Geheime fotoalbums

Al jaren had ik ze op ‘t oog. Reeds op de oude website van het Bergs archief stonden ze: zes fotoalbums, gedigitaliseerd door Picturae. De omschrijving meldt dat het politiefoto’s zijn van ongeveer de periode 1885-1900, met “wie de personen waren, hoe ze heetten of de reden van hun bezoek aan het politiebureau is in het album niet bekend gemaakt.” Stel je voor. Zes boeken met foto’s van Bergenaren. Foto’s van gewone Bergenaren, in een tijd dat portretfoto’s voor de rijken waren. Hoeveel voorouders van me zouden er niet tussen moeten staan. Afgelopen week ging ik met mede-onderzoeker Marco de Kock ermee aan de slag. We mailden naar het WBA. We gingen kijken of er toch echt geen aanwijzingen waren, een nummer of een register waarmee de volgorde overeenkwam. We wilden hoogleraren criminologie en fotografie benaderen. We onderzochten het verschil tussen een huis van bewaring en een gevangenis, in die tijd. En daar lag de oplossing, eerder dan verwacht. We ontdekten dat veel van hen op hetzelfde soort foto hetzelfde kloffie met dezelfde geruite bef droegen. Én.. we ontdekten dat er een Geheim Register bestond. Een geheim register van ontslagen gevangenen. 

Gevangenen in de rijksgevangenissen in ‘s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Hoorn, Leiden, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam die hun straf hadden uitgezeten waren niet allemaal gelijk. Sommigen van hen waren veelpleger of hadden echt iets serieus op hun kerfstok. Zij werden ingeschat als gevaarlijk, in ieder geval was er kans op recidive. Het plan was om in het geheim hun signalement te verspreiden onder politieafdelingen. In de periode 1882-1897 werd een aantal gedetineerden voor hun vrijlating op de foto gezet. Die foto’s werden vervolgens verspreid onder politieafdelingen. Waarschijnlijk niet alle politiekorpsen, maar alleen die in grotere steden. Waaronder Bergen op Zoom. De foto’s die bij het geheim register horen zijn door het Fries Archief in Leeuwarden gescand en online gegooid. Net als in Berrege, maar zij wisten wél wat de foto’s waren. En van wie. In de zoekfunctie van Tresoar ontdekte ik identieke foto’s, foto’s die ik herkende uit de Bergse albums. Het waren dus geen Bergenaren op ‘t Bergs bureau. Het waren kopietjes. Dat lijkt een teleurstelling, maar ik was wel opgelucht. Want stel dat je honderden foto’s hebt van Bergenaren (uit die tijd!) waarbij er geen mogelijkheid is om er ooit achter te komen wie het waren.. dat leek me erg frustrerend.

Check check, dubbel check. Dus koos ik achttien portretten uit de Bergse albums uit die Marco en mij opvielen, om te kijken of ik die in Tresoar zou terugvinden. En dat lukte, op nummer 3 en nummer 17 na. Dat opzoeken is geen straf. De foto’s zijn oprecht fantastisch. Ze bieden een hele toffe inkijk in verschillende types met verschillende outfits. Hun gezicht verteld een verhaal. Ik omschrijf eerst wat me opviel. En het register geeft daar de feiten bij, over de mensen waar de Berregse pliesie naar moest uitkijken. Die feiten noteer ik daarna. Op de eerder vermeldde twee nummers na, vond ik van al deze mensen een foto terug in het Fries archief. De afbeeldingen hierboven zijn dus kopies, uit het West-Brabants Archief in Bergen op Zoom, licht door mij bewerkt ter verwijdering van het watermerk. Doet u mee aan een potje 19de-eeuws Wie Is Het?

Persoon 1 is erg vrolijk. Zo komt hij me in ieder geval wel voor. Dat, in combinatie met zijn haar, wat natuurlijk zo rechtop lijkt te staan, maakt hem wat opvallend. Hij lijkt haast wat speels. Persoon 1 blijkt de 34-jarige (*rond 1854) Jan Geijlvoet, die op 1 april 1888 werd ontslagen uit de gevangenis van Rotterdam. Hij was protestants, arbeider van beroep en afkomstig uit het dorpje Zwartewaal op Voorne, ten zuidwesten van Rotterdam. Hij woonde in Haarlem, waar hij in 1874, 1875, 1878 en 1880 werd veroordeeld wegens diefstal en mishandeling. Daar kwamen nog twee veroordelingen in Amsterdam bij, in 1882 en 1886, wegens diefstal. Hij zat bij mekaar bijna vijf jaar vast. In de bak was hij kleermaker. Zijn gedrag was redelijk, ‘doch hij is zeer sluw van aard’. Wat moet ik me daarbij voorstellen? Zou er een verband zijn met zijn uiterlijk? Speelde hij spelletjes met cipiers? Jan ging na zijn vrijlating naar Haarlem. Ik vermoed dat hij in 1895 in Amstelveen overleed, getrouwd en als wildjager. 

Dan persoon 2. Mijn eerste indruk was; deze man heeft het niet makkelijk gehad. ‘t Lijkt iemand die ouder lijkt dan hij is; de wallen hangen tot over zijn wangen. En wat zit zijn sjaal vreemd, kruislings. Waar is die aan bevestigd, onder zijn jas? Persoon 2 blijkt Gerrit Reitsma te zijn, een protestantse, 65-jarige (*rond 1821), Friese koopman. Hij werd geboren in Tzum, was getrouwd en woonde in Franeker. Reitsma moet geen succesvol koopman geweest zijn, of eentje met louche zaken. Hij werd tussen 1859 en 1884 zes keer veroordeeld door de rechtbank in Leeuwarden en het provinciaal Fries gerechtshof, alle keren wegens diefstal. In totaal werd hij tot zeven jaar cel veroordeeld. In de gevangenis was zijn gedrag goed, en was hij aardappelschiller. Op 11 oktober 1886 werd hij ontslagen uit de gevangenis van Leiden, en gaf aan dat als hij zijn ‘uitgaanskas’ kreeg, zijn vertrekcentjes, hij zich terug naar Franeker zou begeven. De eerste keer dat hij Friesland verliet was het niet, want als alles klopt zat hij in 1880 al vast in Hoorn. Opvallend: in de omschrijving vermeld met geen baard, op de foto heeft hij die toch wel. Of zouden die paar haartjes in die tijd van baarden niet hebben gegolden als ‘baard’?

De oudere dame, persoon 3, viel me op door precies dat. Een oudere dame, in de gevangenis. Ze kijkt stug en emotieloos, maar ook wat vastberaden. Nu was dat ook wel de standaard houding op foto’s in die tijd. Zou ze aan haar muts twee spiegeltjes hangen, zou ze zomaar een Zeeuwse kunnen zijn. Misschien was ze dat ook wel, maar daar kom ik niet achter, want haar inschrijving vond ik niet terug.

Inschrijving in het gevangenisregister te ‘s-Hertogenbosch, rond 1892 (links), portret uit het register van personen om in de gaten te houden uit 1917 (rechts).

Persoon 4 ziet er sjiek uit. Zo’n mooi bolhoedje en een stropdas; je vraagt je toch af hoe je daaraan komt in de gevangenis. Deze man doet mij denken aan zijn fictieve tijdgenoot Josiah Trelawny uit Red Dead Redemption 2. De charlatan van een gang, degene die zich voordoet als vooraanstaand zakenman en met trucs toch de platte crimineel uithangt. Tot nu toe zijn mijn inschattingen vrij treffend, want persoon 4 blijkt witteboordencrimineel Wijnand van Aken. Van Aken was protestants, ongehuwd, dertig (*rond 1863) en kantoorklerk in en uit Dordrecht. Volgens de omschrijving was hij ook doof, wat geen belemmering hoeft te zijn voor dat beroep, uiteraard. Hij werd drie keer veroordeeld in Den Haag, een keer in 1889 voor oplichting, een keer 1891 wegens verduistering en een keer in 1892 wegens valsheid in geschrifte ‘en het gebruik maken daarvan’. Blijkbaar was hij niet te vertrouwen, anders kwam je ook niet in dit geheim register. Drie jaar zat hij bij mekaar vast, toen hij op 3 oktober 1893 vrijkwam. Zijn gedrag was goed geweest en hij had wegens ziekte een tijd doorgebracht op de ziekenzaal van de gevangenis in ‘s-Hertogenbosch, waar hij gedetineerd was. Hij ging op weg naar Rotterdam. Over die ziekte wordt meer duidelijk uit het gevangenisregister zelf. Hij leed aan ‘beginnende longtering’. Des te ongeloofelijker is het dat Van Aken in 1917 nog voorkomt in een register van veroordeelden dat lijkt op het Geheim Register, maar dan gedigitaliseerd door het Amsterdams stadsarchief. De ziekte kreeg hem er dus nog niet onder. Uit die registratie blijkt ook dat hij in 1907 wederom veroordeeld werd wegens valsheid in geschrifte. In 1917 wordt ook een nieuwe foto van hem gemaakt. In het signalement komt geen longtering meer naar voren, wel als kenmerk dat hij doof is en opvallende rimpel ‘boven de neuswortels’ heeft. 

