘gefleschken’, een ketel, een amfoor, een koffiemolen en vier borden.
  • In de alkoof vijf vloerkleedjes, een verenbed, strozak, kapo(..) peluid (?), twee verenkussens, twee lakens, vier dekens, bedgordijnen en twee gordijnen met rabatten.
  • In de achteralkoof een eikenhouten bureau, een ladetafel, twee deurgordijnen, drie lampen, servies met twee doosjes, vier stoven, drie strijkijzers, vier schilderijen en een spiegeltje.
  • In de achterkamer waren raamgordijnen, een hanglamp, een tafel, een kachel met toebehoren, negen stoelen, schoorsteenfiguren, een hangklok, een geverfde linnenkast, drie bloemvaasjes met stolpen, een schilderij, twee borden of horden, twee koperen ketels, twee karaffen met enige glazen, drie blaadjes, een blikken busje, vier gekleurde borden, enige borden met schalen en keukengerief, twee bijbels en kerkboeken, blad en doos, drie paar beddelakens, een paar witte bedgordijnen, rabat en kleine gordijntjes, zestien linnen slopen, zwarte koralen met goudslot en twee bellen, negen tinnen lepels, acht stalen vorken, vijf messen, zes kleine lepels, een kleine schort, vier omslagdoeken, een boezeroen, twee veren, een veren peluid, een zeegras peluid, drie dekens en twee lakens.
  • In het keukentje twee teilen, een droogrekje, een stelletje, een korf, een linnenbak, een ragebol en nog meer teilen.
  • In de keuken, er was blijkbaar ook een grote, waren een wollen deken, een katoenen deken, een kussen en vier strozakken, een kachel, koekepannen, ijzeren potten, enige potten en pannen, twee emmers en bank, zes gulden aan aardappelen, een ton, een stamper, een tob en mans- en vrouwenkleren.
  • Daarnaast bezat Leendert nog drie obligaties, da’s wel vrij bijzonder. Hij had een tien aandelen m.b.t. het ‘Zuidwesterspoor’ in Rusland, elk met een waarde van tien roebels.
  • Dan was er nog een lening van 154 roebels aan datzelfde Rusland van de tsaar, en een obligatie op een goudlening in Hongarije van duizend florijnen. Het huis, dat verkocht was aan zoon Cornelis Willem Borrie, had een hypotheek ten laste van diezelfde zoon. Het bracht 2300 gulden op ter verdeling.

Perceel G1243 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Een beetje puzzelen met waar er nu gebouwd is waar in 1832 blijkbaar de tuin van het Spuihuis lag brengt me op het pand ‘de Kogge’. Dat is wél een gemeentemonument, en een groot herenhuis wat correspondeert met de vele ruimtes zoals die omschreven zijn in de boedelscheiding. Oftewel: dit echtpaar was wat meer van stand dan de meeste van mijn voorouders. De samenstellers van het Bergs Monumentenboek uit 1995 omschrijven het 18de-eeuwse pand als volgt:

“Tweelaags onderkelderd pand met een wit geverfde lijstgevel onder een zadeldak met schild aan de voorzijde. Symmetrisch opgebouwde gevel met licht getoogde deur- en vensteropeningen, getoogd met strekse bogen. Eenvoudige schuiframen met glas-in-lood in de bovenlichten. Vensters met hardstenen onderdorpels. Links onder in de gevel bevindt zich een kelderluik. Opvallend zijn de lichtopeningen in het fries, geflankeerd door voluutvormige consoles die tevens de geprofileerde kroonlijst dragen. Het dakschild aan de voorzijde is niet helemaal symmetrisch.”

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het tweede pand van links is de Kogge. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)