Brieven aan mijn overgrootouders (1)

Vorige week kreeg ik van mijn oudoom Wil Linders een pakketje met een prachtige stapel brieven aan mijn overgrootouders, Jan Baptist Linders en Julia Linders-de Dooij. De brieven zijn verstuurd in de jaren ’40 door broers van beide zijden. En wat geven zij een ongeloofelijk beeld van hun tijd!

L31

Mijn overgrootouders in 1940. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan!)

Mijn overgrootoma, de oudste van het gezin, had nog vier broers en vijf zussen.

  • Julia Catharina de Dooij (1914)
  • Louisa Catharina (Wies) de Dooij (1917)
  • Sophia Maria de Dooij (1918-1921)
  • Jacobus Adrianus (Jac) de Dooij (1920)
  • Antonetta (Net) de Dooij (1922) x Hendriks
  • Johannes Baptist (Tiest) de Dooij (1924-1976). ‘Ome Tiest’ was getrouwd met Nel de Vos, een zus van Mia de Vos, die getrouwd was met zijn broer Janus de Dooij. Hij woonde in Brunssum in Zuid-Limburg waar hij mijnwerker was.
  • Johannes Ludovicus (Lowie) de Dooij (1925). ‘Ome Louis’ was getrouwd met Wies Schouw en kreeg met haar twee kinderen. Hij woonde altijd aan de Minckelersweg in Hoogerheide en werkte vele jaren in de officiersmess (militaire kantine) op de vliegbasis Woensdrecht.
  • Elisabeth (Lies) de Dooij (1927, ovl. 2012 te Roosendaal) Zij was gehuwd met Kees Dircken (31/1-1925 – 23/9-2004). Zij kregen geen kinderen en woonden samen in Roosendaal.
  • Anna Maria de Dooij (1929-1939)
  • Cornelius Adrianus (Janus) de Dooij (1931-2002) Hij was gehuwd met Maria Louisa (Mia) de Vos, een zus van Nel de Vos (31/8-1936 – 26/6-2013), die getrouwd was met zijn broer Tiest de Dooij.
L2

Oma’s familie op een collage gemaakt in, ik vermoed, de jaren ’50. V.l.n.r. en van boven naar onderen: Jac de Dooij, Wies de Dooij, Julia de Dooij, Fons de Dooij, Net de Dooij, Cornelia de Dooij-de Vos, Lies de Dooij, Lowie de Dooij, Janus de Dooij en Tiest de Dooij. Let op het stempel op de pasfoto van Jac, waarschijnlijk afkomstig uit een persoonsbewijs o.i.d. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan!)

Terwijl de vader en moeder van het gezin De Dooij, (Alphonsius Wilhelmus (Fons) de Dooij, *Hoogerheide, 14/6-1890, ✞ Roosendaal, 19/5-1972, zie nummer 26 in mijn kwartierstaat), en Cornelia Frederika de Vos (*Hoogerheide, 5/8-1890, ✞ Roosendaal, 13/1-1968 zie nummer 27 in mijn kwartierstaat) in die tijd op hun boerderij aan de Huijbergsebaan in Hoogerheide woonden, waren mijn overgrootouders reeds verhuisd naar de nabije stad, Bergen op Zoom. Zij woonden daar aan het Emmaplein op ‘t Fort, waar mijn opa ook geboren is. De ouders van mijn overgrootvader Jan Linders kwamen eveneens uit Woensdrecht, maar woonden toen al sinds de jaren ’20 in Bergen op Zoom. Hun familie is terug te vinden in de genealogie Linders, bij nummer 13.

De eerste brief komt uit Ludwigsburg in Baden-Württemberg. Hij komt van oma’s broer Tiest de Dooij. Er was een filatelist in de familie destijds, dus de postzegels zijn allemaal verwijderd (ik ben blij dat de enveloppen wel bewaard gebleven zijn). De datum is in ieder geval wel bewaard gebleven: 12 september 1943. Als afzender vermeldde hij “J.B. de Dooij, Heilbronnerstrasse 37, Gasstadtwerke, Ludwigsburg, Duitsland.” ‘Gasstadtwerke’ duidt er naar alle waarschijnlijkheid op dat Tiest tewerkgesteld was in Nazi-Duitsland; de Arbeidseinsatz. Op dat adres huist nu de technische dienst van de gemeente Ludwigsburg. Hoewel de Nederlandse overheid al in 1938, dus voor ‘t begin van de bezetting, meeging in het tewerkstellen van Nederlandse werkelozen (het was immers crisis) in Nazi-Duitsland, onder voorwaarden van het verliezen van hun uitkering, is het niet aannemelijk dat hij er lang werkte, hij was nog maar 19 in 1943.

