Een verlaten vrouw op de Kaai

De Smakkestraat gezien vanaf de Kaai naar de Korte Dubbelstraat. Foto door mijzelf, 5/9-2017.

Op 6 februari 1850, om zeven uur ’s avonds, werd er in een huis tussen de pottebakkerijkes in de Bergse Korte Dubbelstraat mijn bet-betovergrootmoeder Cornelia van den Boom-Martens (kwartierstaatnummer 39) geboren. Het was al donker en vrij koud, nog geen vijf graden. Op ’t eerste gezicht kwam zij ter wereld uit een vrij normale familie, in de zin van, zo zijn er nog wel wat in mijn kwartierstaat. Haar katholieke ouders, arbeiders, kwamen uit Woensdrecht en Halsteren en gingen op de Kaai wonen; of althans, dat doet de geboorteakte vermoeden. Echter, er klopte iets niet. Haar vader, Judocus Martens (verder bijna altijd vermeld als Mertens, kwartierstaatnummer 78), was niet aanwezig bij de aangifte, maar hij werd wel als vader genoemd in de akte. In plaats van vader Judocus deed stadsvroedvrouw Maria Cornelia Hergelt de aangifte. Ik stel me voor dat Hergelt een soort van baken was voor ongehuwde moeders in die tijd; ze was getrouwd met Josephus Deschamps, zelf zoon van een ongehuwde moeder. Ze zal dus wel ’t klappen van de zweep gekend hebben; goede kennis hebben van welke gevolgen het ongehuwd krijgen van een kind in die tijd had. Maar.. Cornelia’s moeder, Maria Bastiaansen (kwartierstaatnummer 79), was niet ongehuwd. Ze was getrouwd met Judocus Mertens, een ruime dertien jaar al. Ook dat heb ik vaker gezien. In de akte werd dan opgetekend dat de vader afwezig was. Misschien met een schip mee, of elders aan ’t werk. Maar ook dat was hier niet het geval..

Even terug naar ’t begin. Judocus Mertens werd op 7 april 1794 geboren te Woensdrecht, zoon van Jan Baptist Mertens (*Ekeren, Antwerpen, 1749, Woensdrecht, 14/8-1828, kwartierstaatnummer 156) en Catharina Dielen (*Woensdrecht, 9/8-1761, aldaar, 24 of 25/1-1825, kwartierstaatnummer 157). Vader had een huisje met erf en tuin aan de Woensdrechtse Dorpsstraat. Maria Bastiaansen werd geboren op 29 september 1808 te Halsteren, waarschijnlijk aan de Kleine Melanen, of in ieder geval op de Noordgeest. Daar hadden haar ouders Georgius (Joris) Bastiaens (*Veldwezelt, Belgisch Limburg, 27/1-1760, Halsterse Noordgeest/Kleine Melanen, 20/9-1811, kwartierstaatnummer 158) en Cornelia Moerbeek (*Bergen op Zoom, 13/10-1770, Halsteren, 9/6-1849, kwartierstaatnummer 159) een aanzienlijke hoeveelheid grond; een huis met erf en daaromheen heide, bouwland en moestuin. Judocus Mertens werd uitgeloot voor militaire dienst met lotnummer negen, zijn uiterlijk werd wel opgenomen. Hij had een ovaal aangezicht, rond voorhoofd, bruine ogen, een spitse neus, ‘gewone’ mond, ronde kin, bruin haar en bruine wenkbrauwen en geen merkbare tekenen. Hij was 1,70 lang en kon niet schrijven. Niet lang na deze loting ontmoette hij Maria en hij trad met haar in ’t huwelijk op 25 november 1836 te Halsteren. Van hun ouders was alleen Cornelia Moerbeek nog in leven op dat moment. Bruid en bruidegom woonden beiden te Halsteren.

Maria met kinderen in ‘t Bergse bevolkingsregister over 1850-1860. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

Ik was eigenlijk ‘gewoon’ op zoek naar ’t adres van ’t echtpaar in Bergen op Zoom. Gezien ’t feit dat Cornelia in 1850 daar geboren werd, moesten zij ergens tussen 1836 en de winter van 1850 naar de stad verhuisd zijn. ’t Adres Korte Dubbelstraat D103 vermeld in Cornelia’s geboorteakte, komt verder niet meer voor. Echter, een paar deuren verderop in ’t Smakkestraatje, tussen de Korte Dubbelstraat en de Kaai, woonde in de periode 1850-1860 arbeider en weduwnaar Johannis Baks. Hij was volgens ’t Bergse bevolkingsregister over die periode geboren te Halsteren in 1796 en woonachtig op D110 in de Smakkestraat. Het gezin bestond uit hem, Pieternella Baks (*Halsteren, 1834), Johannis Baks (*Halsteren, 1836), Maria Bastiaanse (*Halsteren, 1809), Johanna Bastiaanse (*Bergen op Zoom, 1840), Maria Bastiaanse (*Bergen op Zoom, 1844) en Cornelia Bastiaanse (*Bergen op Zoom, 1850). Maar Maria Bastiaanse stond hier niet vermeld als echtgenote van Baks, maar als “verlaten vrouw”. Zo werd dat er letterlijk bijgeschreven. En Judocus Mertens woonde er dus niet..

Dit verklaart best ’n hoop. Judocus en Cornelia zijn ergens rond 1840 naar Berrege verhuisd. En ergens daar ging ’t mis tussen hen. Naar ’t waarom ga ik verderop in dit stukje op zoek. Maar bij de start van dit bevolkingsregister in 1850 was Judocus vertrokken. Er werd geen akte van woonplaatsverandering opgesteld of afgegeven; niet alles werd netjes bijgehouden in die tijd en misschien nog belangrijker: je vrouw en kinderen verlaten verdiende ook toen geen schoonheidsprijs. Al moet ik er bij zeggen: ‘verlaten vrouw’ klinkt nogal dramatisch. Scheiden was juridisch mogelijk sinds 1838, eigenlijk daarvóór al, toen Napoleon hier de baas was, maar die wet werd later weer ingetrokken. Er waren vier redenen waarvoor een scheiding aangevraagd kon worden: overspel, ‘kwaadwillige verlating’ van ten minste vijf jaar, een veroordeling tot misdaad of ernstig huiselijk geweld. Wanneer met, bijvoorbeeld als men van hun geloof, niet wilde scheiden, maar wel uit elkaar wilde, kon een scheiding van tafel en bed aangevraagd worden. Man en vrouw hoefden dan officieel niet meer bij elkaar te wonen. Of er van één van deze zaken sprake was hier, weet ik niet. Het enige wat duidelijk wordt is dat Judocus weg was en Maria Bastiaanse met haar drie dochters bij Baks inwoonde. Misschien kende ze Johannis Baks nog van haar tijd in Halsteren.. Of misschien was hij gewoon iemand uit de buurt aan wie ze huur betaalde. Of misschien wel allebei..

Judocus Mertens moet op 6 februari 1850 al weg zijn geweest, vandaar dat de vroedvrouw de aangifte van geboorte deed. Hij werd wel als vader vermeld, ondanks dat Cornelia in ’t eerder beschreven bevolkingsregister 1850-1860 als Bastiaanse ingeschreven werd. Ze bleef echter de rest van haar leven de naam Martens gebruiken. Maar volgens datzelfde register had Maria nog twee dochters. Die zouden dan geboren zijn tijdens haar huwelijk met Judocus, wat een verklaring voor huwelijksproblemen zou geven, lijkt me. Eén van die twee vond ik terug. Maria Johanna Bastiaanse werd geboren te Bergen op Zoom (precies adres werd niet vermeld) op 21 augustus 1844 om half één ’s middags. De aangifte werd gedaan door Maria Houtepen, huisvrouw van Johannes Franciscus Janvier, 35, zonder beroep; zij verklaarde bij de bevalling aanwezig te zijn geweest. Een vader werd niet vermeld. Getuigen waren diezelfde Johannes Franciscus Janvier, 34, kleermaker en Adrianus Weverling, 26, schoenmaker. Maria Johanna trouwde op 5 juli 1866 te Bergen op Zoom met arbeider Franciscus Lint, dan 23 jaar, Bergenaar en zoon van Henricus Lint en Johanna van Tilborg. Maria Johanna Bastiaanse zou overlijden in 1912. Van de geboortedatums, geboorteplaatsen en namen vermeld in ’t gezin Baks/Bastiaanse in 1850 lijkt vrij weinig te kloppen. Op 15 september 1864 vond er te Bergen op Zoom een huwelijk plaats tussen de Bergse hoefsmid Wilhelmus Verbrugge, 24, zoon van Franciscus Henricus Verbrugge en Johanna Catharina Schuurbiers en Adriana Bastiaans, arbeidster, dochter van Maria Bastiaans, 23 en te Halsteren geboren. Dat zou dan rond 1841 zijn, rond ’t geboortejaar wat in 1850 vermeld werd bij Johanna Bastiaanse. Maar ’t belangrijkste hier is.. Halsteren.

