de Sint-Helenamedaille

Vorige maand kreeg ik mail van collega-onderzoeker Willem Kruf. Hij is, net als ik, met Napoleon bezig (zie dit bericht uit november 2017). Een eerste verband tussen mijn voorouders en Napoleon vond ik reeds een aantal jaren terug, met een document waarin Cornelis van Ginneken de Sint-Helenamedaille kreeg. In mijn onderzoek van vorig jaar vond ik nog meer voorouders terug die voor de Franse keizer vochten, maar of zij uiteindelijk de erkenning kregen hiervoor bleef wat vaag. Als ik mezelf mag citeren:

“Wat kan ik hier als slot opschrijven? In 1857 had Frankrijk weer een koning, Napoleon III. Hij loste in dat jaar één van de punten uit ‘t testament van de keizer in; alle veteranen uit de periode 1792-1815 werden onderscheiden met de Sint-Helenamedaille. Tenminste, dat was de bedoeling. Als deze medaille al uitgereikt werd aan een Nederlandse veteraan, was het niet gebruikelijk dat hij ‘m droeg. Geschiedenis wordt tenslotte geschreven door overwinnaars. “Aux compagnons de gloire Napoleon 1er” stond er op ‘t doosje. En er zat een certificaat als op de afbeelding hierboven bij. Jean Hopmans zou er als ‘t goed is een gehad moeten hebben. Ik beeld ‘t me even in: “le grand chancelier de l’ordre impérial de la Legion d’Honneur certifie que Monsieur Hopmans, (Jean), de Berg-op-Zoom (Pays-Bas) ayant servi durant la période de 1792 à 1815 a reçu la Medaille de S’te Hélène.” Natuurlijk, de keizer was hard en rücksichtlos te werk gegaan, en zijn enorme leger heeft veel moeten doorstaan voor zijn vrij idiote plannen met Europa. Maar ‘t continent is er niet slechter op geworden; ‘t Ancienne Régime was definitief voorbij. En de band tussen Napoleon en zijn soldaten was altijd goed geweest. Dit was tenslotte geen huurleger, deze soldaten hoorden bij het land waar ze voor vochten. Ik denk dat als je één van deze voorouders die teruggekomen waren zou vragen terug te kijken, dat ze best trots waren.”

Ik sloot dus af met de brede vraag: hebben mijn voorouders die voor Napoleon vochten deze medaille gekregen, en zo ja, mochten ze ‘m (met enige gepaste trots) dragen? En Willems onderzoek gaf antwoord op deze vraag. Zijn hele onderzoek kunt u hier lezen; hij kan nog hulp gebruiken van met name genealogen die ervaring hebben met onderzoek in Amsterdam! 

De Franse koning Napoleon III op een daguerrotype van rond 1850/1860. (Afbeelding: Bibliothèque nationale de France/Wikimedia Commons)

De Fransen verloren hun megalomane oorlog, en waren dus wat ‘t nieuwe koninkrijk der Nederlanden betreft de verliezer. Toch is het moeilijk dat vol te houden als zoveel landgenoten voor die verliezer gevochten hadden. Dit kwam tot uiting toen Napoleon III de medaille instelde en deze door Frankrijk naar Nederlandse stadhuizen gestuurd werd. 

Uit de Groninger Courant, 14 oktober 1857. (Afbeelding: W. Kruf)

De Groningers en wat Antwerpenaren vonden het dragen van de medaille niet gepast (zie bovenstaand artikel), maar er zal toch een bepaalde druk zijn geweest van de andere kant want men kon, mits er een vergunning was verleend na het overleggen van het certificaat wat bij de medaille geleverd werd, de onderscheiding gewoon met trots dragen. En die vergunningen werden ook verleend; in juni 1858 waren er al zevenhonderd uitgegeven.

Uit de Nederlandse Staatscourant (links) en Rotterdamsche Courant (rechts) van 17 januari 1858. (Afbeeldingen: W. Kruf)

Op de vraag of ook soldaten uit mijn lijstje van november 2017 een medaille ontvangen hadden, komt antwoord uit een Bossche krant van mei 1858 (links), iets wat bevestigd werd in een ander artikel uit ‘t Bergse nieuwsblad van die tijd (midden en rechts).

Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom/W. Kruf

Daar rechts staat het al; mijn voorouder Jean Hopmans (*Bergen op Zoom, 1789, aldaar, 1862, kwartierstaatnummer 252), en Cornelis Schuurbiers (broer van Pieter Schuurbiers) uit het lijstje dat ik vorig jaar opstelde, kregen de medaille. Uit datzelfde lijstje waren Jean Jacques Knoet en Theodore Piquet gesneuveld, en de anderen reeds overleden of niet uit Bergen op Zoom afkomstig.

Dan rijst bij mij ook de vraag, mede nu we het eerste artikel lazen: wat was in Berrege het sentiment rond de medaille? In het artikel hierboven waarin ook de namen van de gedecoreerden werden vermeld schreef men:

‘terregt zich daarmee verrijkt gevoelende daar de inscriptie: “a ses compagnons de Gloire St. Helene 5 Mai 1821 dernière Pensée”, als ‘t ware den laatsten wil van den grooten man op zijn sterfbed uitdrukt, ook als eene verzoening voor alle de met hem in het groote leger gediend hebbende militairen en diens landgenooten in diebare herinnering zal blijven”

Dit is onomwonden positief geschreven. Woorden als ‘terrecht’ en ‘grote man’ laten dat zeker blijken.

Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom/W. Kruf

Er zijn meerdere artikelen die Willem vond over de medaille; allen van rond de zomer 1858. Het bovenste artikel heeft het over een ‘zucht om begiftigd te worden’, beduidend minder positief. En op 20 juni werd de overwinning op Napoleon bij Waterloo herdacht. Ik krijg een beeld van een stad in dubio wanneer men terugkeek op de oorlogen veertig jaar daarvoor. Willem schreef erover dat ‘t beleg door de Fransen in 1747 en hun acties bij ‘t Britse beleg van de stad in 1814 mogelijk nog gevoelig lagen bij de Bergenaren. En tenslotte was Frankrijk de verliezer, ook in de ogen van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden waar Berrege onder viel; zie dus de herdenking van ‘de overwinning’ bij Waterloo.

Daar staat tegenover dat er dus heel wat jonge Bergenaren voor de keizer vochten en dit toch een sentiment los gemaakt moet hebben bij hun naasten. Daarbij markeerde de Franse tijd een einde aan de status van Staats-Brabant als bezet gebied; Brabanders kregen meer zelfbestuur en katholieken kregen weer geloofsvrijheid onder Napoleon. De veertig gedecoreerde veteranen kwamen op 15 augustus 1858 samen in een besloten bijeenkomst. Daar bracht men een wat tegenstrijdige toost uit: “leve de keizer, leve Napoleon III, leve Willem III”. 

Afbeelding: W. Kruf/WBA Bergen op Zoom.

Deel dit artikel

Het (niet afgebrande) huis van Hendrik van den Kieboom

In ‘t archief vond ik een koopakte uit 1907, opgesteld bij de Bergse notaris Schermer. Mijn voorvader Hendrik van den Kieboom (*Halsteren, West-Brabant, 1857, ✞ aldaar, 1938, kwartierstaatnummer 56) was er in betrokken, samen met Jacobus van Eekelen, op dat moment herbergier te Halsteren. Hendrik kocht een huis met erf en tuin van Jacobus aan de Waterstraat te Halsteren; tussen de Sint-Martinuskerk en de Beek, óp de Brabantse Wal. Het betrof twee kavels in de Halsterse kadastersectie C, met nummer 1250 en 1251. Het geheel was elf aren en vijftig centiaren groot. Jacobus verklaarde dat het niet meer met hypotheek bezwaard was, en liet een koopakte van het pand uit 1871 uit het kantoor van hypotheken te Breda bijvoegen. Laatste zegt iets over hoe oud het huis was op dat moment. Hendrik kocht het geheel voor zeshonderd gulden, een akte betreffende een nieuwe hypotheek werd eveneens bij notaris Schermer opgesteld.

Eerste deel van de koopakte. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

Verder was het een gebruikelijke koopakte, veel procedureel. Belangrijk is wel hoe ik weet dat het hier om de ‘juiste’ Hendrik van den Kieboom gaat. Allereerst werd er in de kantlijn vermeld dat ene Anna Maria Jaspers rond de tijd van de koop was overleden. Anna Maria was de echtgenote van verkoper Jacobus van Eekelen en een zus van Hendriks vrouw Johanna Jaspers (*Halsteren, 1864, ✞ aldaar, 1919, kwartierstaatnummer 57). Hendrik kocht het huis dus van zijn zwager. Tweede bewijs is zijn handtekening, deze is dezelfde als onder zijn trouwakte uit 1884. 

De handtekeningen onder Hendriks trouwakte (1884, boven) en onder de koopakte (1907, onder). Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom.

Opvallend vind ik hier dat, waar de generaties Van den Kieboom van nu nogal precies zijn op ‘t gebruiken van het goede tussenvoegsel (iets met naamvallen), Hendrik dat in zijn tijd duidelijk niet was, hij schreef zijn eigen naam met ‘de’, en dit werd dan ook overgenomen door de notaris. Zwager Jacobus was in 1884 ook zijn trouwgetuige, maar kon toen niet zijn naam schrijven, en dit was in 1907 ook nog zo.

Ik ben nieuwsgierig naar de precieze locatie van het gekochte huis, vooral omdat het me nooit helemaal gelukt is om te bepalen waar in Halsteren de familie Van den Kieboom woonde. Misschien kan de vermelding van de Waterstraat achtergrond geven over waar Hendrik vóór 1907 woonde met zijn familie. Ten tijde van de geboorte van zijn zoon (mijn betovergrootvader) Johannes Hendrikus (Jan) van den Kieboom (*gemeente Halsteren, 1888, ✞ Bergen op Zoom, 1957, kwartierstaatnummer 28), woonde de familie waarschijnlijk (!) in de wijk die de Oude Molen en Lepelstraat omvatte, laatste is op zich niet ver van de Waterstraat. Hendriks schoonouders, het echtpaar Judocus Jaspers (*Halsteren, 1819, ✞ Bergen op Zoom, 1899, kwartierstaatnummer 114) x Cornelia Nuijten (*Halsteren, 1822, ✞ aldaar, 1889, kwartierstaatnummer 115), woonde in het centrum van ‘t durrep. Judocus werd geboren in het Mussengevecht. Al met al net aan de andere kant van de Waterstraat dus. Waar het gekochte huis, percelen 1250 en 1251 in kadastersectie C lagen kan ik niet terugvinden; het gaat om sectie C1 en daarvan is geen kadasterkaart uit de periode 1880-1930 beschikbaar in ‘t archief. Wel van 1832, maar de percelen zijn hernummerd, dus ook daar niets terug te vinden.

Eigenlijk kwam ik op dit artikel door volgend krantenartikel, afkomstig uit ‘godsdienstig-staatskundig’ dagblad De Tijd van 29 september 1910. 

Afbeelding: Koninklijke Bibliotheek, ‘s-Gravenhage.

Oei. Het zou toch niet zo zijn dat Hendriks huis drie jaar na aankoop afgebrand is?

Uit ‘de Grondwet’, 30 september 1910. (Afbeelding: Koninklijke Bibliotheek, ‘s-Gravenhage)

Gelukkig, nee. Een derde artikel uit ‘Kleine Courant’ van 3 oktober 1910 luidde:

Afbeelding: Koninklijke Bibliotheek, ‘s-Gravenhage.

Een boerderij in ‘t Halsters Laag dus, aan de andere kant van het dorp. Dit wil niet zeggen deze brand niet Hendriks directe familie trof. Het Laag viel onder dezelfde Halsterse wijk als de Oude Molen, een wijk waar Hendriks familie eerder in vermeld werd. Zelf vermoed ik dat het hier gaat om de boerderij van Hendriks vader Hendrik van den Kieboom (*Halsteren, 1827, ✞ aldaar, 1915, kwartierstaatnummer 112). De beste man was ten tijde van de brand 83 jaar oud. Met zekerheid kan ik dit niet zeggen; door de overdreven privacywet van eerder dit jaar zijn de Halsterse bevolkingsregisters van na 1905 offline gehaald en kan ik bijvoorbeeld niet nagaan of Hendrik en vrouw bij een kind gingen inwonen in 1910. Hoe dan ook ben ik weer een aantal toponiemen rijker in mijn zoektocht naar waar de familie Van den Kieboom woonde.

Deel dit artikel

Brieven aan mijn overgrootouders (2)

In navolging van de publicatie van de geüpdatete genealogie Linders-Woensdrecht 23 juli, neem ik nu eens de brieven door van Jacobus (Sjaak) Linders (LW103), Ludovicus (Louis) de Dooij en Kees Dircken. In dit artikel ga ik niet in op wát de mannen schreven, maar enkel wat zij volgens allerlei bronnen deden aan de hand van hun regimentsnummer. 

Sjaak was een oudere broer van mijn overgrootvader Linders, hij zou later trouwen en zich vestigen in Hellevoetsluis onder Rotterdam. De brieven die hij stuurde waren afkomstig uit Nederlands Indië in de tweede helft van de jaren ’40, tijdens de politionele acties dus.

Even de oude geschiedenislessen naar boven halen. De politionele acties waren deel van de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Deze strijd was begonnen twee dagen na de Japanse capitulatie op 17 augustus 1945, toen er gevechten uitbraken tussen Indonesische nationalisten en Britse militairen die zich bezig hadden gehouden met de bevrijding van Indië, onder anderen in Soerabaja in oktober 1945. In maart 1946 kwamen de eerste Nederlandse militairen in om Britse stellingen over te nemen, en begon de strijd tegen Indonesische onafhankelijkheid, een strijd die zou duren tot in 1949. Het zou een bijzonder lelijke strijd worden. Ik laat het hier even bij, aannemende dat de meesten hierover wel op school geleerd hebben. Sjaak stuurde dus een aantal brieven naar mijn overgrootoma en de bedoeling is hier om te kijken of er te achterhalen valt waar hij gelegerd was en wat hij precies deed. Ik kreeg daarbij heel veel hulp van dhr. Luud Bieringa, zoon van een Indië-veteraan, die een rapportage opstelde waaruit ik veel zal citeren.

Brief uit Padang, 28 februari 1947. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Brief uit Padang, juli 1947. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Brief van Jac. Linders uit Padang, 15 juli 1948. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Deze drie brieven van Sjaak, of althans de gegevens op de enveloppen gaven al een hoop informatie. Zo werd het regimentsnummer vermeld; 150514000, en ‘1ste bataljon regiment jagers’. Laatste is ook te lezen op de tweede brief: “Jager Jac. Linders, O.C. 1-reg jagers, Padang, Sumatra“. Het regimentsnummer duidt naast het eerste regiment jagers ook op zijn rang als jager eerste klasse “O.V.W.”. Laatste is belangrijk: O.V.W. staat voor oorlogsvrijwilliger, oftewel: Sjaak ging niet naar Indië vanwege dienstplicht. Beroepsmilitair dus. 

Het eerste bataljon regiment jagers werd op 1 januari 1945 opgericht in het toen reeds bevrijdde Eindhoven. Het regiment vertrok naar Wokingham in Engeland later dat jaar en voer vanuit daar aan boord van de ‘Nieuw-Amsterdam‘ uit op 28 oktober 1945 met bestemming Nederlands-Indië. Aldaar werd ‘t regiment echter gestationeerd op 20 november van daar jaar te Koeala Ketjil in de Engelse kolonie Malakka. Dit was omdat ‘t Britse leger, die de op Japan veroverde gebieden onder controle had, de Nederlandse soldaten geen toegang wilde geven. Uiteindelijk werd dit verbod opgeheven en ‘t regiment landde op 13 maart 1946 in Tandjoek Priok te Batavia, Java dus.

De Nieuw-Amsterdam was een cruiseschip van de Holland-Amerikalijn, gebouwd in 1938. Tussen 1940 en 1946 was het in dienst van ‘t leger als troepenschip. Op deze foto het schip vlak voordat het weer in dienst genomen werd als cruiseschip. (Afbeelding: Rotterdamse Droogdok Maatschappij Archief)

Luud citeerde over Sjaak Linders uit het ‘Gedenkboek één regiment jagers’ door K. Rockx en uit ‘Jagers en jagerslatijn: kroniek van het eerste bataljon jagers OVW 1945-1948; gedenkboek over de ervaringen van een OVW-bataljon.’

“Het OVW-bataljon 1-RJ bestond voornamelijk uit vrijwilligers uit Brabant en Limburg. Na de opleiding bij het 2de RNID (Royal Netherlands Infantery Depot) te Fournes (Frankrijk) werd het bataljon gelegerd in Zeeuws-Vlaanderen en ingezet bij de beveiliging van Antwerpen. Later deed het bataljon dienst in Brabant, Utrecht, Zuid-Holland, Groningen en Bocholt (Duitsland). Via Engeland, waar het bataljon werd voorzien van de noodzakelijke uitrusting, vertrok het naar Indië. Daar de bevelhebber van het South East Asia Command (SEAC), de admiraal Mountbatten, vanaf 2 november 1945 een landingsverbod op Java en Sumatra voor Nederlandse troepen had ingesteld werd er uitgeweken naar Malakka. Dit verbod is in maart 1946 opgeheven. Kort nadat het bataljon begin maart in Batavia arriveerde nam het posten over van de daar gelegerde KNIL eenheden. In plaatsen als Depok, Tjiteureup, Pondok Benda en Tjileungsir werden door het bataljon stellingen betrokken. Op 24 maart 1946 nam een peloton van de 2de compagnie deel, samen met het KNIL, aan de bezetting van Depok.”

Niet helemaal duidelijk is me hier wanneer ‘t bataljon precies opgeleid werd, en wat er met de beveiliging van Antwerpen bedoeld wordt. Antwerpen moest beveiligd worden tijdens de slag om de Schelde (lijkt me), maar da’s denk ik te vroeg op de tijdlijn.

Een patrouille loopt door een rijstveld tijdens de ‘actie infanterie’ te Depok met het KNIL in juli 1946, waar ook Sjaaks regiment aan deelnam. (Afbeelding: Nationaal Archief)

Het bataljon werkte in de eerste fase van de politionele acties dus op Java; waar al gauw successen geboekt werden.

“Door intensief te patrouilleren en acties, zoals eind april bij Loeloet en op 7 juni de zuiveringsactie in brigadeverband in het gebied tussen Klender en Pondok Gedeh werden de infiltraties en de terreur van de tegenstander tegengegaan. In juli werd het bataljon afgelost en verplaatst naar Batavia en Pasar Djoemahat. De 1ste compagnie bleef in de voorste lijn en bezette op 22 juli Pasirkapa nabij Buitenzorg. Medio augustus werd het bataljon aangewezen als ‘Java-reserve’. Dit hield in dat het bataljon waar nodig op Java ingezet kon worden. Tot november bleef het bataljon zijn posities rond Batavia innemen.”

Een konvooi van de genie onderweg na de bevrijding van de zeventien kilometer lange weg van Tjiteureup naar Tjileungsir op 19 juli 1946 De kans op hinderlagen was groot en de opmarsstelling moest beveiligd worden. (Afbeelding: Nationaal Archief)

Nadat de eerste strijd rond Batavia en Buitenzorg op Java geleverd was, werden de militairen als ‘Java-reserve’ afgelost door de ‘7-decemberdivisie’ en naar de Sumatraanse westkust gestuurd, naar Padang en omgeving. Aldaar waren zij gelegerd in de noordsector van Padang en belast met de beveiliging van een vliegveld. In januari 1947 werden door ‘t bataljon een aantal kampongs ‘gezuiverd’, o.a. Nanggalo, Koerogadoeng en Pondokkopi. Daarna werd het rustiger rond Padang.

“Tijdens de eerste politionele actie, op 21 juli 1947, trok het bataljon op naar het noorden en bezette Pasar Baroe, Loeboekboeaja, Baringin en Loeboekaloeng. Enkele weken na de actie werd het bataljon afgelost door 1-8 RI en gelegerd in Padang. De 3de compagnie kwam in Si Goentoer Moeda en Boengoes zuid van Padang te liggen. Deze rust duurde echter niet lang. In december loste het bataljon 2-14 RI af dat ten westen en zuiden van Padang gelegerd was. In dit gebied met posten te Indaroeng, Bandarboeat en Ladang verbleef het bataljon tot aan de repatriëring.”

1947 is ook het jaar waarin Sjaak zijn brieven naar huis stuurde. Luud vroeg zich af of hij misschien schrijver, administrateur, fourier of intendance was, aangezien hij een eigen stempel had. Misschien hield hij overzicht over de fourage, of verzorgde hij de post voor hogere staf.. Ik heb geen inzage in zijn militair stamboek, dus precies weet ik het niet.

Luud vermeld dat jager Linders op 15 januari 1948 nog gelegerd was op Sumatra. Op 4 mei 1948 werd hij, en daarmee volgens mij de hele ondersteuningscompagnie waar hij lid van was, gerepatriëerd naar Nederland. De sfeer moet wat bedrukt geweest zijn, want men had 23 man verlies geleden. Het terugbrengen ging aan boord van de ‘Groote Beer’, een in 1944 in Amerika gebouwd schip dat door de Nederlandse overheid aangekocht was om troepen van en naar Indië te vervoeren. De Groote Beer werd later (1951) nog gebruikt om Molukse gezinnen naar Nederland te brengen en ging daarna aan de slag als emigrantenschip op Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. De stukjes vaderlandse geschiedenis van die jaren komen dus in zekere zin samen in één schip. Sjaak zou trouwen en zich vestigen in Hellevoetsluis.

Op deze foto Sjaak Linders vooraan, zittend. Let op het andere uniform dat hij aanheeft. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

‘De Vrije Grom’ was de scheepskrant tijdens Sjaaks terugreis op ‘de Groote Beer’. Ze verscheen wanneer de redactie tijd had. (Afbeelding: Indiëgangers.nl)

Humor! Onder ‘t kopje “omgang met Nederlandse inheemsen”. (Afbeelding: Indiëgangers.nl)

Oma Linders kreeg in die jaren nog meer brieven uit Nederlands-Indië. Haar broer Ludovicus (Louis) de Dooij en zwager C.M. (Kees) Dircken waren eveneens in dienst daar. In tegenstelling tot Sjaak waren Louis en Kees dienstplichtige soldaten. Ze maakten deel uit van de C-divisie ‘7-december’ van de 1ste compagnie van het 3de bataljon van het 3de regiment infanterie (1-3-3 RI), bijgenaamd ‘de Blubbertrappers’. Dat zij bij elkaar ‘ingedeeld’ waren was geen toeval: de compagnie was op 1 juli 1946 te Bergen op Zoom opgericht. Ik citeer voor dit deel van ‘t verhaal via Luud uit ‘Met 3-3 RI in de tropen’ (1949) van J.A.J. de Groot, P. van der Geest en G.M. van Rossum. 

Louis de Dooij (links) en Kees Dircken (rechts) op een foto die waarschijnlijk gemaakt werd tijdens de korte opleiding in Nederland. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

Het 3de regiment infanterie kennen we in Berrege al lang; al was het maar van het beeld boven de poort van het Markiezenhof, cadeau van de gemeente Bergen op Zoom aan de militairen in 1914 vanwege hun honderdjarig bestaan. (Foto door mijzelf, 12/9-2018)

Ik heb hier een brief uit Medan van 14 juni 1949, gestuurd door Louis, en een brief van Kees Dircken, ook uit Medan, van 24 december 1948. Medan is gelegen op het noordelijke deel van Sumatra. Met de havenstad Belawan vormt ze een belangrijke plek aan de Straat van Malakka. Daar zou de diensttijd van Kees en Louis zich afspelen. Het regiment vertrok op 26 september 1946 naar Indië aan boord van de Kota Agoeng. Een maand later, op 26 oktober 1946, kwamen zij aan te Medan. 

“Het bataljon was gevormd uit dienstplichtigen van de lichting ’45 en was een van de zes Bewakingsbataljons “7 December”. Deze bataljons werden in Indië, ondanks de korte opleiding en lichte bewapening, ingezet als ‘gewone’ infanterie eenheden. Na aankomst te Belawan werd het bataljon gelegerd op posten in en rond Medan en Belawan.”

Op de foto hieronder andere dienstplichtigen, op weg van Kampen naar Rotterdam om op hetzelfde schip als Louis en Kees naar Indië te gaan. Het relevante aan deze foto vind ik het woord ‘gedwongen’, wat rechtsboven op de wagon is gekrijt. Dat deze jongens moesten gaan vechten lag niet altijd goed bij het thuisfront; men had uiteraard de oorlog vers in het geheugen en dat zij, zoals ik in het citaat hierboven vermeld staat, met een korte training en licht bewapend als gewone infanterist aan de slag moesten.

Afbeelding: Indiëgangers.nl

Op deze foto, gemaakt op de Kota Agoeng op de heenreis waar ook Louis en Kees aan deelnamen, kijken de mannen naar de “Afrikaansche kust”. Waarschijnlijk is het de Egyptische kust, net vóór of na het schip door het Suezkanaal voer. Afbeelding: Indiëgangers.nl

De taak van het regiment begon in januari 1947 met de weg van Medan naar Belawan. 

“Op 2 januari 1947 leverde het de flankdekking bij een actie waarbij de posten van de Z-Brigade verder naar het zuiden werden verplaatst. Ook nam het bataljon deel aan acties voor de beveiliging van de weg Belawan-Medan zoals op 7 januari bij Poeloe Brayan en Gloegoer. Vanaf 10 januari kreeg het bataljon de beveiliging van het weggedeelte Mabar-Poeloeh Brayan toegewezen. Na 27 mei was het gebied vergroot en liep het van Belawan tot Gloegoer met o.a. posten te Laboehan, Titipapan, Belawan, Helvetia en Mabar (Noordsector).”

In de loop van 1947 en 1948 behelsten de acties ook het innemen van gebied zelf. 

“Tijdens de 1e politionele actie, op 21 juli 1947, patrouilleerde het bataljon aan de demarcatielijn om infiltraties te voorkomen. Hierna loste het de aanvalstroepen af in de veroverde gebieden zoals Hamperan Perak, Bantam Betoel, Arnhemia en Deli Toea en zuiverde de omgeving. Op 29 juli bezette het bataljon Saentis en op 4 augustus met 4-2 RI Tandjoeng Poera. Na de eerste politionele actie werd het bataljon gelegerd zuidwest van Medan rond Sibolangit, Bindjei, Arnhemia. Geleidelijk werd het gebied door het bataljon gezuiverd. Na een grootscheepse actie op 16 oktober werd in het westen Bohorok bezet. Dan volgden er acties naar het zuiden en kwam ook dit gebied onder controle. Met de bezetting van Telaga, op 11 februari 1948, was het meest zuidelijke deel van het gebied bereikt. Tussen 27 en 30 maart nam het bataljon het vak van 4-RS ten oosten van Medan over met posten te Tandjoeng Balai, Mesihi, Goenoeng Melajoe en Haboko. In dit gebied aan de Status-Quo lijn had het voornamelijk een politietaak en was het redelijk rustig.”

Er is veel meer informatie te vinden over wat de blubbertrappers nog meer deden op Sumatra. In de tussentijd werden er o.a. fotootjes gemaakt om naar huis te sturen. 

Op deze foto Louis op de fiets. Conclusie is eigenlijk dat een Nederland geen Nederland nodig heeft om de fiets te pakken.. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

 

Bovenstaande foto stuurde Louis op met het duidelijke bijschrift dat hij ‘voor Pietje’ (mijn oudoom Piet) was. Het is een mooi exotisch plaatje, met een hoop bijzondere details. De taal op de huizen is Chinees. Chinezen waren er ook veel in Indië. Ook grappig is de elektriciteitspaal met bijzonder veel porcelein erop maar ogenschijnlijk geen draden er naartoe. En als laatste de auto’s. Of in ieder geval die op de voorgrond. Die is wel erg oud, ook voor toen (houten spaken!) Ik schat rond 1920. En let ook op het kenteken!

“Tijdens de tweede politionele actie, op 19 december 1948, trok het bataljon vanuit Goenoeng Melajoe op naar Rantau Prapat (actie ‘Renpaard’) en werden de ondernemingen Brussel en Padang Halabon bezet. De 3de compagnie zorgde voor rugdekking en bezette Soengei Kepajang. Een kleine groep stootte door naar Wingfoot. Op 20 december trok een groep van het bataljon 4-2 RI op naar Langga Pajoeng, maar kon deze door de onbegaanbare wegen niet bereiken. Door patrouillegang en acties werd het nieuwe gebied, welk op 22 februari 1949 werd vergroot met het vak van 3-15 RI rond Laboean Bilik, gezuiverd. In maart nam de onrust weer toe. Er werden diverse acties gevoerd waarbij o.a. Normark en Hoeta Godang werden bezet. Pas na het ‘ceasefire’ op 15 augustus keerde de rust in het gebied weer terug.”

De onrust nam dus toe op Sumatra, en ‘t zou ook niet meer rustiger worden tot 15 augustus 1949. In de aanloop naar 1949 was de internationale druk op Nederland toegenomen. Meerdere resoluties in de VN-Veiligheidsraad behandelden de politionele acties, en op 28 januari 1949 werd resolutie 67 aangenomen. De veiligheidsraad, toen met Argentinië, Canada, Cuba, Egypte, Noorwegen, de Oekraïne en als permanente leden de VS, Taiwan, Frankrijk, Groot-Brittanië en de Sovjet-Unie besliste dat de oprichting van een ‘Verenigde Staten van Indonesië’ onvermijdelijk was. Na resolutie 67 begon in augustus 1949 een rondetafelconferentie over Indonesische onafhankelijkheid in ‘s-Gravenhage. Deze conferentie eindigde met een soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië op 27 december 1949, waarbij afgesproken werd dat over de status van Nieuw-Guinea in 1950 zou worden beslist. 

Het regiment werd op 12 november 1949 gerepatrieerd aan boord van de Johan van Oldenbarneveldt. Op 6 december 1949 kwamen zij weer aan te Amsterdam. Het regiment telde achttien gesneuvelden. Zij worden vermeld op onderstaande plaquette bij het Indiëmonument in Roermond.

Afbeelding: L. Bieringa

Deel dit artikel