Scan 44

Let op het censuurstempel rechtsonder, 16 in een vakje. Het geeft de plaats aan waar de brief ‘geprüft’ werd. (Hergebruik niet toegestaan)

Blijkbaar ging er in die tijd in Berrege ‘t gerucht dat de Duitsers post richting Nederland tegenhielden. Tiest schrijft:

“En u schrijft ook dat er geen brieven meer naar Duitsland gaan, ten minste, niet meer over de grens mogen. Jahoor, dat is maar kwats van de mensen, want er komen er nog genoeg”

Dat de brieven doormochten wil niet zeggen dat de Duitsers geen controle hadden over de post. Ik heb ‘r even met mijn vader naar gekeken (een doorgewinterde filatelist) en hij herkende de censtuurstempels op de brief. Op deze eerste brief niet heel duidelijk aangegeven, maar er staat een klein censuurstempel op de voorkant en het in rood potlood geschreven nummer in de brief zelf is vast niet van Tiest afkomstig.

Scan 45

Als je in Duitsland tewerkgesteld bent, in een plaats die ze daar volgens Tiest de “stad der ausländer” noemen, dan leef je nogal in onzekerheid. Er waren bepaalde manieren om ervoor te zorgen dat je brief de censuur doorkwam: volgens mijn pa was dat vooral (en dat gold ook voor de post uit Nederlands-Indië waar ik later over schrijf) vooral niet vertellen wat je precies doet. Tiest schrijft:

“En m’n werk is ook nogal om te doen hoor, alles is wel gauw zwart maar ‘s avonds onder de douche en alles is er weer af. En we moeten nog toe tien uren werken, maar niet lang meer, dan maar 8½. En we hebben ook opslag gehad, we krijgen nu 61 pfennig per uur. Ik heb nu ongeveer honderd mark over, ja, ik bewaar ze goed hoor, want ik kom niet graag thuis zonder wat geld want ‘t heeft genoeg gekost toen ik weg moest.”

Ik probeer te bedenken hoe zijn vertrek geld kostte als het om arbeidseinsatz ging. Misschien een kostwinner minder voor het gezin? Tiest sluit zijn brief af met een omschrijving van hoe het eruit ziet waar hij verblijft. Eerder vertelde hij dat hij in het naburige Bietigheim ging werken, en ik kan niet precies uit de brief halen of dat is wat hij ook omschrijft.

“Waar ik hier zit is een stadje, ook geen grote hoor, maar het is er toch één, ja, daar kan ik niet veel over zeggen. De stad is mooi, mooier dan Berrege, ja nu moet je niet kwaad zijn hoor, want laat mij dan maar in Berrege zitten! De natuur is hier een wonder, als je boven op een berg staat en je kijkt dan is de stad rond, dat is prachtig. En de wegen zijn zo mooi met kastanjebomen begroeit, de kruinen van de bomen komen mooi in elkaar. En bergen ook mooi, allemaal met druiven begroeit.”

Een volgende brief werd geschreven op 1 mei 1944. Ook deze brief werd ‘geöffnet’ en ‘geprüft’, ditmaal wat duidelijker aangegeven:

Scan 46

Op dat moment ging er schijnbaar alweer een gerucht rond in Bergen op Zoom. De brief wordt ‘ door A. Musters, een kameraad van Tiest in Ludwigsburg. Hij schrijft:

“Ik laat je weten dat ik je brief ontvangen heb. En wat je daar vroeg, of je broer gebombardeerd is. Wie heeft je dat wijsgemaakt? Neehoor, daar is niet het minste van waar, maak je eigen nu maar niet ongerust. Je moeder had het ook al geschreven, maar als je deze brief krijgt, laat het dan thuis ook weten dat wij in een hele goede gezondheid zijn, want die zal ook wel ongerust zijn.”

In zijn eerste brief schrijft Tiest dat er in Ludwigsburg meerdere mensen “uit Woensdrecht” zijn, wat kan verklaren hoe een dergelijk gerucht bij oma terecht kwam. Overigens is het spoor tussen Ludwigsburg en Bietigheim wel gebombardeerd, maar pas in 1945. Er volgt nog een stukje waarbij Tiest onthult dat hij tóch de briefschrijver is in plaats van A. Musters, en hoe hij wat brieven ongeopend teruggekregen had, omdat ze niet bezorgd konden worden. Eén van die brieven, schrijft hij, was een kaartje met felicitaties voor de geboorte van mijn opa, wat ik toch bijzonder vind om te lezen.

Tussen de brieven zit een briefkaart in een envelop. Nu, de envelop is duidelijk afkomstig van Tiest; afgestempeld in Ludwigsburg en met ‘Nederlandse taal’ achterop geschreven, wat mij een regel lijkt om censuur te vergemakkelijken. Het kaartje erin komt uit Fritzlar in Hessen, verstuurd op 2 februari 1944, en het is mij niet helemaal duidelijk wie ze schreef. Het adres van de afzender is P.J. de Moor (een bekende van de familie Linders), Junkers Motoren Werken a.g. Postfach 500, Fritzlar bij Kassel, Duitsland. Dan is de aanhef ‘beste Tante, Neef en kinderen, maar de naam onderaan de kaart lijkt wel Tiest. Hoe dan ook, uit ‘t verhaal van de briefschrijver blijkt ook hier hoe zwaar het werken in Duitsland geweest moet zijn.