Geboorteakte van Adriana, Halsteren, 1841. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

Stel dat Adriana Bastiaans dezelfde is als Johanna Bastiaanse. Daar zijn nogal wat aanwijzingen voor, en ’t zou betekenen dat Judocus en Maria ergens tussen 1836 en 1840 of 1841 van Halsteren naar Bergen op Zoom verhuisden. In Halsteren vond ik inderdaad haar geboorteakte. Veel in deze akte lijkt te ‘kloppen’. Op een rijtje: Johannes Fitseler, 73, arbeider, woonachtig te Halsteren, deed aangifte van de geboorte van Adriana Bastiaans, geboren op 30 augustus 1841 in de Halsterse wijk Noordgeest (dat lijkt in ieder geval te kloppen), dochter van Maria Bastiaans, arbeidster, 33 (haar geboortejaar zou dan ongeveer 1808 zijn, ook dat lijkt te kloppen), woonachtig op de Noordgeest te Halsteren. De twee getuigen waren Johannes Kokken, 73, winkelier en Bastiaan Bastiaanse, 38, kleermaker, beiden woonachtig te Halsteren. Bij de laatste getuige ligt hier het probleem. Bastiaan Bastiaanse was niet verwant. Dat zou betekenen dat er óf sprake is van toeval dat hij getuige was bij deze geboorteakten van kinderen van Maria Bastiaansen te Halsteren, óf dat er sprake is van een tweede ongehuwde Maria Bastiaansen, die dan aan hem verwant zou zijn. Dit is van belang om te kunnen nagaan hoeveel kinderen mijn voorouder Maria tijdens haar huwelijk kreeg die niet van Judocus waren.

De handtekening van Bastiaan Bastiaanse, zoals die vaak voorkwam in ‘t Halsterse geboorteregister over 1839. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom).

Hoewel Maria’s vader Joris Bastiaens in 1832 niet alleen werd vermeld als Josephus maar ook als Sebastiaan, is vader uiteraard geen kandidaat om de getuige uit 1841 te zijn; hij overleed reeds in 1811. Het echtpaar Bastiaens-Moerbeek kreeg geen kind met de naam Sebastiaan. De Bastiaan Bastiaansen uit 1841 was dus kleermaker en woonde ’t op Halsterse dorp. Hij was getrouwd met Pieternella Poulussen en werd geboren in Steenbergen. Eén theorie die ik bedacht was dat deze Bastiaan een zoon kon zijn van Henricus Bastiaens, een broer van Joris (dus uit omgeving Maastricht maar hier in de buurt aanwezig), die getuige was bij de doop van Maria Bastiaansen in 1808. U raadt ’t al, ook dat was niet het geval. Bastiaan overleed in 1884 te Halsteren en opgetekend werd dat hij zoon was van ene Adriaan Bastiaanse en Maria Anna van Berkom. Het klinkt allemaal erg ingewikkeld; maar ik ga een conclusie trekken. Wie wel eens de katholieke trouwboeken van Halsteren uit de 18e eeuw heeft doorzocht, is vast bekend met Paulina Smout. Deze dame was tussen 1730 en 1747 niet minder dan 524 keer getuige bij een huwelijk. Ik weet niet precies of dit vanuit een bepaalde functie was of dat Paulina gewoon een groot netwerk had, maar met Bastiaan Bastiaanse zie ik iets vergelijkbaars. In ’t jaar waarin te Halsteren zijn zoon Johannes Bastiaanse geboren werd, 1839, was Bastiaan getuige bij nog 26 andere geboorteaangiften. En dat van de 71 akten die er dat jaar werden opgesteld. Oftewel: dat er bij aangifte van geboorte van Maria’s dochter te Halsteren iemand getuige was met dezelfde achternaam is toeval. En dus gaat ’t om dezelfde persoon als in 1850 in de Smakkestraat woonde.

De geboorteakte van Maria’s eerste dochter, Halsteren, 1838. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

De geboorteakte van Petrus Bastiaans, Halsteren, 1839. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom).

Met die conclusie kan ik ook vaststellen dat Maria nóg twee kinderen kreeg tijdens haar huwelijk waarvan de vader niet bekend was. De eerste was een doodgeboren meisje, dat ter wereld kwam op 6 maart 1838 in het huis van haar zwager Jacobus de Krom. Hij was comparant en op dat moment 36 jaar oud, arbeider en woonachtig op de Halsterse Noordgeest. De getuigen waren Pieter Wilhelmus van Wesel, veertig, bouwknecht en Johannes Kokken, zeventig, winkelier, beiden woonachtig binnen de gemeente Halsteren. Het tweede kind was Petrus Bastiaans, geboren op 27 mei 1839 op de Halsterse Noordgeest. In die akte compareerde Pieter de Grauw, 52, particulier, woonachtig te Halsteren en waren de getuigen Bastiaan Bastiaanse (die kennen we nog), 36, kleermaker en Johannes Kokken, 72, winkelier, beiden woonachtig te Halsteren. Zoontje Petrus overleed reeds vroeg; nog geen maand oud op 25 juni 1839 te Halsteren. Vier kinderen van een onbekende vader dus, tíj́dens haar huwelijk met Judocus. Het lijkt wel een negentiende-eeuwse variant op een verhaal uit KRO Spoorloos.. Ik vermoed dat we hier de reden hebben dat vader vertrok. Misschien was Cornelia eveneens niet zijn dochter, kwam hij daarachter en gaf moeder aan dat het wél zijn dochter was omdat hij daar geen inspraak meer in had. We zullen ’t nooit weten.

Cornelia bleef inwonen bij Johannis Baks op Smakkestraat D109. In ’t volgende bevolkingsregister, dat vanaf 1860, bestond ’t gezin nog maar uit hem, Maria en haar drie dochters. Baks en Maria overleden in die periode, de drie dochters trouwden en verhuisden. Op de dag van haar overlijden, tien mei 1864, werd ook de overlijdensakte opgesteld. Maria overleed ’s morgens om tien uur, de aangifte werd gedaan door Johannes Lambertus Clarijs, 38, wagenmaker en Walterus de Nijs, 35, voerman. Ze werd 55. Vermeld werd: “echtgenote van Judocus Martens”. Die Judocus was spoorloos na 1850. Tot ook hij overleed. Dat was niet geheel onlogisch te Woensdrecht, zijn geboortedorp, op negen april 1871 om elf uur ’s ochtends. De aangifte werd gedaan door Jacobus Theodorus Soffers, 49, gemeentesecretaris en door Adrianus Willemse, 55, armmeester. En da’s geen goed teken wat zijn leefomstandigeden betreft. Judokus werd 77. In de akte werd vermeld: “echtgenoot van Maria Bastiaanse”.

Overlijdensakte van Judocus Mertens, Woensdrecht, 1871. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom).

Maria Bastiaanse met haar kinderen in ‘t Bergse bevolkingsregister over 1860-1880. Een ambtenaar op de afdeling burgerzaken had als taak om later met een blauw potlood te noteren dat Baks en Maria overleden waren, en dat de dochters trouwden. Blijkbaar verveelde hij zich, en een portret van een 19e-eeuws aandoende persoon was ‘t gevolg. Stukje Bergse kunst! (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

Gebruikte bronnen: 21, 43, 49, 160, 161, 202, 402, 494, 558, 649, 760, 989, 1232, 1514, 1557, 1569, 2160, 2187, 2203, 2254, 2568, 2573, 2707, 2708, 2709, 2710, 2711.

Deel dit artikel

Plaatsaanduidingen in de Bergse Buitenpoorterij (1812)

In de Bergse bevolkingsregisters begin 19e eeuw werd bij de sectie Buitenpoorterij zelden een nadere plaatsaanduiding vermeld. Behalve in de Franse tijd. In half frans, half nederlands werd de naam van straat of nabije hoeve vermeld. De huisnummers zijn hetzelfde als die in de wijklijsten van 1814 en 1815; bij die registers werd weer een huiseigenaar genoteerd zodat de plaats te koppelen is aan het kadaster over 1811-1832. Hieronder zette ik de plaatsaanduidingen uit 1812 op een rij, voor mede-onderzoekers. Er werd begonnen met Oud-Borgvliet (omvatte in ieder geval ’t Fort-Zeekant, de Augustapolder, delen van de Wouwse Plantage en Antwerpschestraatweg e.o.) en de telling begint daarna op nieuw met ‘Wouwscheweg’, de huidige Wouwschestraatweg. Toponiemen als ‘Clavervelden’, ‘Zéesuiper’, de Kragge, Vreedenburg (bij camping Vreedenburg), de Bommesee, en Bloemendaal (zuidkant van Meilust) kennen we nu nog wel. De andere zijn bijna allemaal te koppelen aan de scans van ‘t kadaster van de Dienst voor ’t Nationaal Erfgoed.

Sectie K (1812)

  • 1 t/m 11: Borgvliet
  • 13 t/m 23: Borgvlied
  • 1 t/m 7: Wouwscheweg
  • 9 t/m 14: Wouwscheweg
  • 15: Waalequartier
  • 16 & 17: Wouwscheweg
  • 19 & 20: Wouwscheweg
  • 22: in de Leegt
  • 23: de Leegt
  • 25: Clavervelden
  • 26: Vijfhoek
  • 27: de Lint
  • 28: Zéesuiper
  • 29: Zeezuiper
  • 31: Eengsmeer
  • 33: Wouwscheweg
  • 34 & 35: Zeesuiper
  • 36: de Kragge
  • 37: Leeuwerk
  • 39: Middelkragge
  • 40: Dernier Kragge
  • 43: Middelkragge
  • 46 & 47: Klijnen Drol
  • 49: Zandstraat
  • 50: Laagelint
  • 53: Jagersrust
  • 56 t/m 61: Zandstraat
  • 63: Zandstraat
  • 68-2: Vreedenburg
  • 69: Vreedenburg
  • 70: Bloemendaal
  • 71: la ferme Bleekerij
  • 72: de Kraaij
  • 74: Bommesée
  • 75: Zoomrust
  • 77: Baarsvlied, dans la ligne
  • 79: Bloemendaal
  • 82 & 83: Meylust
  • 85: Steenhoven
  • 86 & 87: Bommesée
  • 89: Meylust
  • 90: Kragge
Deel dit artikel

Cornelis Adriaense in Oost-Indië

In de lijsten van VOC-opvarenden in ‘t Nationaal Archief te Den Haag werd slechts één Ossendrechtenaar vermeld: Cornelis Adriaansen. Als aan de hand van DTB-boeken in Ossendrecht probeer te reconstrueren wie er op ‘t dorp woonde gedurende zijn leven (en dus of er nog andere kandidaten zijn voor deze opvarende) kan ik maar tot één conclusie komen: mijn voorouder Cornelis Adriaense (*ged. Ossendrecht, 27/6-1752, ✞ aldaar, 15/2-1832, kwartierstaatnummer 442) werkte voor de VOC.

Veel zeelieden zitten er niet tussen mijn voorouders, des te opvallender is het dat Cornelis’ latere schoonvader Jacobus van Geenhoven marktschipper was van beroep. Nu, het hoeft niet zo te zijn dat Cornelis en Jacobus elkaar reeds kenden, maar ‘t is toch waarschijnlijk; of misschien verkeerden zij in dezelfde kringen binnen ‘t dorp. In ieder geval moet iemand hem verteld hebben over de VOC; zij hadden kamers in Zeeland, relatief dichtbij, en waren altijd op zoek naar mensen. Het leven in ‘t 18e-eeuwse Ossendrecht was niet makkelijk, meevaren met de VOC was dus een gemakkelijke manier om relatief veel geld te verdienen voor hem en zijn naaste familie. Zo kwam het dat Cornelis, zestien jaar oud, op 30 maart 1769 in dienst trad als militair in Fort Rammekens bij Vlissingen.

Militairen werden in eerste instantie door de VOC ingezet tegen concurrerende Spanjaarden en Portugezen, maar toen die dreiging in de loop van de 17e en 18e eeuw kleiner werd, verschoof de focus naar lokale Indische heersers. Soldaten waren noodzakelijk om de machtspositie van de VOC in Oost-Indië te bewaken; daarbij richtte de compagnie zich in de Zilveren Eeuw zich ook op expansie aldaar (delen van bijvoorbeeld Java waren nog altijd onafhankelijk). Cornelis werd uitgerust met kist, hangmat, bultzak (een soort matras), ‘deek’, linnen pakken en rok. De kosten werden erbij vermeld, plus een bedrag van 150 (gulden of stuivers, is me niet helemaal duidelijk) onder vermelding: “Sch’d aen wed’e Jullesij”. Citaat uit een artikel van ‘t Zeeuws Archief:

“Om de uitgestrekte Nederlandse bezittingen tegen indringers te beschermen, had de VOC zo’n 15.000 soldaten in dienst. Zestig tot zeventig procent van het VOC-personeel in Azië bestond uit soldaten. Zij waren afkomstig uit dezelfde eenvoudige sociale milieus als het scheepsvolk. Door een groot tekort aan soldaten uit eigen land werden veel militairen en soms zelfs hele regimenten in het buitenland geronseld. Het militaire voetvolk vormde de laagste rang in de VOC-hiërarchie. Hun werkzaamheden bestonden voornamelijk uit wachtlopen voor de Nederlandse bezittingen.”

Afbeelding: Nationaal Archief ‘s-Gravenhage

Zijn schip, de Duinenburg (ook wel Duijnenburg of Duynenburg) vertrok op 30 maart 1769 voor de VOC-kamer van Zeeland met bestemming Batavia. De VOC was opgebouwd uit kamers met een zekere mate van zelfstandigheid. Er waren twee ‘hoofdkamers’, Amsterdam en Zeeland (Middelburg), en vier overige kamers, in volgorde van oprichtingsinleg (‘kapitaal’) in 1602 waren dat Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam. Het schip Duinenburg werd in 1757 voor de Zeeuwse kamer gebouwd op de VOC-werf te Middelburg. Het werd vernoemd naar de buitenplaats Duinenburg bij Domburg op Walcheren. De lengte was 150 voet, het laadvermogen was 1100 ton en er kon 300 tot 400 man meevaren. Het schip werd zes jaar eerder, in 1763, onderdeel van een ‘extra equipage’ van zeven schepen, “waarvan er vijf bestemd waren voor Ceylon”. Het doel van de Duinenburg was toen zoveel mogelijk VOC-soldaten naar Ceylon brengen voor de oorlog tegen de koning van Kandy. Maar, al met al voer de Duinenburg in 1769 weer op ‘reguliere’ routes tussen de Nederlanden en Batavia.

Op deze prent staat de Antwerpse zeevaarder Joris van Spilbergen afgebeeld met koning Vimaladharmasoorya van Kandy in 1602. Het was Van Spilbergen die de VOC interesseerde in handel op Ceylon. De koning van Kandy was zo’n 160 jaar later wat minder vriendelijk naar de compagnie. Joris van Spilbergen bracht overigens zijn laatste jaren door in de Potterstraat te Bergen op Zoom, mijn woonstraat tegenwoordig. (Afbeelding: ‘De reis van Joris van Spilbergen naar Ceylon, Atjeh en Bantam (1601 – 1604)’ door de Van Linschoten Vereniging/Wikimedia Commons)

De Duinenburg kwam op 19 juli 1769, na een reis van ruim vier maanden, aan op Kaap de Goede Hoop, sinds 1652 de Nederlandse kolonie ter bevoorrading van VOC-schepen. De bemanning kon even luchten, gezond eten (dat wil zeggen; niet gepekeld of in ieder geval iets met vitaminen) en zal vast ook wel ‘n kroeg bezocht hebben. Op 4 augustus 1769 vertrokken ze weer om de Indische Oceaan over te steken richting Batavia, waar ze op 12 oktober 1769 aankwamen. De kapitein was gedurende de hele reis Jan Verheke, die ik zo gauw niet kan vinden op andere websites. De Duinenburg zou in 1773 op weg van Kaap de Goede Hoop naar Amsterdam vergaan bij ‘Patria’.

Wat er precies gebeurde aldaar weet ik niet, maar Cornelis stapte nog geen twee weken naar aankomst in Indië terug op ‘t schip naar de Kaap. Misschien zag hij ‘t vechten op Java niet zitten. Misschien was hij ingezet als militair puur voor tijdens reizen; bijvoorbeeld om muiterij tegen te gaan. Of, en we hebben er allemaal over geleerd op school, trok hij de leefomstandigheden op een VOC-schip niet. Laten we ziekten als scheurbuik nog achterwege, geeft dit citaat van het Zeeuws Archief een beeld:

“Naarmate de reis langer duurde werden de omstandigheden op het dichtbevolkte dek steeds slechter. De stank van het kielwater onderin het schip vermengde zich met de sterke lichaamsgeuren van de bemanningsleden en de onaangename lucht van uitwerpselen van ratten, de scheepskat en soms ook menselijke ontlasting. Als de stank ondragelijk werd of er veel zieken waren, dan ging men over tot het sprenkelen van azijn of het branden van buskruit met jeneverbessen en andere kruiden, om de lucht te zuiveren. Echter wanneer er een storm uitbrak verslechterden de omstandigheden nog meer aangezien dan de luiken dicht moesten om te voorkomen dat al het water naar binnen spoelde.
Via gaten tussen de balken onder in het ruim kon het kielwater weg worden gepompt. Via deze weg echter wist ongedierte zich naar binnen te werken. Duizendpoten, schorpioenen, ratten, muizen, vlooien, luizen en schadelijke mieren wisten allemaal naar binnen te komen. De steken van de duizendpoten en schorpioenen waren zeer giftig en veroorzaakten hevige pijnen en dus moest men constant oplettend zijn.”

Afbeelding: Universiteit Utrecht

In zijn dossier staat: ‘teruggekeerd naar Nederland en afgemonsterd’, hij zou op de Pallas, het schip waarmee hij terugkeerde, uit dienst getreden zijn. De Pallas werd in 1764 voor de kamer van Zeeland gebouwd op een werf te Middelburg. Het was één van de eerste driedekkers van de compagnie, met een laadvermogen van 1150 ton en bemanning van 260 tot 394 koppen. Zoals gezegd vertrok de Pallas op 25 oktober 1769 uit Batavia voor de kamer van Amsterdam met bestemming Texel. Op 26 december 1769 kwam de Pallas aan op Kaap de Goede Hoop, op 4 februari 1770 vertrokken ze weer, om op 8 mei 1770 aan te komen op Texel. De kapitein was Willem van Braam, over wie ik wél meer kon vinden.

Cornelis zal nog wel ‘n paar weken onderweg geweest zijn van Texel naar Ossendrecht. In 1771 werd er nog een bedrag voldaan, misschien achterstallige soldij van de VOC of een terugbetaling van zijn kledij door hemzelf. Cornelis zou twee keer trouwen en bracht de rest van zijn leven door als dagloner en arbeider op ‘t dorp. Hij zal vast nog vaak hebben teruggedacht aan zijn tijd aan de andere kant van de wereld..

Gebruikte bronnen:

  • Lijst van VOC-opvarenden, Nationaal Archief ‘s-Gravenhage
  • Zeeuws Archief te Middelburg
  • Universiteit Utrecht
  • de VOC-site
Deel dit artikel