Over gelijkenissen gesproken. Persoon 5 ziet er vriendelijk uit, maar niet al te snugger. Dat kán natuurlijk ook te maken hebben met zijn gebit. Hij viel mij op omdat hij mij deed denken aan Brooks uit de Shawshank Redemption. ‘Brooks was here’. Persoon 5 blijkt de werkloze Amsterdammer Herman August Blankenstein. Op 22 februari 1886 werd hij vrijgelaten in Leeuwarden, hij was toen protestant, 47 (*rond 1838) en ongehuwd. Vermeld werd dat hij geboren was en ‘t laatst woonde in Amsterdam. Blankenstein werd in 1868 en 1877 veroordeeld voor oplichting en in 1877 en 1881 voor diefstal, alle vier de keren in de hoofdstad. Uiteindelijk kreeg hij bij mekaar 3½ jaar cel en vijf jaar tuchthuisstraf. Dat laatste kan misschien verband houden met zijn werkeloosheid. Zijn gedrag in Leeuwarden was ‘zeer goed’, hij was er wever en gaf aan naar Weesp te gaan. Om meer te weten te komen over zijn achtergrond zocht ik hem op in de Amsterdamse bevolkingsregisters. Hij woonde in 1879 een tijdje in een kosthuis op het eiland Rapenburg, in 1880 een paar maanden in de Bloedstraat op de Wallen en tussen juli 1880 en zijn internering in Leeuwarden in april 1881 aan de Utrechtsedwarsstraat. De panden waren overbevolkt met alleenstaande mannen, doch er valt wel iets op: Herman was kantoorbediende in 1880. Uiteindelijk liep het minder goed af. Hij overleed op 27 februari 1890 in de derde rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Hij werd 52 jaar oud.

Persoon 6 kijkt of hij elk moment op de fotograaf gaat tuffen. Dat zal wel niet zijn geweest hoor, maar het maakt de foto wel opvallend. En z’n haar zit netjes! Het gaat hier om Willem Craaibeek, eveneens een Amsterdammer. 46 jaar, getrouwd, werkman, protestants. Tussen 1859 en 1886 werd hij zes maal veroordeeld voor diefstal. Bijna zes jaar zat hij vast, in totaal. Telkens periodes van een jaar, twee jaar of een aantal maanden. Het probleem was structureel, zeg maar. Melding werd gemaakt van een litteken op zijn rechterwang, zou dat die bult zijn? Craaibeek zat gevangen in Groningen, waar hij strohulzen maakte. Zijn gedrag was goed, maar hij was ook ‘eigenzinnig’. Op 29 juni 1888 werd hij vrijgelaten en ging hij op weg naar Amsterdam.

Op het eerste gezicht lijkt het alsof persoon 7 onverschillig kijken goed onder de knie heeft. Maar kijk wat langer in haar ogen.. het gaat niet helemaal goed. Deze blik viel mij op. Persoon 7 is de protestantse Friese moeder Lijsbeth Hiemstra, 47 jaar en arbeidster. Op 1 mei 1886 werd ze vrijgelaten in Utrecht, na een straf waarbij ze zich ‘vrij goed’ gedroeg en wasvrouw was. Lijsbeth kwam uit het Friese terpdorp Oosterend en trouwde al in 1856, toen ze zeventien was. Samen met haar man Molle Eisma woonde ze in dorpen in de buurt, in Goënga en Scharnegoutum. De basisschool maakte ze af, ze kon schrijven. Twee keer werd ze veroordeeld in de Friese hoofdstad Leeuwarden; in 1871 wegens diefstal en in 1884 volgende een wat langere tenlastelegging: misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrift van koophandel en diefstal. Valsheid in geschrifte, daar moet je voor kunnen schrijven. Wat je nog meer moet kunnen hangt denk ik af van wat voor geschriften je vervalst. En dat misbruik in vertrouwen.. hangt dat ermee samen? In ieder geval was het serieus genoeg om haar signalement tot op 250 kilometer verderop in Bergen op Zoom te doen belanden. Voor de zekerheid.

Afbeeldingen: links: Tresoar, rechts: Bevolkingsregister Zoelen 1849-1859, Regionaal Archief Rivierland

Aan persoon 8 vielen mij wat vrij excentrieke dingen op, vooral in het gezicht. Zijn opvallende oogleden bijvoorbeeld, hoe hoog zijn ogen in het gezicht zitten en hoeveel zijn mond geaccentueerd is. Persoon 8 was Gerrit de Jager. Hij werd op 6 december 1885 vrijgelaten uit de gevangenis in Haarlem. Gerrit was op dat moment 41, tuinman, protestants en ongetrouwd. Hij had een blonde baard om de kin ‘met knevel’. Opvallend was zijn Na een veroordeling voor diefstal in Haarlem, wat eveneens zijn woonplaats was, in 1882 en 1883, kreeg hij bij mekaar drie jaar gevangenisstraf. Tijdens die straf was hij kleermaker. Wat het meeste eruit springt: Gerrit kon niet schrijven en zijn gedrag tijdens zijn straf was slecht. En dat werd niet zomaar opgetekend: ‘slecht’ komt maar weinig voor in het geheime register. Vocht hij? Was hij recalcitrant? Een stukje achtergrond zou misschien voor pedagogen uitleg bieden. Gerrit werd op 4 april 1844 geboren als zoon van een ongehuwde moeder, Teuntje de Jager, in Zoelen, bij Tiel in de Betuwe. In de periode 1849-1859 woonde hij in huis nummer 104 aldaar, samen met meerdere mannelijke familieleden. Ooms? Neven? In ieder geval niet zijn moeder. Was ze overleden? Was Gerrit uit huis gezet op die leeftijd? Ik weet het niet. Evenmin vond ik iets over wat er met hem gebeurde na zijn vrijlating in 1885. Ik hoop iets goeds.

Persoon 9 viel mij op omdat hij mij aan een bekende van me deed denken. En nee, natuurlijk zeg ik niet wie. Maar daarnaast valt zijn blik natuurlijk ook op. Hij kijkt moeilijk, of misschien wel strijdlustig. Of misschien is er een flits gebruikt, wat nogal wat licht gaf in die tijd, met al dat magnesium. Persoon 9 blijkt Jan Schippers, protestants arbeider, ongetrouwd en 36 jaar (*1852). Hij ziet er jonger uit, vind ik. Schippers werd in 1885 in Amsterdam en in 1887 in Utrecht veroordeeld vanwege diefstal. Hij kwam oorspronkelijk uit Hekelingen op het eiland Putten, maar woonde voor zijn straf in Oudenrijn bij Utrecht. Toen hij op 11 mei 1888 werd vrijgelaten uit de gevangenis van Utrecht gaf hij aan ook terug te keren naar Oudenrijn. Zijn gedrag was goed geweest, hij kon schrijven, miste zijn rechtervoet en vlocht riet. Soms is er niet meer achtergrond nodig.