“Beste Tante, Neef en kinderen. Hier is dan ’n klein bericht van mij op ’n kaartje want ’n brief kan ik op ’t oogenblik niet wegkrijgen wegens ’t schrijfsperre. Maar u hoort toch wat van mij. Ik heb gisteren uw brief ontvangen in de beste gezondheid en u wordt daar ook hartelijk voor bedankt. Ja, ik stond zeker raar te kijken toen ik de afzender las van die brief want dat had ik heus niet verwacht en daarom was ik er ook zoo blij mee. Nou je vraagt hoe of ’t hier met mij gaat, nou dat is niet al te best hoor, lang en hard werken en zeer weinig te eten en te rooken dus dat gaat wel hé en dan dat slapen in die barakken dat valt heelemaal niet mee.”

De postzegel is van de kaart afgescheurd, maar te lezen is ook:

“dikwijls luchtalarm af (…) nog niets gebeurd gelukkig”

L140

De achterkant van de briefkaart. Ook hier zit een censtuurstempel op, rechts (nummer 45), wat vreemd is, aangezien er als het goed is niets opengemaakt hoefde te worden. Let ook op de nazi-propaganda linksonder. (Hergebruik niet toegestaan)

L16

De trouwfoto van Tiest de Dooij en Nel de Vos. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan!)

Op 29 juni 1949 kwam er een bijzondere brief uit Brunssum, Zuid-Limburg. De oorlog was afgelopen, en Tiest was terechtgekomen in de Oostelijke Mijnstreek, één van mijn favoriete stukjes Nederlandse geschiedenis (en tegenwoordig schijnbaar ook ‘de beste toeristische bestemming ter wereld’). Eerder al heb ik een beetje onderzoek gedaan daar vanwege een familielid die koempel was in Hoensbroek (zie nummer 256 in de stamboom Bernaards). Ik denk dat ik gerust kan zeggen dat het overgrote deel van de mijnwerkers van andere delen van Nederland kwam (de gastarbeiders daargelaten), en de meesten waren ook al eerder in de mijnen gaan werken dan Tiest; vóór de oorlog. In de jaren ’50 kwam er echter een nieuwe campagne van de Staatsmijnen. En, wie wilde er nu niet naar Limburg? Het werk was vuil, gevaarlijk en zwaar, maar centrale stad Heerlen was erg welvarend en koempel zijn had zelfs een zekere status (zie deze aflevering van Andere Tijden, ‘Glorie en verdriet in de Mijnstreek’ van 15 december 2015, aanrader!)

linders website

Affiche van de Staatsmijnen van rond 1950. (Afbeelding: Collectie Continium Kerkrade/demijnen.nl)

Bij Brunssum lag de Staatsmijn Hendrik, gefuseerd met de Staatsmijn Emma in 1963 en als laatste staatsmijn gesloten in 1974. In zijn bidprentje uit 1976 wordt verteld hoe Tiest 25 jaar in de staatsmijn Hendrik werkte, en woonde in de Rozengaard in Brunssum. Het adres van de afzender is J.B. de Dooij, p/a P. de Vos, Oranjestraat 47, Brunssum (Z.L.), dus ik denk dat hij daar inwoonde bij een oom of zwager. Tiest begint zijn brief met ‘t weer, wat 67 jaar geleden in juni al niet veel beter was dan nu.

“Het is al erg genoeg dat het hier zo’n slecht weer is, dan hebben we een paar dagen mooi weer en dan is het weer regenen. Dat zal bij jullie ook wel zo zijn, want ik geloof niet dat je al dikwijls naar de Zeekant bent geweest van de zomer.”

In 1949 lag Berrege nog direct aan zee, dus als men nog niet naar de Zeekant geweest was eind juni moet het weer inderdaad wel erg slecht geweest zijn. Over het werk in de mijnen verteld hij:

“Ik zit nu al te prakkiseren wat ik moet schrijven en dadelijk moet ik weer onder de grond. Ge moet maar eens luisteren, dan zal ik wel eens kloppen want ik denk dat ik zowat bij jullie onder de vloer zit. Want het is een heel eind lopen voor wij op ons werk zijn, het treintje is kapot dus moeten wij lopen. Wij zullen maar flink wat kolen eruit halen hè dan komt hij gauw van de bon. Ik wou dat ik de kolen maar kreeg die ik alle dagen naar boven stuurde dan kon je gerust doorstoken hoor, want dat is ongeveer alle dagen vijf meter, daar kun je bijna een half jaar van stoken.”

 Het mooiste van deze brief is de afsluiting, met een vroege variant op ‘agge mar leut et’, en dat slechts drie jaar na ‘t begin van de moderne Vastenavend!

L136

Deel dit artikel