Een dag in ‘t leven van mijn voorouders in Essen

Essen op de Ferrariskaart. (Afbeelding: Koninklijke Bibliotheek België)

Vorige week had ik in ‘t West-Brabants Archief het boek ‘Familiegeschiedenis Mutsaerts/Musters’ door J. Wuijts ter inzage. In het boek citeerde hij een artikel wat in 1989 in Essen geschreven werd (“Wij van over den grens”) over de periode gedurende grofweg tussen de tachtigjarige oorlog en Napoleon. ‘t Uitgestrekte Essen had, ondanks dat ze een noordelijke uitham vormde van de Spaanse/Oostenrijkse Nederlanden, nogal wat banden met bezet Staats-Brabant. Of het nu was via de abdij van Tongerlo of de broeders van Huijbergen, of de met ‘t Nederlandse Nispen gedeelde parochie. Veel Essenaren verhuisden tussen 1600 en 1900 naar andere West-Brabantse dorpen en steden, en zo heb ik er veel voorouders. Het artikel wat J. Wuijts citeerde geeft een gedetaillerd beeld over ‘t leven in Essen in die tijd, wat ik u zeker niet wil onthouden. ‘t Is geen rooskleurig beeld, maar wie heeft ooit gezegd dat vroeger alles beter was?

“Essen behoorde in de zeventiende eeuw tot de heerlijkheid Essen-Huijbergen-Kalmthout (oostelijk deel) en was in het bezit van de abdij van Tongerlo in het bisdom Antwerpen. De kerk stond op het grondgebied van Nispen. In 1669 kwam er een schuurkerk in Essen en in 1729 een stenen gebouw. Het westelijk deel van Huijbergen behoorde toe aan het klooster der Wilhelmieten en lag op het omstreden grensgebied tussen het Markiezaat van Bergen op Zoom en de heerlijkheid. Recht werd in de openlucht gesproken door de vierschaar. Galg en rad stonden in een uithoek van het dorp. De schandpaal vonden we op het dorpsplein om iemand al dan niet gegeseld aan de kaak te stellen, maar meestal werd zij veel prozaïscher gebruikt om officiële berichten, verkopingen e.d. bekend te maken.

Met de nodige voorzichtigheid kan gesteld worden dat Essen in 1615 461 inwoners telde, tegen 825 in 1643, 1050 in 1671 en 1125 in 1700. In 1686 waren er in de gehele heerlijkheid 248 huizen waaronder vele slechte huttekens van arme mensen, twee pastoriën, twee windmolens en zes brouwerijkens. Ieder deed aan landbouw, vaak in combinatie met een ander beroep. In 1557 was de pastoor tevens veehouder en brouwer. In bijna elk huis draaide het spinnewiel.

Vanaf het plakkaat van 1608 mocht het beroep van vroedvrouw slechts door geschoolde en beëdigde vrouwen worden beoefend. Het jaarlijks aantal geboorten lag op 34 per duizend inwoners. De kindersterfte eiste echter een zware tol, één op de vijf overleed in het eerste jaar en 48 op de honderd vóór het viertiende jaar. Het aantal doodgeborenen of op dezelfde dag overleden was meer dan vijf procent. Borstvoeding werd gegeven tot twee, soms zelfs drie, jaar. Het normale interval tussen twee geboorten bedroeg dan ook 24 maanden of eerder wanneer het vorige kind gestorven was. Niet zelden sliepen de peuters met de ouders in de gesloten alkoof, nu niet bepaald de ideale vorm van slaapcomfort en luchtverversing. Een bakermat, wieg, kinderstoel en loopraam verrieden al een vorm van welstand. Fopspenen, poppen en speelgoed werden zelf gemaakt. In 1718 zag men in Essen de eerste rolwagen of kinderwagen.

Rond zes jaar kon men naar school. Aanvankelijk een lemen hut waar de kinderen van zes tot zestien jaar neerhurkten met hun schooldoos op de knieën. De vakken waren cathechismus, lees- en schrijfoefeningen en rekenen. De oudere leerlingen hielpen de jongere. Om beurten moesten zij bij de meester komen om hun les op te zeggen. Domkoppen werden gekroond met een stel ezelsoren tot grote hilariteit van de hele bende. Het aantal leerlingen was seizoensgebonden. Echte vakantie bestond niet. Er was ‘s zomers veel werk op het land en de meeste kinderen bleven dan weg. Honderd en meer leerlingen in de klas was geen zeldzaamheid. De pastoor was in het begin de schoolmeester, later werd dat de koster.

Vóór de komst van de aardappel (voor Essen 1702) bestond het dagelijk voedsel uit brood, soep en pap; een mengsel van boekweit, roggemeel, botermelk of water. Brood was meestal roggebrood, amper gerezen en besmeerd met smout of varkensvet. Boter en eieren waren bestemd voor de markt van Bergen op Zoom. Slechts op hoge feestdagen bakte men pannekoeken en wafels en was er peperkoek. Vers vlees en worst werden alleen gegeten in de slachtmaand en bij kermis en bruiloft. Hammen in de schouw en gezouten spek in de pan waren een voorrecht voor de welgestelde boeren. Kippen, konijn, duiven en eenden vrolijkten zo nu en dan het menu op. Honing was lange tijd het enige zoetmiddel. Na de komst van de aardappel was de regelmatige hongersnood voorbij en kwam er een grotere afwisseling in het voedingspatroon. De gemiddelde leeftijd steeg gemiddeld met vijf jaar tot 41 jaar voor de man en 43 jaar voor de vrouw.

Men had weinig benul van hygiëne. Veel hing natuurlijk af van de huisvrouw. De behuizingen en alkoven waren benauwd, ongezond en broeinesten van muizen, ratten, luizen, vlooien en ander ongedierte. Zich helemaal wassen of baden gebeurde nauwelijks. Vluchtig ‘s morgens het gezicht en de handen besprenkelen deden slechts enkelen. Zeep was te kostbaar voor dagelijks gebruik. De grote was deed men een paar keer per jaar. Het zelden gewassen ruwwollen en linnen kleedsel stond stijf van het zweet en het vuil veroorzaakte jeuk en huidontstekingen. Levensmiddelen waren blootgesteld aan insecten en bedierven snel in de woonruimten – kelders waren er nauwelijks. Griep, bronchitis, buikloop en etterende wonden waren vaak noodlottig. Epidemieën van buiktyfus, dysenterie, cholera, vlektyfus, pokken en de pest richtten vaak grote slachtingen aan. Het was de tijd van de volksgeneeskunst. Kwakzalvers, piskijkers, kruidendokters, alchemisten en overlezers deden goede zaken. Specifiek voor elke kwaal werden heiligen aangeroepen. Eerst in 1720 werd het chirurgeinsambt beschermd. 

Een boerenwoonstee werd naar oude traditie gebouwd. Een houten gebint opgevuld met vlechtwerk en bestreken met klei of leem. Het lage dak was van riet of stro met een schouw en een open haardvuur. Typisch Kempisch was de langgerekte hoevebouw; woning met stal onder één dak, schuur en schaapskooi naast elkaar. Met de betrekkelijke welstand daalde ook de graad van behuizing van ruim tot benepen; van abdijhoeve in baksteen tot een houten keet of plaggenhut met gestampte aarden vloer. Hetzelfde zien we bij de meubilering, keukenuitrusting, slaapstede, kleren en veestapel.”

 

Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *