Mussengevecht

Sint-Martinuskerk en raadhuis te Halsteren in 1932. Het Mussengevecht ligt rechts afslaand bij ‘t huisje met de Van Nelle-reclame. (Afbeelding: B. Wosyka/WBA Bergen op Zoom)

Ik schrijf nog even verder over de kadasterhulpkaarten van Halsteren. Mijn voorvader Hendrik van den Kieboom (*Halsteren, West-Brabant, 1857, ✞ aldaar, 1938,kwartierstaatnummer 56) en zijn zwager Jacobus van Eekelen (uit dit en dit artikel) komen weer terug in een andere notariële akte. Ietsje verderop van ‘t huisje op de Beek waar Hendrik en Jacobus woonden, in het oude hart van Altere, ligt het Mussengevecht. Dit straatje komt naar voren in 1889, wanneer de schoonmoeder van beide mannen, Cornelia Nuijten (*Halsteren, West-Brabant, 1822, ✞ aldaar, 1889, kwartierstaatnummer 115) overlijdt. 

Zoals procedure was (en is) gingen de nabestaanden naar de notaris om een boedelscheiding uit te voeren, het testament na te leven, zeg maar. Dit gebeurde op 20 september 1889 bij notaris W. van Gastel te Wouw. Comparanten waren weduwnaar Judocus Jaspers (*Halsteren, West-Brabant, 1819, ✞ Bergen op Zoom, 1899, kwartierstaatnummer 114), Michael Jaspers, Jan Jaspers, Adriaan Jaspers, Jacobus van Eekelen als echtgenoot van Maria Jaspers, Hendrik van den Kieboom als echtgenoot van Johanna Jaspers, Henricus Kijzers als echtgenoot van Helena Jaspers, Marijn Perdaams te Nieuw-Vossemeer als echtgenoot van Johanna Jaspers en Petrus Deelen te Bergen op Zoom als echtgenoot van Adriana Jaspers. De eerste zeven comparanten waren arbeider en woonachtig te Halsteren. Er was best wel wat te verdelen; meubilair en vergelijkbare goederen ter waarde van 180 gulden, 440 gulden in contanten die aan Judocus toebedeeld werd en een huis met erf, schuur en twee moestuintjes te Halsteren ter waarde van 770 gulden. Van dat laatste bezit werd vermeld dat het ging om kadasterpercelen C918, C919 en C1378, waarbij C1378 was aangekocht in 1853 t.o.v. notaris Bax te Bergen op Zoom en belast was met cjns aan de RK-kerk te Halsteren (de naastgelegen Sint-Marinus dus) en waarbij C918 en C919 in 1869 waren aangekocht, eveneens t.o.v. Bax, en eveneens belast met cijns aan de parochie. 

Afbeelding: reeks hulpkaarten Kadaster Halsteren, collectie heemkundekring Land van Gastel, doos BDD-HKK233.

Bovenstaande uitsnedes komen van een hulpkaart uit 1881. Ze verwijzen naar de zelfde locatie als de uitsnedes uit onderstaande hulpkaart uit 1854, waarop percelen C918 en C919 vermeld staan. Er werden dus twee huisjes nagelaten, naast elkaar, met een tuin. Perceelnummers C341, C342 en C339 zijn lager dan 744 en zijn dus terug te vinden op de oorspronkelijke eerste kaart en legger van het kadaster uit 1832.

Originele afbeelding: kaart bij Halsteren sectie C 1832, Rijksdienst voor ‘t Cultureel Erfgoed.

Hier is duidelijk te zien waar het geheel lag; aan het Mussengevecht achter de oude Sint-Martinuskerk. Wat wel opvalt hier is dat de Dorpsstraat nog niet afbuigend richting de Beek lag. Ze hield simpelweg op bij ‘t Raadhuis en ging over in de Kromstraat. De huidige situatie is hier te vinden. Maar ik vond nóg iets leuks: de percelen C339 t/m C342, dus de hele hoek achter de kerk, waren in 1832 eigendom van de erven Michiel Jaspers (*Hoeven of Rucphen, 1759, ✞ Halsteren, 1830, kwartierstaatnummer 228), zoals ik in 2016 al vond. Michiel was de vader van eerder vermelde Judocus Jaspers. In eerste instantie ging ik ervan uit dat de vermelding van het huis e.o. in de boedelscheiding uit 1887 erop wees dat het huis uit ‘t eigendom van Cornelia kwam, maar het kan natuurlijk ook dat ‘t huis uit de familie Jaspers kwam en dat ‘t ‘terug bedeeld’ moest worden aan Judocus na een huwelijk zonder huwelijkse voorwaarden. In ieder geval leuk dat dit mooie plekje van Halsteren zo lang in de familie was.

 

Het (niet afgebrande) huis van Hendrik van den Kieboom (2)

Ben ik weer. Afgelopen november schreef ik over het huis van Hendrik van den Kieboom (*Halsteren, West-Brabant, 1857, ✞ aldaar, 1938, kwartierstaatnummer 56). Hij kocht in 1907 een huis van zijn zwager, gelegen aan de Waterstraat. Dat huis heb ik gebruikt voor mijn eerste ‘casus’ bij het werken met reeksen hulpkaarten van het kadaster. Het centrale vraagstuk is hier: kun je, bij onderzoek in een gemeente waar er zo goed als geen verdere aanduiding plaatsvond bij adressen in het bevolkingsregister, aan de hand van notariële akten tóch een exact adres achterhalen? Het antwoord luidt: ja, maar het is een bijzonder technisch en omslachtig proces. 

Zover is dus al bekend dat Hendrik in 1907 een huis met erf kocht van zijn zwager Jacobus van Eekelen. Op dat moment hadden dat huis en het erf sectienummers C1250 en C1251, waarbij als topografische aanduiding de Waterstraat vermeld werd. De Waterstraat is vrij goed bekend; ze loopt óp de Brabantse Wal van de Sint-Martinuskerk richting het einde van de Beek. 

Eerste deel van de koopakte. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

Een hulpkaart werd opgesteld als een perceel wijzigde, bijvoorbeeld als het gesplitst werd, bebouwd werd of juist leeggeruimd werd. In deze casus neem ik sectie C, de kadastersectie die het centrum van Halsteren en de directe omgeving daarvan omvat. Als basis kan je dan de kadastrale leggers en bijbehorende kaarten uit 1832 nemen. Dat zijn zover ik weet de enige leggers die het hele land omvatten en openbaar inzichtelijk zijn op de site van de Rijksdienst voor ‘t Cultureel Erfgoed. In 1832 begon men alles op te meten en te nummeren. In Halsteren sectie C kwam men uit op 755 percelen. Bij elke wijziging na 1832 werd er een nieuw nummer gegeven aan het perceel en werd er een hulpkaart opgesteld. Alle nummers vanaf 755 dus, in dit geval. Op chronologische volgorde. Ik heb dus sowieso een perceelnummer uit één of andere akte nodig, en kan dan ‘mutaties’ oftewel hulpkaarten gaan terugrekenen naar 1832.

In dit geval is er dus zo’n perceelnummer. De nummers C1250 en C1251 werden aan het perceel gegeven in 1872, twee jaar nadat Jacobus van Eekelen het huis gekocht had, zoals hij verklaarde bij de notaris in 1907. De hulpkaart vermeld de volgende relevante informatie:

  • Een getekend kaartje van het perceel, vaak meerdere percelen, doch zonder enige context. Daar heb je een A0-kaart voor nodig.
  • Een verklaring dat het hoofdkwartier in Breda de kaart goedkeurde, met datum erbij.
  • Een overzicht van de afmetingen van het perceel en wat de vorige aanduiding was.

Afbeelding: reeks hulpkaarten Kadaster Halsteren, collectie heemkundekring Land van Gastel, doos BDD-HKK233.

Hierboven drie uitsnedes van de hulpkaart die bij de percelen C1250 en C1251 hoort. We zien dus geen context, maar wel ‘t huisje, gelegen in een hoek met een tuintje erachter. Vermeld is dat ‘t vorige nummer van het perceel C1227 was.

Afbeelding: reeks hulpkaarten Kadaster Halsteren, collectie heemkundekring Land van Gastel, doos BDD-HKK233.

De vorige wijziging aan het perceel was een klein jaar daarvoor. En in dat jaar is het huisje gebouwd; perceel C1226 is leeg. Dit komt ongeveer overeen met 1870, het jaar waarin vermeld werd dat Jacobus van Eekelen het huis kocht, of mogelijk werd met dat jaar de aankoop van het perceel op zich bedoelt en bouwde hij daarop zelf zijn huis. Deze hulpkaart verwijst terug naar C1134. Dat was in 1868, waarbij weer verwezen werd naar 1091. Dat was in 1866, waar weer werd verwezen naar 1051.

Afbeelding: reeks hulpkaarten Kadaster Halsteren, collectie heemkundekring Land van Gastel, doos BDD-HKK233.

Afbeelding: reeks hulpkaarten Kadaster Halsteren, collectie heemkundekring Land van Gastel, doos BDD-HKK233.

Wat er precies allemaal wijzigde aan het perceel is me niet helemaal duidelijk; volgens mij heeft het vooral met de aangrenzende grond te maken. C1051 was in ieder geval het nummer die het lapje grond kreeg in 1863, zo bewijst volgende hulpkaart:

Afbeelding: reeks hulpkaarten Kadaster Halsteren, collectie heemkundekring Land van Gastel, doos BDD-HKK233.

Nu word het relevant. In de hulpkaart van 1863 wordt namelijk als vorig perceelnummer C25 genoemd. En, zoals ik eerder schreef, had sectie C bij het begin van het kadaster 755 percelen; alle nummers onder de 756 kunnen dus teruggevonden worden op de kaarten en leggers uit 1832 die de Rijksdienst voor ‘t Cultureel Erfgoed online beschikbaar stelt. Da’s niet lang zoeken. Het veldje of tuintje was in 1832 eigendom van de Halsterse winkelier Pieter de Graauw. En; nog verrassender: het lag niet aan de Waterstraat, zoals in 1907 opgetekend werd.

Originele afbeeldingen: Rijksdienst voor ‘t Cultureel Erfgoed.

Hierboven zien we perceel C25 in 1832, en een uitvergroting van die kaart. Hoewel de kaart niet richting het noorden getekend is, kan je er vrij snel de huidige situatie uithalen, als je een beetje bekend bent met de omgeving wel. Wat opvalt is dat de hele buurt door het kadaster de Waterstraat werd genoemd, dus ook alles tussen landgoed de Beek (hier nog ‘Weltevreeden’ genoemd) en die straat. En dat verklaart ‘n hoop. De vorm van C25 is goed te herkennen; je ziet goed hoe in de loop van de 19e eeuw alles rond het dorp steeds voller en kleinschaliger werd. Ik wil vooral graag weten waar het huisje van Hendrik precies was; of misschien zelfs wel ís. Modernere stafkaarten geven antwoord. Aan de hand van bovenstaande kaart weet ik de context en vond ik het huisje terug. Let op ‘t lichtblauwe vierkant.

Hoe kan het ook anders: het huis is in de jaren ’60 afgebroken voor de aanleg van woonwijk de Beek. De hele straat zelfs. Om precies te zijn lag het huis waar nu de hoek Schelpstraat/Burgemeester Elkhuizenlaan ligt. Ik heb nog getracht een oude luchtfoto te vinden, maar tevergeefs. Insturen mag altijd!

 

 

 

 

k

de Sint-Helenamedaille

Vorige maand kreeg ik mail van collega-onderzoeker Willem Kruf. Hij is, net als ik, met Napoleon bezig (zie dit bericht uit november 2017). Een eerste verband tussen mijn voorouders en Napoleon vond ik reeds een aantal jaren terug, met een document waarin Cornelis van Ginneken de Sint-Helenamedaille kreeg. In mijn onderzoek van vorig jaar vond ik nog meer voorouders terug die voor de Franse keizer vochten, maar of zij uiteindelijk de erkenning kregen hiervoor bleef wat vaag. Als ik mezelf mag citeren:

“Wat kan ik hier als slot opschrijven? In 1857 had Frankrijk weer een koning, Napoleon III. Hij loste in dat jaar één van de punten uit ‘t testament van de keizer in; alle veteranen uit de periode 1792-1815 werden onderscheiden met de Sint-Helenamedaille. Tenminste, dat was de bedoeling. Als deze medaille al uitgereikt werd aan een Nederlandse veteraan, was het niet gebruikelijk dat hij ‘m droeg. Geschiedenis wordt tenslotte geschreven door overwinnaars. “Aux compagnons de gloire Napoleon 1er” stond er op ‘t doosje. En er zat een certificaat als op de afbeelding hierboven bij. Jean Hopmans zou er als ‘t goed is een gehad moeten hebben. Ik beeld ‘t me even in: “le grand chancelier de l’ordre impérial de la Legion d’Honneur certifie que Monsieur Hopmans, (Jean), de Berg-op-Zoom (Pays-Bas) ayant servi durant la période de 1792 à 1815 a reçu la Medaille de S’te Hélène.” Natuurlijk, de keizer was hard en rücksichtlos te werk gegaan, en zijn enorme leger heeft veel moeten doorstaan voor zijn vrij idiote plannen met Europa. Maar ‘t continent is er niet slechter op geworden; ‘t Ancienne Régime was definitief voorbij. En de band tussen Napoleon en zijn soldaten was altijd goed geweest. Dit was tenslotte geen huurleger, deze soldaten hoorden bij het land waar ze voor vochten. Ik denk dat als je één van deze voorouders die teruggekomen waren zou vragen terug te kijken, dat ze best trots waren.”

Ik sloot dus af met de brede vraag: hebben mijn voorouders die voor Napoleon vochten deze medaille gekregen, en zo ja, mochten ze ‘m (met enige gepaste trots) dragen? En Willems onderzoek gaf antwoord op deze vraag. Zijn hele onderzoek kunt u hier lezen; hij kan nog hulp gebruiken van met name genealogen die ervaring hebben met onderzoek in Amsterdam! 

De Franse koning Napoleon III op een daguerrotype van rond 1850/1860. (Afbeelding: Bibliothèque nationale de France/Wikimedia Commons)

De Fransen verloren hun megalomane oorlog, en waren dus wat ‘t nieuwe koninkrijk der Nederlanden betreft de verliezer. Toch is het moeilijk dat vol te houden als zoveel landgenoten voor die verliezer gevochten hadden. Dit kwam tot uiting toen Napoleon III de medaille instelde en deze door Frankrijk naar Nederlandse stadhuizen gestuurd werd. 

Uit de Groninger Courant, 14 oktober 1857. (Afbeelding: W. Kruf)

De Groningers en wat Antwerpenaren vonden het dragen van de medaille niet gepast (zie bovenstaand artikel), maar er zal toch een bepaalde druk zijn geweest van de andere kant want men kon, mits er een vergunning was verleend na het overleggen van het certificaat wat bij de medaille geleverd werd, de onderscheiding gewoon met trots dragen. En die vergunningen werden ook verleend; in juni 1858 waren er al zevenhonderd uitgegeven.

Uit de Nederlandse Staatscourant (links) en Rotterdamsche Courant (rechts) van 17 januari 1858. (Afbeeldingen: W. Kruf)

Op de vraag of ook soldaten uit mijn lijstje van november 2017 een medaille ontvangen hadden, komt antwoord uit een Bossche krant van mei 1858 (links), iets wat bevestigd werd in een ander artikel uit ‘t Bergse nieuwsblad van die tijd (midden en rechts).

Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom/W. Kruf

Daar rechts staat het al; mijn voorouder Jean Hopmans (*Bergen op Zoom, 1789, aldaar, 1862, kwartierstaatnummer 252), en Cornelis Schuurbiers (broer van Pieter Schuurbiers) uit het lijstje dat ik vorig jaar opstelde, kregen de medaille. Uit datzelfde lijstje waren Jean Jacques Knoet en Theodore Piquet gesneuveld, en de anderen reeds overleden of niet uit Bergen op Zoom afkomstig.

Dan rijst bij mij ook de vraag, mede nu we het eerste artikel lazen: wat was in Berrege het sentiment rond de medaille? In het artikel hierboven waarin ook de namen van de gedecoreerden werden vermeld schreef men:

‘terregt zich daarmee verrijkt gevoelende daar de inscriptie: “a ses compagnons de Gloire St. Helene 5 Mai 1821 dernière Pensée”, als ‘t ware den laatsten wil van den grooten man op zijn sterfbed uitdrukt, ook als eene verzoening voor alle de met hem in het groote leger gediend hebbende militairen en diens landgenooten in diebare herinnering zal blijven”

Dit is onomwonden positief geschreven. Woorden als ‘terrecht’ en ‘grote man’ laten dat zeker blijken.

Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom/W. Kruf

Er zijn meerdere artikelen die Willem vond over de medaille; allen van rond de zomer 1858. Het bovenste artikel heeft het over een ‘zucht om begiftigd te worden’, beduidend minder positief. En op 20 juni werd de overwinning op Napoleon bij Waterloo herdacht. Ik krijg een beeld van een stad in dubio wanneer men terugkeek op de oorlogen veertig jaar daarvoor. Willem schreef erover dat ‘t beleg door de Fransen in 1747 en hun acties bij ‘t Britse beleg van de stad in 1814 mogelijk nog gevoelig lagen bij de Bergenaren. En tenslotte was Frankrijk de verliezer, ook in de ogen van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden waar Berrege onder viel; zie dus de herdenking van ‘de overwinning’ bij Waterloo.

Daar staat tegenover dat er dus heel wat jonge Bergenaren voor de keizer vochten en dit toch een sentiment los gemaakt moet hebben bij hun naasten. Daarbij markeerde de Franse tijd een einde aan de status van Staats-Brabant als bezet gebied; Brabanders kregen meer zelfbestuur en katholieken kregen weer geloofsvrijheid onder Napoleon. De veertig gedecoreerde veteranen kwamen op 15 augustus 1858 samen in een besloten bijeenkomst. Daar bracht men een wat tegenstrijdige toost uit: “leve de keizer, leve Napoleon III, leve Willem III”. 

Afbeelding: W. Kruf/WBA Bergen op Zoom.