Ongeluk met een paard

Even een verhaal tussendoor. Bij ‘t nalopen van de stamboom Linders komt men al gauw uit op Jan Linders (*Woensdrecht, 1711, ✞ aldaar, 1779, nummer LW3/KW192), al was ‘t maar omdat zover bekend alle nakomelingen Linders van hem afstammen. Jan Linders was twee keer getrouwd; in 1743 met Barbarina Sanders uit Putte en in juni 1749 met mijn voorouder Cornelia Kerstiaanse uit Loenhout. Een trouwerij was altijd een feest, maar ik kan me voorstellen dat dat in dit geval iets minder ‘t geval was..

Jan Linders had met Barbarina drie kinderen: Maria Linders (*1743, LW13), Elisabeth Linders (*1745, LW14) en Leonardus Linders (*1747, LW15), allen gedoopt te Woensdrecht (dat wil zeggen in de schuurkerk te Hoogerheide). In de gerechtelijke archieven van Woensdrecht vond ik een akte uit januari 1749. De Huijbergse chirurgijn Balthazar Johannes Frits verklaarde aan de schepenen van Woensdrecht, Gerrit van Putte en Maghiel Verreesen, dat hij langs Jan Linders was geweest. “Gevisiteerd het doode lighaem van een kint van Jan Leenderts, arbeijder, woonende onder deese jurisdictie, genaemt Elisabet Leenderts oudt over de drie jaeren.”

Het betrof Jans dochter Elisabeth Linders; ze was dodelijk gewond geraakt. De chirurgijn schreef dat hij een wond vond in haar rechterslaap, in de rondte zo groot als een rijksdaalder, hevig bebloed. De doodsoorzaak, zo stelde hij vast, was een ‘schuring in het cranium (is de schedel) op de petrosa‘. Ook verklaarde hij dat de aanleiding “slaen, stooten off vallen” moest zijn. In een volgende akte van 4 januari 1749 compareerden nog een aantal mensen: Lucia Geijlis, weduwe van Stoffel Kerstens, Catarina Crijnen, huisvrouw van Jacobus Jansen en Barbel Maghielsen, dienstmeid bij vader Jan Linders, allen woonachtig te Woensdrecht.

Deze getuigen gingen verklaren over hoe dochter Elisabet om ‘t leven was gekomen. Zij schetsten de situatie. Het was ‘eergisteren’, donderdag tweede januari 1749, tijdens of net na zonsondergang. Dat moet rond tien over half vijf ‘s middags zijn geweest. ‘t Was bewolkt en wat koud. Lucia en Catarina bevonden zich in een huis aan de westzijde van de ‘s-Heerenstraete in Woensdrecht, Barbel in het huis van Jan Linders daar recht tegenover. Op dat moment hoorden zij een hollend paard over straat rennen, en schreeuwende kinderen; een dochter van Lucia en een dochter van Jan; Maria.

Lucia rende naar buiten, achter de twee meisjes aan die het huis van Jan Linders binnenrenden. Toen zag ze Elisabet liggen, in de “kant van het spoor van de weg” op haar rug. Ze stak haar hand uit en kreunde zachtjes. “Waerop zij deponente het selve kint heeft opgenomen en gevonden dat het selve aen het hooft was geraekt, en eenig bloet in de mont hadde, veroorsaekt soo het naderhant bleek, dat het kint op zijn tong had gebeeten”. Catarina en Barbel kwamen ook af op het geluid, en vonden Elisabet in de armen van Lucia. De verklaring moest volgens de getuigen zijn dat het hollend paard Elisabet geraakt of getrapt had. Het kindje werd naar binnen gebracht en overleed daar rond tien uur ‘s avonds. Het paard kwam niet uit het niets; de getuigen verklaarden dat zij van horen zeggen hadden dat die middag een paard van Nicolaes van Pageé op hol geslagen was, en had gelopen vanaf het huis ‘de Swaen’ tot aan de gemeentewerf. 

Op 28 mei van dat jaar werd er een voogd aangesteld over het minderjarige kind van Jan Leendertse, Maria. Dat betekent dat zijn vrouw Barbarina inmiddels was overleden, en dat ook zoon Leonardus niet meer leefde. 1749 moet een rampjaar geweest zijn voor mijn voorvader.. 

Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *