De Keijzer en Fort-Bath

In augustus 2020 schreef ik over het Geheim Register, waar veroordeelden instonden die vrijgelaten werden, maar wel in de gaten gehouden moesten worden. In dat register werden geen gevangenen uit Breda opgenomen, en dat is waar de meeste Bergenaren gedetineerd werden. Toch zaten er wel wat tussen, voornamelijk mensen die eerder verhuisd waren naar elders of een connectie hadden met Zeeland of Zeeuws-Vlaanderen. In het kader van portretfoto’s uit deze tijd, voornamelijk de jaren 1880 en 1890 en hoe bijzonder het is dat deze ‘laag’ van de samenleving op deze manier werd vastgelegd, keek ik ook naar de Veenkoloniën. Daarover schreef ik al eerder. Naar de koloniën van weldadigheid in Drenthe en Overijssel, een idee van koning Willem I, werden eind 19de eeuw nog altijd mensen verbannen. Dieven, bedelaars, landlopers, prostituees. Ook uit Berrege. Ik liep in beide registers de Bergenaren, Woensdrechtenaren, Ossendrechtenaren en Wouwenaren na.

Afbeeldingen: Tresoar Leeuwarden.

Cornelia de Keijzer was één van de mensen waarvan je kan zeggen dat het terecht is dat ze opgenomen werd in het register. Zij werd namelijk twee keer vermeld en is dus opnieuw veroordeeld na haar eerdere vrijlating. Cornelia is in 1867 te Haarlem veroordeeld voor diefstal, in 1873 voor diefstal, in 1874 voor diefstal bij nacht en in 1882, 1883 en 1886 te Amsterdam voor diefstal. Een veelpleegster dus. Cornelia werd geboren te Bergen op Zoom en woonde bij haar opnemingen in dit register in de hoofdstad. Wat ook opvalt is dat ze bij eerste artikel getrouwd was, zie haar naam ook, en bij de tweede vermelding niet meer. Verder zijn er grote fouten gemaakt bij de registratie. Bijvoorbeeld haar lengte: 1,57 versus 1,72 meter. Was ze zoveel gegroeid in haar tijd in de cel? Of de spitse kin versus de ronde kin, de smalle mond versus de brede mond, rond versus een ovaal aangezicht. Goed dat er een foto bijzit.

Feiten zijn dat ze tuchthuisstraf kreeg, kon schrijven en in de strafgevangenis van Amsterdam huisdienst en breiwerk deed. Haar gedrag was dan wel goed of zeer goed, maar termen als diefachtig (goh), bedrieglijk en schraapzuchtig doen daar toch wel een beetje van af. Cornelia is geboren op 16 maart 1831 in Bergen op Zoom, als dochter van de 29-jarige pakdrager Jacobus de Keijzer uit Zundert en zijn vrouw Elisabeth Geertruda Jutjens. De familie Jutjens kwam oorspronkelijk uit Etten bij Doetinchem, en woonde aan de Vischmarkt. Vader Jacobus hertrouwde twee keer, waarvan een keer in 1834, met Antonetta Budel. Cornelia’s moeder overleed dus reeds toen zij heel jong was. Het hele gezin woonde in de periode 1850-1860 op de Vischmarkt, E234. Het was een bijzonder huishouden, dat bestond uit:

  • Jacobus de Keijzer (*Groot-Zundert, 1802), debiteur van loten der Staatsloterij.
  • Antonet Budel (*Groningen, 1796, overleden op 3/6-1855),
  • Cornelia de Keijzer (*Bergen op Zoom, 1831, op 6/7-1855 vertrokken naar Brussel en op 30/9-1856 naar Breda).
  • Jan Baptist de Keijzer (*Bergen op Zoom, 1835), meubelmaker, op 30/11-1861 vertrokken naar Amsterdam.
  • Adriaan de Keijzer (*Bergen op Zoom, 1836).
  • Theresia Praam (*Maastricht, 1822), arbeidster, ingekomen in 1849 en vertrokken op 18/2-1852 (‘zegge’ 29/3-1852) naar Alkmaar (‘zegge’ Antwerpen).
  • Elisabeth Praam (waarschijnlijk dochter bovenstaande, *Bergen op Zoom, 1850), arbeidster, eveneens in 1852 vertrokken naar Alkmaar of Antwerpen.
  • Johannes George Sweighard (*Bath, 1815), gepensioneerd (..) van den sta(..), op 15/2-1852 of 1853 ingekomen uit Den Helder, vertrokken op 14/3-1853 naar Bath.
  • Anna Pieternella Groothuijzen (echtgenote van bovenstaande, *Vlissingen, 13/6-1812), op 23/10-1852 ingekomen uit Fort Bath, op 14/3-1853 vertrokken naar Bath.

De laatste twee waren gereformeerd, de anderen katholiek. Het echtpaar Sweighard-Groothuijzen valt me ook om een andere reden op. Bath is niet heel ver weg, maar wel een bijzondere plaats. Als klein fortdorpje was het een tijd lang (tot ze halverwege de 19de eeuw fuseerde met Rilland) een zelfstandige gemeente op het Zeeuwse eiland Zuid-Beveland. De naam van de gemeente was dan ook Fort-Bath en Bath, waar laatste dan op het dorp zelf sloeg (net als bij Lillo: Lillo-fort, Lillo-Kruisweg en Oud-Lillo), echter, er was geen dorp Bath meer sinds de zestiende eeuw. Johannis George Schweighard (*Fort-Bath, 23/1-1815, ✞gemeente Fort Bath en Bath, 31/3-1860) trouwde op 31 maart 1853 op 38-jarige leeftijd te Bath met Anna Pieternella Groothuijse, een 42-jarige naaister uit Vlissingen. Met haar woonde hij dus op de Bergse Vischmarkt, maar ik kwam Schweighard ook tegen in de bevolkingsregisters van de stad waar zijn vrouw vandaan kwam. In de periode 1850-1858, ongeveer dezelfde periode als dat zij in Bergen op Zoom woonden, woonde hij ook in Vlissingen aan de Korte Walstraat, aan het Lange Groenewoud, aan de Sint Jacobstraat en aan de Kleine Markt. De huishoudens waren altijd groot en bestonden uit verschillende mensen van allerlei afkomsten. Van werkmannen tot medewerkers van het Belgisch loodswezen. Schweighards beroep varieerde. Hij werd vermeld als gepensioneerd onderofficier, gepensioneerd veldwachter of simpelweg als werkeloze. Bij zijn vroege overlijden in 1860 werd gepensioneerd sergeant vermeld. 

Schweighard werd geboren op 23 januari 1815 in Fort-Bath als zoon van Frederik Schweighard en Pieternella van Leerdam. Zij woonden allebei in Bath, waar ze in respectievelijk 1861 en 1863 overleden. Nader onderzoek brengt een duidelijke band met forten en ‘het maritieme’ naar voren. Frederik en Pieternella trouwden in 1815 in Bath. Hij was kleermaker en geboren in 1787 in Fort-Louis in Frankrijk, zoon van Johannis Georgius Schweighard en Geneviève Seitz. Fort-Louis is, de naam zegt het al, een fort, gebouwd op een eiland in de Rijn bij Straatsburg, op de plek waar laatste de vaak betwiste grens vormt tussen Frankrijk en Duitsland. Tegen de tijd dat Frederik er geboren werd was het onderdeel van Frankrijk, gelegen in het département Nederrijn dat bij de Franse revolutie in 1790 gecreëerd werd. Het verklaart onder meer de Duitse achternamen in deze. In de stamboom van Pieternella vind ik nog meer forten terug. Zij werd geboren in Oud-Vossemeer op Tholen, maar haar ouders kwamen beiden uit het Oost-Vlaamse fort Liefkenshoek aan de Schelde, waar haar moeder haar familie had in de gereformeerde gemeenschap van Doel. Deze gemeenschap was van oorsprong Nederlands (in de zin van afkomstig uit de Republiek), en was daar alleen ter verdediging van de blokkade van Antwerpen. 

Fort Louis in de Rijn op de kaart van Cassini, tweede helft 18de eeuw. (Afbeelding: D. Heefer/Wikimedia Commons).

Ik dwaal wat af. We waren gebleven bij Cornelia (of ook Cornelia Adriana) de Keijzer, die in 1856 in Breda was gaan wonen. Ik kom haar acht jaar later tegen in Haarlem in Noord-Holland, als ze op 13 april 1864 daar trouwt met de 28-jarige wachtmeester Cornelis van den Hazenkamp. Ze was toen al eerder getrouwd, ze was weduwe van ene Johannes Jacobus van Stroe. Hij komt uit Utrecht en is zoon van ongehuwde moeder Josina van de Hazenkamp. Het echtpaar zou uiteindelijk vijf kinderen krijgen: Cornelis (*Haarlem, 1861), Cornelia Adriana (*Haarlem, 1865), Josina (*Haarlem, 1866), Johannes Baptist (*Haarlem, 1867) en Elisabet Aartje (*Amsterdam, 1873). Volgens het geheim register werd ze in het jaar van de geboorte van zoon Johannes Baptist in diezelfde stad al veroordeeld voor diefstal. De veroordeling in 1874 was voor het provinciaal Noord-Hollands gerechtshof, het kan dus prima dat ze toen inmiddels in Amsterdam was gaan wonen. Tijdens alle andere begane misdrijven woont Cornelia in Amsterdam.

  • Tussen juli 1885 en 1/2-1887 woont ze in een groot pand van ene weduwe Wielik, op Bontekoegang PP22 of Westerstraat PP22. Vanaf laatste datum moet ze weer naar de Amsterdamse strafgevangenis.
  • Tussen 10 april 1887 en april 1888 woonde ze bij haar broer Johannes Baptist de Keijzer, op Saenredamstraat YY57. Hij was op dat moment meubelmaker en woonde daar met zijn protestantse Bergse vrouw Maria de Bakker. Ze werd vermeld als ingekomen vanuit de strafgevangenis Amsterdam. Bij haar burgerlijke staat staat een S, en: ‘van C. van den Hazenkamp’. De S is van scheiding.
  • Tussen augustus 1888 en 21/12-1888 woont ze alleen op Korte Prinsengracht FF9. Op laatste datum gaat ze weer naar de Amsterdamse strafgevangenis.
  • In een ‘overgenomen’ bevolkingsregister worden een aantal belangrijke feiten goed opgetekend. Op 18/12-1891 wordt Cornelia ontslagen uit de gevangenis in Nieuwer-Amstel (Amstelveen), in de periode vanaf 1892 woonde ze op Egelantiersgracht 197 en Bloemgracht 103. Vermeld werd dat ze gescheiden huisvrouw was van Cornelis van den Hazenkamp en dat ze op 15 juli 1897 overleed.
  • Op 5 mei 1892 is ze patiënt in het Amsterdamse Binnengasthuis. Ze wordt vermeld als weduwe van Cornelis van den Hazenkamp en woont op Bloemgracht 103 of 105. Ze werd op 2 juni 1892 weer ontslagen. Vermeld werd ook dat haar zoon woonde op Wenslauerstraat 8.

Amsterdam markeerde niet bepaald een goeie periode in haar leven. Of het leven van haar gezin net zo min: in de jaren 1870 woonde vader Cornelis met al zijn kinderen op Anjeliersgracht 111 en later op Marnixstraat 13. Hij was betrokken bij het regiment huzaren. Bedenk je eens hoe de zorg voor de kinderen gegaan moet zijn, in zo’n situatie, zo midden in de industriële revolutie. Wanneer de scheiding officieel voltrokken is weet ik niet: het zal ergens halverwege de jaren 1880 geweest zijn. Ik heb ze proberen na te zoeken in de tienjarige tafels van de decennia 1880 en 1890, maar zonder resultaat. Wanneer men opmerkt dat Cornelia in de tijd dat ze niet vastzat of alleen of bij haar broer woonde, is het de vraag hoe goed het contact met haar kinderen was. Zoals ik schreef is in een register vermeld dat zij overleed op 17 juli 1897. In de index op ‘t Amsterdamse overlijdensregister werd 19 juli 1897 geschreven; boek 6, bladzijde 29. Op die plek vond ik haar niet terug. 

De panden Bloemgracht 10-2 op een foto van Benjamin Wilhelmus Stomps uit juli 1896. (Afbeelding: Stadsarchief Amsterdam).

 

 

Update genealogie Linders

‘t Duurde ‘n half jaar, maar de eerste genealogie van deze website; die van mijn moeders familie, heeft een grote renovatie gehad. Veel extra onderzoek, afbeeldingen en een test op de nieuwe lay-out die ik toepas op rapporten; met bijvoorbeeld aparte alinea’s voor schoonouders en opsommingen voor kinderen en adressen. Ook heb ik wat nieuwe richtlijnen toegepast i.v.m. de privacywet. In ieder geval ben ik best tevreden over ‘t resultaat.

Dag, Zeekant

Dit bericht is een kopie van een post op mijn facebookpagina van 12 april 2017.

Er is nog één rijtje bewoonde huizen op de Zeekant. Zes huizen, en ik woon in een van die huizen. Nog twee weken. Toen ik in de Paulus Buyslaan ging wonen, nam ik me voor de laatste bewoner van nummer 72 te worden. De laatste sinds 1958. Dat ging ook zo. En over twee weken ben ik de laatste bewoner van Schimmelpennincklaan 60. Sterker nog, de laatste bewoner van de Zeekant. Voorlopig.

De Zeekant, de meest gehate achterbuurt van Berrege, sinds de Blokkendoos plat ging. De buurt die in de jaren ’50 gebouwd werd met zoveel goede moed. Waar de straten allemaal ‘lanen’ genoemd werden, omdat dat sjieker klinkt. Rijtjeshuizen die luxe waren vergeleken met de flatgebouwen erboven. De buurt die binnen tien jaar verging van ‘goede moed’ naar plek maar je maar beter niet kwam. Waar ruzies uitgevochten werden met de Jordaan en de Congo. Waar ‘horen, zien, zwijgen’ het motto was en iedereen mekaar in de gaten hield. In die buurt ging ik op mezelf wonen, net als vele Bergenaren van mijn leeftijd. Het is vreemd als je eerste huis een sloophuis is. Alles aan de Zeekant was opeens vergankelijk. De buurt was een mix geworden van oorspronkelijke bewoners, alternatievelingen en mensen in de wachtrij. Een mix van werkelozen, HBO-studenten, MBO’ers, wegwerkers, kassabedienden, accountants. Een dwarsdoorsnede van Berrege, met mensen die wel durfden te zeggen dat ze hier woonden, en mensen die ’t liever verzwegen.

Van een brand of inbraak keek je niet op. En toch.. ik heb me nooit onveilig gevoeld op de Zeekant, integendeel. Bij mijn ouders thuis heb ik nooit zóveel contact gehad met de mensen die verder dan de buren wonen. De muziek, de sfeer, de nonchalance, de vrijheid, de vele jongeren. Het is heel erg begrijpelijk dat ’t hier gesloopt moet worden, ’t kan allemaal echt niet, dat snap ik ook wel. Maar ik kan al met al maar één conclusie trekken: de Zeekant in de periode 2013-2017 is het dichtste wat Bergen op Zoom ooit kwam bij een studentenstad.