Deze man is doodeng. Griezelig. Persoon 10 doet me denken aan Raspoetin. Hij heeft een grote baard, zijn jas zit vreemd, alsof hij heel breed is. De vorm van zijn ogen helpt ook niet mee. Misschien heb ik ongelijk. Jan Scheffer was dertig jaar (*rond 1858) toen hij op 4 september 1888 vrijgelaten werd uit de gevangenis in Groningen. Scheffer was een protestantse, ongehuwde schippersknecht, geboren in Blokzijl, een dorpje aan de Zuiderzee in het Steenwijkerland in Overijssel. Hij had geen vaste woonplaats, wat ook te zien is aan waar hij veroordeeld werd: 1880 in Zutphen, 1880 in Arnhem, 1882 in Zwolle, 1884 in Heerenveen en 1884 in Leeuwarden; alle keren voor diefstal. Hij kreeg tweemaal 183 dagen cel, een keer twee jaar cel, een keer een jaar cel en een keer vier jaar cel opgelegd. Die laatste straf werd omgezet naar twee jaar. Was dat vanwege goed gedrag? Ik betwijfel het, want de omschrijving van zijn gedrag in Groningen bevestigd mijn eerste indruk van Scheffer. Scheffer kon schrijven en maakte strohulzen. Zijn gedrag was ‘in den laatsten tijd slecht’. “Hij is zeer onverschillig en kwaaddenkend en een gevaarlijk persoon”. Zo. Nu was iedereen in dit register gevaarlijk, dat was een beetje het idee van het register zelf. Maar waar de meesten goed of redelijk gedrag vertoonden, springt dit er wel uit. Bij zijn vertrek nam Jan zijn uitgaanskas aan, de centjes waarmee hij naar huis kan. Maar hij had nog steeds geen thuis, geen bestemming werd vermeld. Wel schoor hij zijn baard af; in zijn signalement wordt geschreven dat hij geen baard had. Ik heb verder niets meer gevonden over Jan.

Afbeeldingen: links: Bevolkingsregister Amsterdam 1874-1893. Rechts: Tresoar.

Persoon 11 kijkt keistoer. Hij lijkt een straatjongen. Hij pikt niets, dat zie je zo. Persoon 11 is Jan Hendrik Willem Frederik Weerman, en is wat ouder dan ik inschatte: 33 jaar (*1854). Deze protestantse ongetrouwde arbeider was ook nog eens Amsterdammer, dus zijn dialect zal wel meegeholpen hebben aan zijn imago. Weerman werd in 1881 en 1883 veroordeeld voor diefstal, hij kreeg bij mekaar drie jaar cel. Op 15 oktober werd hij ontslagen uit de gevangenis in Amsterdam maar kreeg toch een ‘uitgaanskas’ om thuis te kunnen komen. In de gevangenis was zijn gedrag goed, hij kon schrijven en vlocht riet. Opvallend: in het Fries archief hebben ze een andere foto van Weerman dan in Bergen op Zoom. Die foto met pet, die komt uit Berrege. Die zonder uit Leeuwarden. Alles kwam goed met Hendrik Jan Willem Frederik (zoals hij ook wel genoemd werd). Op 14 november 1888 trouwde hij met de Harderwijkse Mina Maat en stichtte met haar een gezin in de Amsterdamse Van Heemskerckstraat.

Hoeveel ‘gewone mensen’ hadden er in die tijd drie portretfoto’s van zichzelf laten nemen? (Afbeeldingen: Stadsarchief Amsterdam, Tresoar)

Persoon 12: de mater familias. Ze doet me denken aan de moeder van Carmen in Penoza IV. Ze heeft al veel gezien. Veel slechts, maar bleef altijd staan voor de mensen die dichtbij haar stonden. Zo stel ik me dat voor. Zou het kloppen? Persoon 12 is Wilhelmina Frederika Antonia Bernordt, in ‘t geheim register vermeld als Bernot. Zij werd op 13 april 1888 vrijgelaten uit de gevangenis in ‘s-Gravenhage, waar ze een straf van bij mekaar vier jaar en vier maanden uitzat wegens meerdere diefstallen. Haar gedrag tijdens die straf was goed, ze kon schrijven en was ‘belast’ met breiwerk en huisdienst. Even tussendoor: diefstal komt vaak voor in dit register. Het lijkt iets wat te ‘klein’ is om je in zo’n geheim register te doen belanden. Maar, beeld je in, het gaat hier om de jaren 1870/1880. Voorwerpen en spullen waren veel duurder en veel meer waard, relatief, dan nu. En hoeveel mensen waren verzekerd? Als iemand je groentekar stal was je je bestaan kwijt. Als iemand je gouden horloge stal, was je je pensioen kwijt. Serieuzer dan men nu zou denken dus. Terug naar mevrouw Bernordt. Of.. mevrouw of juffrouw? In het register werd verder vermeld dat zij katholiek was, geboren in Rotterdam, daar ook woonde, koopvrouw was van beroep, 57 jaar (*1830) en ongehuwd. Bernordt werd op 19 oktober 1830 in Rotterdam geboren, als dochter van Maaike Antonia van Nouhuijs of Nouwhuijsen en Willem Frederik Bernordt. Laatste erkende haar bij het huwelijk van haar ouders in 1833. Ik kwam haar o.a. tegen in nog een ander landelijk register van veroordeelden in ‘t stadsarchief van Amsterdam. Een kopie daarvan plaats ik hierboven. In deze akte werd gemeld dat zij ook bekend was als Fiolet. En ja.. Wilhelmina was op 5 november 1851 te Rotterdam getrouwd met Franciscus Jacobus Fiolet. Ze kreeg ook kinderen met hem, maar was in 1888 ongehuwd.. Het antwoord daarop is de vroegste echtscheiding die ik ooit tegenkwam, op 9 april 1863 in Rotterdam. Verklaard werd dat Fiolet overspel gepleegd had. Vanaf toen stond ze er dus alleen voor, waarschijnlijk met die kinderen. Tja. Diefstal.. Uiteindelijk zou ze op 17 mei 1914 te Rotterdam overlijden.

Kijk eens naar persoon 13. Hoe sjiek! Het pak, de hoed, het lijkt wel van haar eigen haar. Het lijkt erop dat ze de kans kreeg zich om te kleden toen ze naar de fotograaf ging, in de laatste weken van haar gevangenisstraf. Als ik nu zeg: een soort Mata Hari? Een spionne van haar tijd dus? Is dat dan gek? Oké, het blijkt van wel. Persoon 13 is namelijk Adriana Elisabeth Berman, 21 jaar (*rond 1865), ongehuwd, protestant, geboren in Zierikzee als kind van een onhuwde moeder, woonachtig te Rotterdam en publieke vrouw. Een prostituee dus. Maar wel een sjieke, zo te zien. Berman werd in 1883, 1884 en 1885 veroordeeld voor diefstal in Rotterdam, waar ze eerder in 1882 al veroordeeld werd daarvoor in Goes, op het moment dat ze zeventien jaar was. Na een straf van bij mekaar twee jaar en drie maanden werd ze op 26 maart 1886 vrijgelaten in Utrecht. Ze had gebreid, kon schrijven en haar gedrag was goed. 

Persoon 14 doet me denken aan acteur Pierre Bokma, vooral in zijn blik. De jas en bef zijn algemeen voor een bepaalde gevangenis, op veel van de portretten draagt de gedetineerde ze. Persoon 14 blijkt de 47-jarige (*rond 1840) Amsterdamse tapper Johan Adam Baijer. Protestants, ongehuwd. Hij werd op 12 december 1887 vrijgelaten uit de strafgevangenis in Leeuwarden, na een straf waarbij hij wever was met ‘redelijk’ gedrag. Er is echter wel iets ongewoons: vermeld werd dat hij wegens diefstal in 1878 veroordeeld werd tot tien jaar tuchthuis. Geen reguliere cel dus, al moet hij daar ook in hebben gezeten in Leeuwarden. In het stadsarchief van Amsterdam vind ik meerdere vermeldingen van een Johan Adam Baijer of Beijer, allemaal met als geboortedatum 6 december, maar soms in 1838, dan in 1839 of 1840. In 1867 kwam Baijer in het Buitengasthuis te wonen, vanuit Hoorn. Tot 19 april 1878 woonde hij op Wijngaardstraatje 6, hij vertrok toen naar Leeuwarden. In 1891 woonde Baijer in de Amsterdamse Foeliedwarsstraat, in 1892 in een armenhuis aan de Muidergracht. Als tapper werd hij niet veel vermeld, wel dat hij Evangelisch-Luthers was van geloof. Dan, op 54-jarige leeftijd in 1893, trouwde Baijer met de 66-jarige Utrechtse Johanna de Wolf. Dat huwelijk duurde niet lang. In 1890 wordt Beijer opgenomen in het Binnengasthuis, hij heeft influenza. Op 9 september 1892 moest hij opnieuw naar het ziekenhuis met een beenbreuk; hij heeft als werkman/sjouwerman er ‘n kist tegenaan gekregen. In 1895 opnieuw met Kyfose, een kromming in de rug. Op 20 juni 1895 wordt hij dan in dezelfde registers van het gasthuis als overleden vermeld. Als getrouwd werkman. Ik hoop dat hij zijn geluk vond.

Bron: Tresoar.

Mijn eerste reactie bij persoon 15 was; dit klopt niet. Da’s een kind. Veertien hooguit, wat doet hij in dit register? Maar ik maakte een verkeerde inschatting. Persoon 15 is de 20-jarige (*rond 1866) katholieke Cornelis van Vliet uit Gouda. Cornelis was ongehuwd, had geen beroep en werd in 1884 en 1886 in Rotterdam en Den Haag veroordeeld voor diefstal, waar hij in totaal twee jaar gevangenisstraf voor kreeg. Op 3 december 1886 werd hij vrijgelaten, waarna hij zou terugkeren naar zijn thuisstad Rotterdam. In de gevangenis deed hij aan tricotpluizen. Zijn gedrag was redelijk, maar hij was wel ‘vuil en lui’. Het zal maar over je gezegd worden..

Persoon 16 valt op door zijn felle ogen. Ik zou zeggen dat ze blauw zijn, maar dat kan ik niet bewijzen nog, aan de hand van alleen de foto. Ook maakt hij een wat onnozele indruk. Maar misschien schuilt er meer achter? Zijn pak zit trouwens wel netjes, vind ik. Persoon 16 blijkt Lieuwe de Vries, een protestantse getrouwde koopman van vijftig jaar oud (*rond 1836). Hij was geboren in Oterleek en woonde in Alkmaar in Noord-Holland. Zijn ogen waren lichtgrijs, daar zit ik ongeveer wel goed met mijn inschatting. Lieuwe werd veroordeeld in 1865 wegens diefstal, waar hij vijf jaar tuchtthuisstraf voor kreeg (best ‘n flinke straf) en in 1885 voor diefstal van vee in de weide. Een veedief dus! De Vries kwam op 18 december 1886 vrij uit de gevangenis in Leiden, waar zijn gedrag goed was en hij kleermaker was.

Persoon 17 viel Marco op vanwege het opgetekende snorretje. En uiteraard de bekende jas en bef. Stel, je krijgt als Bergse politieagent deze foto met beschrijving. Maar in die beschrijving staat dat de voormalig gedetineerde waar je naar uit dient te kijken een snor draagt. Dan teken je die erop. Op een wijze waarop men die droeg in de jaren 1880. Persoon 17 heb ik, als tweede foto na persoon 3, niet terug kunnen vinden in het Fries archief.

Afbeelding: WBA Bergen op Zoom/schermafbeelding M. de Kock

Persoon 18, de laatste uit dit rijtje. Waarschijnlijk hoef ik niet te vertellen waarom deze persoon ons opviel. Marco en ik hebben nog gediscussieerd over of persoon 18 nu gehandicapt was of geboeid. Uiteindelijk had Marco gelijk. Waar bovenste foto (in tegenstelling tot de andere gebruikte foto’s) uit het Fries archief komt, is op de onderste foto uit het Bergs archief goed te zien dat deze gast in een dwangbuis met touwen zit. Persoon 18 blijkt wederom een Amsterdammer. Gerardus Franciscus Jacobus Hessels, protestants (ondanks zijn wat katholieke namen), twintig jaar (*rond 1876), ongehuwd werkman. Hessels werd in 1892 en 1894 te Amsterdam veroordeeld voor diefstal, en in 1893 wegens ‘wederspannigheid‘. Hij werd op 26 maart 1896 vrijgelaten uit de gevangenis van Nieuwer-Amstel (Amstelveen), na een straf van bij mekaar drie jaar en negen maanden gevangenisstraf, waarbij zijn gedrag redelijk was en hij matten breidde en bosjes maakte voor vuurmakers. De situatie waarin Hessels op de foto ging doet mij iets afvragen. Ging men op de foto bij arrestatie? Of vlak voordat men vrijgelaten werd? Ik ging van het laatste uit, maar het lijkt toch alsof hij na zijn arrestatie voor wederspannigheid op de foto ging.. Of was het toch het eerste en was dit het voorval wat zijn gedrag ‘redelijk’ maakte? 

Ik ben nog niet klaar met dit register. Want als deze website reguliere bezoekers zou hebben (en dat weet ik niet, ik heb bezoekersstatistieken uitgeschakeld) dan zouden die ongetwijfeld weten dat ik bij ‘t ontdekken van nieuwe bronnen als deze altijd even de Bergenaren, Wouwenaren, Woensdrechtenaren en Ossendrechtenaren opzoek. Wordt vervolgd dus!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *