Vechten voor Napoleon

Dit is een onderzoekje wat nog lang niet af is, oftewel; er valt nog genoeg te onderzoeken. Echter ben ik eventjes met andere deelgebieden bezig. Ik presenteer u dan ook graag een kleine opsomming van voorouders en directe familie die vocht voor de Franse keizer. Waarbij ik er even vanuit ga dat u de nodige achtergronden bij dit tijdvak (Bataafse Republiek, koning Lodewijk, Waterloo, enz.) nog wel kent van school. De Fransen zaten sinds 1792 al in ‘t huidige België, delen van Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. In 1806 kwam hier mijn persoonlijke favoriet koning Lodewijk Napoleon (zie plaatje hierboven) regeren als staatshoofd van de nieuwe vazalstaat Holland. Het tot 1795 bezette Staats-Brabant ging volwaardig deel uitmaken van dit nieuwe land, nu als het département Brabant. Wat mij betreft bracht die Franse tijd hier meer goeds dan slechts; burgelijke stand (voor mij nog dagelijks handig), ‘t kadaster, een grondwet, ‘t metrieke stelsel, een seculiere staat. 

Index:

  • Knoet, Jean Jacques
  • Loos, Corneil
  • Van de Watering, Corneil
  • Vandelpoel, Jean
  • Hopmans, Jean
  • Scheurbiers, Corneile
  • Piquet, Theodore

In deze tijd ging mijn voorouder Joannes Jacobus Knoet (nummers KW184 en K25), ogenschijnlijk vrijwillig, in dienst. Zijn vader was al militair, dus zo’n stap zou niet heel opvallend zijn, zij ‘t niet dat hij op dat moment reeds vijf kinderen had bij zijn vrouw Barbara Pluijmen. Ik wist al dat hij op 28 maart 1809 werd aangenomen als recruut-fuselier voor ‘t Franse leger en op 30 maart 1809 op pad ging naar het derde regiment infanterie van de linie. Tot zover was enkel bekend dat Joannes in 1826 al jaren vermist was; in 1829 werd hij als overleden beschouwd. Ergens heb ik ook ooit gelezen dat hij in 1810 gesneuveld zou zijn, en dat bewijs hiervoor in Den Haag zou liggen. Meer antwoorden vond ik (net als over veel anderen in dit lijstje) bij de stamboeken uit die tijd van ‘t Franse ministerie van defensie. Hij werd ingeschreven (inventarisnummer 21Yc871, stamboeknummer 1864) als Jean Jacques Knoet, geboren te Bergen op Zoom op 28 maart 1780 als zoon van Jean Knoet en Jaques Hanevade. Hij was op 10 april 1809 aangekomen bij Napoleons leger, waar hij inderdaad als vrijwillig fuselier diende; ‘enrôlé volontaire’ werd er vermeld.

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

Op 17 september 1810 ging Joannes aan de slag als grenadier bij ‘t tweede bataljon grenadiers van het 124ste regiment infanterie van de linie. Zijn uiterlijk werd opgenomen en er werd gezegd dat hij deelnam aan de campagne van 1809. Belangrijker is de regel “deserté le .. 1813”, daar komen we zo op terug. Het 124ste regiment infanterie van de linie werd in 1810 heropgericht. Het was een Nederlands regiment; het werd gevormd uit het derde regiment ‘Hollandse’ infanterie en het eerste bataljon van het zevende regiment Hollandse infanterie. Bij dat eerste diende Jean Jacques Knoet als fuselier, hij werd dus mee overgeplaatst naar het 124ste regiment infanterie van linie. Hij diende toen als vrijwillig grenadier, eigenlijk als beroepsmilitair, tussen de Nederlandse dienstplichtigen. Onder kolonel Jean-Baptiste Lafitthe nam hij deel aan de veldtocht op Rusland in 1812. Dat hij daarvan terugkwam mag gerust een wonder heten. In 1813 sloten de Pruisen zich aan bij de Russen in hun strijd tegen Frankrijk en werden er meerdere veldslagen gevoerd in Oost-Duitsland. Ook hieraan nam ‘t 124ste regiment deel; de slag bij Lützen, de slag bij Bautzen, de slag bij Stettin en de slag bij Wittenberg. In dit jaar zou Knoet gedeserteerd zijn. Dan kan dus ook gewoon betekenen dat hij sneuvelde maar niet geregistreerd werd. Maar stel dat hij wel deserteerde.. Stel dat je al vier jaar vecht voor de keizer, en in 1812 allemaal jonge dienstplichtigen hebt leren kennen. Strijdmakkers, waarvan het overgrote deel niet met je mee terug marcheerde. En dan mag je opnieuw.. Kan je het hem kwalijk nemen? In ieder geval kwam hij niet terug. Misschien toch gesneuveld, of gestorven door uitputting of in krijgsgevangenschap. We weten ‘t niet.

Voor mijn voorouders was de Franse tijd minder fijn. ‘t Zal ze in Bergen op Zoom weinig uitgemaakt hebben of ze nu onder Den Haag of onder Parijs vielen. En dat de schuurkerken verleden tijd waren, zal zeker enige steun voor Napoleon hebben opgewekt (terwijl in Bels deze seculiere aanpak juist een hoop weerstand opleverde). Maar de nieuw ingevoerde dienstplicht was iets wat een hele grote impact had op de gezinnen van mijn voorouders. Die dienstplicht was nieuw; voorheen ging men in (vreemde) krijgsdienst voor ‘t geld, ‘t avontuur of omdat pa het ook had gedaan. Maar nu werden alle twintigjarige mannen zonder geldige uitzonderingspositie opgeroepen om ‘t leger in te gaan. Het invoeren van die conscriptie werd vóór 1810 al door Napoleon aan zijn broer, de koning van Holland, gevraagd, maar die had daar bezwaren tegen, wat hem uiteindelijk ook nekte als koning. In 1810 annexeerde de keizer het koninkrijk en was de dienstplicht een feit. 

Eén van de mannen die met deze nieuwe dienstplicht aan de slag kon was Corneil Loos, broer van Marijn Loos (1792-1865, kwartierstaatnummer 226). Corneil kwam op 13 april 1812 aan bij ‘t 36ste regiment infanterie van de linie. Hij werd ingeschreven in register 21Yc324 met stamboeknummer 9966. Vermeld werd dat hij geboren was te Halsteren op 20/2-1793, en “son dernier domicile était à Wouw, département du Deux Nethes, profession d’ Domestique.” Oftewel, hij woonde eerst in Wouw, en werkte van huis uit. Het 36ste regiment infanterie van de linie was, in tegenstelling tot veel andere regimenten die in dit lijstje voorkomen, geen ‘typisch Nederlands’ regiment. Waar veel Nederlandse jongens met de keizer zelf op weg gingen naar Rusland, was Corneils regiment in 1812 oorlog aan ‘t voeren in Spanje. Op 21 juli 1812 nam dit regiment deel aan de slag bij Castalla, waarbij ‘t keizerlijk leger vocht tegen één Spaans leger onder leiding van de Spaanse commandant Joseph O’Donnell. Op 22 juli 1812 vochten zij een slag uit bij Les Arapiles in Castilië tegen de Spanjaarden, Britten en Portugezen. Nu kon ‘t regiment niet in twee verschillende plaatsen tegelijk zijn, dus Corneil zal aan één van deze twee veldslagen deelgenomen hebben. In 1813 vocht ‘t regiment in San-Millan-Osma, Vitoria in Baskenland, bij de Nivelle, en bij de Nive, allemaal veldslagen in het kader van de ‘Spaanse onafhankelijkheidsoorlog’ van 1808-1814. Toch denk ik niet dat Corneil in 1813 in Spanje zat. Zijn stamboekinschrijving vermeld namelijk dat hij krijgsgevangen werd gemaakt in Dresden in dat jaar. Als dat ook werkelijk bij de slág van Dresden was, werd hij krijgsgevangen gemaakt door de Russen, Pruisen of Oostenrijkers. Ik ben Cornelis, op zijn doopakte na, niet meer tegengekomen in de West-Brabantse archieven. En da’s geen goed teken.

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

De slag bij Dresden door Antoine Charles Horace (Carle) Vernet (1758-1836) en Jacques François Swebach (1769-1823). (Afbeelding: Wikimedia Commons)

Nog een broer van een voorouder was Corneil van de Watering of van de Waeteringe. Hij was een broer van mijn voorouder Christiaan van de Watering (1785-1847, kwartierstaatnummer 134). Corneil was een vrijwilliger, en nog best een ambitieuze ook; hij diende in drie verschillende legeronderdelen, waarbij zijn ‘carrièrepad’ goed te zien is. Corneil werd dus ook drie keer ingeschreven in de Franse registers; in 1809 voor de 75ste cohorte (geboren te Wouw op 20/2-1789, zoon van Jean van de Waeteringe en Marie Ashofs, inventarisnummer 23Yc143, stamboeknummer 399), in 1812 voor ‘t 148ste regiment infanterie van die linie (geboren te Wouw op 20/2-1789, zoon van Jean van de Waeteringe en M. Afhofs, inventarisnummer 21Yc944, stamboeknummer 1198) en op een onbepaalde datum bij ‘t veertiende regiment kurassiers (geboren te Wouw op 20/2-1789, zoon van Jean van de Watering en Marie Ashaff, inventarisnummer 24Yc72, stamboeknummer 1191). Er zaten trouwens ook twee Rotterdamse neven van Corneil bij ‘t Franse leger: Hendrik Ashoff (*3/4-1787) en Jacobus Ashoff (*2/7-1790), zonen van Corneils oom en tante Hendrik Ashoff en Elisabeth (Lasia) Landsman. Hendrik diende bij ‘t 126ste regiment infanterie en Jacobus bij het ‘t negende regiment veldartillerie.

Corneil begon dus bij de 75ste cohorte, wat een soort schutterij was ter verdediging van het eigen département. Na de inlijving van ‘t koninkrijk Holland in 1810 werd zij belast met de bescherming van het arrondissement Breda binnen het département van de Twee Neten, waar Bergen op Zoom en Wouw onder vielen. J.G.M. Sanders schreef over de 75ste cohorte in zijn boek “Noord-Brabant in de Frans-Bataafse tijd, 1794-1814: een institutionele handleiding” (uitgeverij Verloren, Hilversum, 2002). Ik citeer: “De nationale garde was de Franse versie van de Nederlandse gewapende burgermacht of schutterij. Ze kende een indeling in cohorten. Na de inlijving bleef de Nederlandse schutterijorganisatie voorlopig bestaan, zij het dat zij in september 1810 de naam kreeg van de nationale garde van het departement van de Monden van de Rijn en dat van de Twee Nethen (voor het arrondissement Breda). In maart 1812 volgde een cohortegewijze organisatie. Het departement van de Monden van de Rijn vormde de 76e cohorte; het arrondissement Breda viel oner de 75e cohorte van de Twee Nethen. In eerste instantie was het de taak van de nationale garde het eigen departementale grondgebied te beveiligen en te verdedigen. In de laatste jaren van het Napoleontische bewind werd zij ook voor militaire taken elders ingezet. Na het fiasco in Rusland had Napoleon dringend behoefte aan nieuwe manschappen. Uit de nationale garde van geheel Frankrijk vormde hij een nieuwe krijgsmacht; leden van de cohortes gingen op in reguliere linie-infanterieregimenten. De 76e cohorte van het departement van de Monden van de Rijn ging in januari 1813 op in het 146e linie-infanterieregiment; de 75 cohorte van de Twee Nethen in het 148e regiment. Deze regimenten hebben in augustus/september 1813 deelgenomen aan de veldtocht in Duitsland.”

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

Département van de Twee Neten binnen ‘t Franse keizerrijk, 1810-1813. Kaartje door mijzelf, 2017. (Update 6/11-2017: ik ben ‘t kanton Ekeren vergeten. Dit kanton besloeg globaal de noordelijke helft van ‘t kanton Antwerpen.

Dit betekent dat Corneil na zijn taken voor de 75ste cohorte in zijn eigen regio min of meer automatisch overgeplaatst werd naar het 148ste regiment infanterie van de linie. Dit regiment nam, zoals Sanders schreef, deel aan de veldtocht in Duitsland, en wel aan de slagen bij de Bober, Goldberg en Löwenberg. In die laatste stad, het tegenwoordige Lwówek Śląski in Silezië in Polen, verbleef de keizer zelf van 21 augustus tot 23 augustus 1813 om een confrontatie met de Pruisen onder generaal Von Blücher voor te bereiden. Een paar dagen later versloegen diezelfde Pruisen ‘t Franse leger bij die stad, waarbij zo’n drieduizend Franse soldaten verdronken in de Bober. Bij Corneil werd vermeld: “présume prissonier à Lowenberg le 28 août 1813”. Men nam dus aan dat hij op die dag krijgsgevangene werd gemaakt door de Pruisen. Cornelis kwam trouwens wél terug van deze krijgsgevangenschap, want een ruim jaar later, op 19 oktober 1814, trouwde hij te Wouw met de Roosendaalse Jacoba Heijnen.

Corneil diende, zoals ik eerder schreef, bij nog een derde legeronderdeel: het veertiende regiment kurassiers. De datum daarvan heb ik echter niet kunnen achterhalen. Kurassiers waren onderdeel van de cavalerie, en waren op een slagveld de zwaarste eenheid te paard. Niet de makkelijkste taak dus. Het veertiende regiment onder Napoleon was een Nederlands regiment. 

‘t Mannetje bij de letter I geeft ‘t uniform van een cavalerist uit ‘t veertiende regiment kurassiers weer. (Afbeelding: M. van Grinsven)

Een aantal jaren later, op 26 november 1813, kwam Jean Vandelpoel aan op een Franse kazerne. Het was eigenlijk Johannes van der Poel, broer van Pieter Jan van der Poel (kwartierstaatnummer 102). Van hem werd vermeld dat hij geboren werd op 15 december 1793 te Woensdrecht als zoon van Corneil van der Poel en Jean Dooren; woonde te Woensdrecht, van huis uit werkte en op de lijst van dienstplichtigen van het kanton Bergen op Zoom stond met nummer 101. Hij kwam terecht bij het 22ste regiment infanterie van de linie (inventarisnummer 23Yc205 volgens ‘t Nederlandse ministerie van Defensie; gevonden op 21Yc205 bij het Franse ministerie van Defensie, met stamboeknummer 12.415) op, zoals gezegd, 26 november 1813.

Het ’22ste’ was, in tegenstelling tot veel hierboven vermeldde regimenten, geen typisch Nederlands regiment. ‘t Regiment had deelgenomen aan de ‘campagne d’Allemagne’, en dus ook aan de eerder genoemde slag bij Leipzig op 16, 17, 18 en 19 oktober 1813 tegen de zesde coalitie; de Russen, Saksen, Oostenrijkers, Zweden en Pruisen. Deze slag was nogal rampzalig verlopen en er vielen aan Franse zijden 38.000 doden en gewonden te betreuren; wat dus ook haar weerslag had op het 22ste regiment infanterie van de linie. Het ging in ‘t algemeen niet zo goed met Napoleons keizerrijk en dus moest het regiment aangevuld worden met extra dienstplichtingen. De groep waar Jean bij zat was een groep West-Brabantse jongens, die waarschijnlijk samen naar het garnizoen marcheerden waar hun nieuwe regiment zat. Ze kwamen allemaal op dezelfde dag aan; uit Woensdrecht Jean Vandelpoel, Henry Laanen en Pierre Quist, uit Bergen op Zoom Henry Gerard Dalemans, Geert VanDebeld en Corneil VanKastel uit Willemstad, Guillaume Gouten en Jacques Nollen uit Klundert, Thomas Vegers uit Leur, Jean Vissens uit Gastel, Jean Vermeulen en Geraerd Vandennoord uit Made, Corneil Coebak, Adrien Vandiek, Henry Tempelaers, Simon Janssens, Adrien van Dongen, Adrien Moerenhout, Jacques Gladins, Antoine Vangool, Pierre Vanvessem, Jacques Rasemberg, Corneil Deveerd, Adrien Stallen, Corneil Jean Verhoeven en Sébastien Devries uit Oosterhout, Pierre Verwaeter, Chrétien Bachelier, Jean Jozen en Thomas Ligthaert uit Terheijden, Léonard Vanbavel uit Chaam, Pierre Naelden uit Princenhage en enkele tientallen Bredanaars.

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

In 1814 was het 22ste regiment infanterie van de linie gelegerd in Maastricht en maakte ‘t deel uit van het ‘armée d’Hollande’. Het kan goed zijn dat het regiment na de veldslagen in Duitsland in 1813 al naar Maastricht gekomen was. In 1814 nam het regiment deel aan de zesdaagse veldtocht; een laatste reeks overwinningen voor Napoleon die van doen hadden met de verdediging van de omgeving van zijn hoofdkwartier Parijs. Jean vocht onder meer in de slag bij Vauchamps tegen de Pruisen. Hoe dan ook werd Parijs eind maart 1814 ingenomen door de Pruisen en de Russen, werd Napoleon verbannen naar Elba en kwam deze toffe peer in Frankrijk aan de macht. Bij Jean werd vermeld: “congédié comme étranges le 5 mai 1814”, wat zoveel wil zeggen als dat hij door de buitenlandse machten ontslagen werd. De oorlog was voorbij. Althans, voor hem, het 22ste regiment nam in 1815 nog deel aan de slag bij Waterloo maar ik weet bijna zeker dat Jean daar niet in meevocht. In de lijsten van vermiste Brabantse soldaten onder Napoleon in de Brabantse Leeuw (J. van Gils, jaargang 1989) vond ik één soldaat die een van de jongens uit Jeans ploeg zou kunnen zijn: Govert van de Noot uit Made, 24 jaar in 1814, lichting 19/11-1813. 

Het is nu ondertussen een lijstje wat een mooi tijdsbeeld geeft tussen de globale opkomst van en neergang van de Fransen in onze streken. Er staat maar één directe voorouder van mij tussen. En er waren er twee (of drie, als je Corneille van Ginneken meerekent). De tweede voorouder was Jean Hopmans (kwartierstaatnummer 252). Volgens de index op inschrijvingen van Nederlandse militairen onder Napoleon deed hij dienst in het eerste bataljon pontonniers in een regiment. Hij was volgens die inschrijving geboren te Bergen op Zoom op 24/10-1789 als zoon van Inatherie Hopmans en Marie Cath. Melsen. Vermeld werd het inventarisnummer: 25Yc224, en het stamboeknummer: 2697. Zijn inschrijving vond ik niet in de door Frankrijk online openbaar gemaakte registers. Wat ik wel enigzins kan achterhalen is wat Jean deed bij ‘t Franse leger. Om dat duidelijk te krijgen gaan we terug naar 1812; naar de veldtocht op Rusland waar ik bij Jean Jacques Knoet al over schreef. 

Pontonniers hadden als taak het aanleggen van (tijdelijke) bruggen over rivieren in tijden van oorlog, door middel van pontons. ‘t Corps Pontonniers van de keizer was in 1792 opgericht in Straatsburg; en bevatte in ‘t begin vooral soldaten uit de Elzas; zij hadden zeg maar wat meer ervaring met rivieren vanwege de Rijn. Wie ook veel ervaring hadden met rivieren waren de Nederlanders. Officier Georg Diederich Benthien werd in 1812 beroemd bij ‘t terugtrekken van Moskou. Bij de Berezina bouwde hij met zijn vierhonderd Nederlandse pontonniers een brug over de met ijsschotsen bekleedde rivier, waarover Napoleon met zijn gevolg en wat er aan soldaten over was zich kon terugtrekken richting Polen, terwijl zij verdedigd werden door Nederlandse infanteristen en Nederlandse kurassiers. Noem ‘t maar gerust een heldenrol, dus. Maar die heldenrol was niet zonder prijs. Van de vierhonderd pontonniers overleefde slechts Benthien zelf met zes soldaten. 

Ik heb geen gegevens die meer kunnen vertellen over de datum waarop Jean in dienst ging bij dit bataljon. Je zou theoretisch dus kunnen zeggen dat hij in 1812 meeging naar Rusland. Echter, dat zou betekenen dat hij één van de zes overlevenden was, anders had ik hier nu niet achter m’n macbook gezeten. Waarschijnlijker is dat hij in 1812 nog op ‘t land werkte bij zijn boerderij op de Bergse Klavervelden. Zoals de keizer vaker deed na een groot verlies van manschappen schaalde hij gewoon ‘t aantal opgeroepen dienstplichtigen op, en schoof hij wat met regimenten. Op 18 november 1813 bestond ‘t eerste bataljon pontonniers uit veertien compagnies, hoogstwaarschijnlijk diende Jean bij één daarvan. In 1813 vochten de Fransen in Spanje en Duitsland, dus er zal genoeg werk geweest zijn; wat overigens niet wil zeggen dat Jean verstand moest hebben van water of boten op zich, hij kan ook gesjouwd of getimmerd hebben. 

‘Kapitein Benthien aan de Beresina’, schilderij door Lourens Alma Tadema, gemaakt rond 1859/1869. (Afbeelding: Wikimedia Commons)

Nog twee te gaan. Voor ik over die twee ga schrijven wil ik graag even mijn voorouder Cornelis van Ginneken (kwartierstaatnummer 130) vermelden. In 2014 schreef ik reeds over zijn inzet voor de keizer aan de hand van een uitgereikte Sint-Helenamedaille in de jaren 1850, maar de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik tot op vandaag niet zeker weet of het hier mijn voorouder betreft of een broer van hem. Dit vergt verder onderzoek, iets waar ik nu even geen tijd voor heb (de volgende vijftien artikelen staan al in de wachtrij), maar ik wilde hem niet laten ontbreken in dit lijstje.

Corneile Scheurbiers werd in de Franse tijd opgenomen in de 75ste cohorte, dezelfde eenheid als waar Corneil van de Waeteringe in diende; een schutterij ter verdediging van zijn eigen département. Hij werd volgens de Franse registers geboren te Bergen op Zoom op 13 februari 1788 als zoon van Chritien Scheurbiers en Clara van Meer, en was daarmee een broer van mijn voorouder Pieter Schuurbiers (kwartierstaatnummer 174). Het inventarisnummer van zijn inschrijving is 23Yv143, het stamboeknummer is 672. Mocht er iemand ooit naar Vincennes afreizen; ik zie graag een kopie van deze inschrijving tegemoet. Hetzelfde geldt voor Theodore Piquet, geboren op 3 juni 1784 te Bergen op Zoom als zoon van Arnoud Piquet en ‘Anne Marie B’. Hij was daarmee een broer van mijn voorouder Anna Catharina Piquet (kwartierstaatnummer 165). Theodore’s ouders hadden van doen met de Waalse kerk in Berrege en daarmee stond hij dus van alle soldaten in dit lijstje ‘t dichtste bij de Franse cultuur. Hij diende bij het 33ste regiment lichte infanterie (‘infanterie légère’ in ‘t frans), waarvoor hij werd ingeschreven in ‘t register 22Yc234 met stamboeknummer 286. Dit regiment werd in 1808 opgericht uit wat groepjes soldaten die in Spanje vochten, maar werd in 1809 opgeheven. Doch een jaar later werd zij weer opgericht uit ‘Hollandse’ troepen. We hebben ‘t dan over 1810, dus het kan goed zijn dat Theodore als één van de eerste Bergse dienstplichtigen aan de slag moest.

Van het ’33ième régiment d’infanterie légère’ is bekend dat zij vocht in ‘Slusk’ en ‘Krasnoe’. Als we weten dat met Krasnoe de slag bij Krasnoï bedoeld werd, kunnen we er ook vanuit gaan dat ‘Slusk’ de slag bij Smolensk was. Krasny en Smolensk waren twee plaatsen die de ‘Grande Armée’ van Napoleon aandeed op zijn terugtocht vanuit Moskou. Op 18 november 1812 vertrokken de Fransen uit Moskou en op 9 november kwamen ze aan in Smolensk (bij de huidige grens met Wit-Rusland), nog steeds bedreigd door Russische troepen. Van de soldaten die er over waren was er nog slechts veertig procent bewapend, en dan hebben we ‘t nog niet over de omstandigheden op de reis die ze hadden gemaakt vanuit Moskou: temperaturen onder nul, honger, een tekort aan paarden en andere materialen en constante aanvallen door Russen en Kozakken. Napoleon kreeg een nieuw idee: ze moesten naar Minsk zien te komen; daar stond een groot Frans voorraaddepot.

‘De nachtbivak van het Napoleontische leger bij ‘t terugtrekken uit Rusland in 1812.’ Schilderij door Vasily Vereshchagin rond 1896/1897, Historisch Museum Moskou. (Afbeelding: Wikimedia Commons)

De keizer had al langere tijd geen contact meer met de Russische veldmaarschalk Kutuzov. Hij veronderstelde dan ook onterecht dat de Russen ook zo moesten lijden onder ‘t weer, wat nog wel wat slechter geworden was. En dus liep de Grande Armée niet ingedeeld in regimenten in gevechtsstand naar Krasnoï, maar in lange rijen, gemengd met arme locals. Een begrijpelijke houding als je zo uitgeput en uitgehongerd bent, zeg maar. De Russen bleken daar niet gevoelig voor; de verraderlijke kozakken evenmin. Wat volgde was die slag bij Krasnoï, wéér een klap voor de Grande Armée in Rusland. Dit moet voor Theodore een enorme slag zijn geweest. Omdat het 33ste regiment deze twee steden aandeed, lijkt het me logisch dat ze ook in Moskou waren eerder, maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Dit laatste verhaal is er een met een tragisch einde. In ‘t Bergs archief vond ik slechts twee aktes waarin Theodore vermeld werd. De eerste betrof zijn katholieke doop op 5 november 1780 te Bergen op Zoom. In een tweede akte was hij getuige bij de doop van zijn neef en mijn voorouder Theodorus Bosman (kwartierstaatnummer 82) op 13 juni 1799 te Bergen op Zoom. Daarna is niets meer over hem te vinden. Ik ben bang dat we kunnen concluderen dat hij niet terugkwam. 

 

Afbeelding: Wikimedia Commons

Wat kan ik hier als slot opschrijven? In 1857 had Frankrijk weer een koning, Napoleon III. Hij loste in dat jaar één van de punten uit ‘t testament van de keizer in; alle veteranen uit de periode 1792-1815 werden onderscheiden met de Sint-Helenamedaille. Tenminste, dat was de bedoeling. Als deze medaille al uitgereikt werd aan een Nederlandse veteraan, was het niet gebruikelijk dat hij ‘m droeg. Geschiedenis wordt tenslotte geschreven door overwinnaars. “Aux compagnons de gloire Napoleon 1er” stond er op ‘t doosje. En er zat een certificaat als op de afbeelding hierboven bij. Jean Hopmans zou er als ‘t goed is een gehad moeten hebben. Ik beeld ‘t me even in: “le grand chancelier de l’ordre impérial de la Legion d’Honneur certifie que Monsieur Hopmans, (Jean), de Berg-op-Zoom (Pays-Bas) ayant servi durant la période de 1792 à 1815 a reçu la Medaille de S’te Hélène.” Natuurlijk, de keizer was hard en rücksichtlos te werk gegaan, en zijn enorme leger heeft veel moeten doorstaan voor zijn vrij idiote plannen met Europa. Maar ‘t continent is er niet slechter op geworden; ‘t Ancienne Régime was definitief voorbij. En de band tussen Napoleon en zijn soldaten was altijd goed geweest. Dit was tenslotte geen huurleger, deze soldaten hoorden bij het land waar ze voor vochten. Ik denk dat als je één van deze voorouders die teruggekomen waren zou vragen terug te kijken, dat ze best trots waren.

 

Gebruikte bronnen (waar nog niet reeds in dit artikel vermeld):

  • T. Roep & C. Loerakker: Van Nul tot Nu deel 2, Big Balloon Publishers, 1985
  • ‘Mémoires des Hommes’, website van de archiefdienst van het Franse ministerie van Defensie
  • Napoleon-series.org
  • CBG Den Haag
  • Nederlands Ministerie van Defensie voor de index
  • DTB-boeken uit ‘t stadsarchief Rotterdam
  • Huwelijksregister Wouw 1814
  • RK Doopboek Bergen op Zoom 1797-1808
  • RK Doopboek Bergen op Zoom 1768-1780

 

 

 

Deel dit artikel

Plaatsaanduidingen in de Bergse Buitenpoorterij (1812)

In de Bergse bevolkingsregisters begin 19e eeuw werd bij de sectie Buitenpoorterij zelden een nadere plaatsaanduiding vermeld. Behalve in de Franse tijd. In half frans, half nederlands werd de naam van straat of nabije hoeve vermeld. De huisnummers zijn hetzelfde als die in de wijklijsten van 1814 en 1815; bij die registers werd weer een huiseigenaar genoteerd zodat de plaats te koppelen is aan het kadaster over 1811-1832. Hieronder zette ik de plaatsaanduidingen uit 1812 op een rij, voor mede-onderzoekers. Er werd begonnen met Oud-Borgvliet (omvatte in ieder geval ’t Fort-Zeekant, de Augustapolder, delen van de Wouwse Plantage en Antwerpschestraatweg e.o.) en de telling begint daarna op nieuw met ‘Wouwscheweg’, de huidige Wouwschestraatweg. Toponiemen als ‘Clavervelden’, ‘Zéesuiper’, de Kragge, Vreedenburg (bij camping Vreedenburg), de Bommesee, en Bloemendaal (zuidkant van Meilust) kennen we nu nog wel. De andere zijn bijna allemaal te koppelen aan de scans van ‘t kadaster van de Dienst voor ’t Nationaal Erfgoed.

Sectie K (1812)

  • 1 t/m 11: Borgvliet
  • 13 t/m 23: Borgvlied
  • 1 t/m 7: Wouwscheweg
  • 9 t/m 14: Wouwscheweg
  • 15: Waalequartier
  • 16 & 17: Wouwscheweg
  • 19 & 20: Wouwscheweg
  • 22: in de Leegt
  • 23: de Leegt
  • 25: Clavervelden
  • 26: Vijfhoek
  • 27: de Lint
  • 28: Zéesuiper
  • 29: Zeezuiper
  • 31: Eengsmeer
  • 33: Wouwscheweg
  • 34 & 35: Zeesuiper
  • 36: de Kragge
  • 37: Leeuwerk
  • 39: Middelkragge
  • 40: Dernier Kragge
  • 43: Middelkragge
  • 46 & 47: Klijnen Drol
  • 49: Zandstraat
  • 50: Laagelint
  • 53: Jagersrust
  • 56 t/m 61: Zandstraat
  • 63: Zandstraat
  • 68-2: Vreedenburg
  • 69: Vreedenburg
  • 70: Bloemendaal
  • 71: la ferme Bleekerij
  • 72: de Kraaij
  • 74: Bommesée
  • 75: Zoomrust
  • 77: Baarsvlied, dans la ligne
  • 79: Bloemendaal
  • 82 & 83: Meylust
  • 85: Steenhoven
  • 86 & 87: Bommesée
  • 89: Meylust
  • 90: Kragge
Deel dit artikel

Kaarten: Zeeland in 1580 en 1812

kaartje1

Ik blijf nog heel even kaartjes maken. In 1546, óf in 1560, óf in 1580, vlak vóór de 80-jarige oorlog, maakte beroemd kaartenmaker Jacob van Deventer een kaart van ‘t gewest Zeeland en omgeving. Toen ik net bekend raakte met geschiedenis leerde ik deze kaart al kennen; ze viel me vooral op omdat bij ‘t dorp waar ik opgroeide, Halsteren, twee puntjes stonden die ik niet kende, Polder en S. Quirijn. Op Polder kom ik subiet terug, maar met S. Quirijn wilde Van Deventer simpelweg de kapel voor Sint-Quirinus, de tweede beschermheilige van Halsteren naast Sint Maarten, aanduiden.

Deze gedetailleerde en ook goed leesbare kaart van de Zeeuwse eilanden leek me een mooi vervolg op ‘t kaartje van de bevolkingsgroei in West-Brabant die ik hiervoor maakte: daarop was als men goed keek te zien dat ‘t relatieve aantal gemeenten in Zeeland veel groter was, en de gemeenten waren kleiner. De kleigronden waren natuurlijk van oudsher ‘meer waard’ dan de Brabantse zand-, bos- en heidegronden en dus dichter bevolkt. Vergelijk bovenstaande kaart ‘ns met de kaart hieronder, die de gemeenten van Zeeland weergeeft in 1812 (bewerkt naar gegevens uit de databank van Hic Sunt Leones)

2

Allereerst wat over Jacob van Deventer. Hij werd waarschijnlijk geboren in Kampen (Overijssel) rond 1500/1505, en studeerde vanaf 1520 aan de Universiteit van Leuven. Hij overleed te Keulen in 1575, wat aannemelijk maakt dat de ingekleurde kaart die ik gebruikte voor mijn ‘remake’ zelf ook een remake is, en dan waarschijnlijk van deze kaart. Van Deventer maakte veel kaarten en plattegronden, vooral van steden in de Nederlanden. Hieronder zal ik aan de hand van de ingekleurde versie wat verder uitweiden over dingen die mij opvielen bij ‘t bewerken van Van Deventers kaart.

 

Wat opvalt aan de kaart in z’n algemeen: ze is gemaakt vóór de 80-jarige oorlog begon: de Republiek bestond nog niet en Zeeland was nog katholiek. Da’s ook goed te zien aan de kloosters die Van Deventer heeft aangeduid. Vlaanderen en Brabant hebben dezelfde kleur om één of andere reden, maar Wulpen en Biervliet, twee eilandjes in de Westerschelde, hebben dan weer hun eigen kleur.

kaartje 3

Goedereede

Ik dacht eigenlijk dat Goeree (of Goedereede) alleen de naam van het eiland was, maar er ligt ook een gelijknamige stad op! Belangrijk detail is dat Goeree-Overflakkee door Van Deventer tot Zeeland werd gerekend (maar niet helemaal, zie Bommenede en Sommelsdijk). Ik weet dat in ieder geval de Zeeuwen en Flakkeeërs nogal wat strijd hebben, maar feitelijk is het eiland meer Zeeuws dan wat anders. Kijk bijvoorbeeld ‘ns naar Goeree’s Wikipedia-artikel“Goedereede (Zeeuws: Goeree) is een stad en voormalige gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland”.

goeree

Bommenede en Sommelsdijk

Allereerst Bommenee: een verdronken stad à la Reimerswaal. Het lag op het noordelijkste puntje van Schouwen, maar was Hollands gebied tot de Staten van Holland beseften dat ze wel erg veel geld moesten inleggen om de stad droog te houden en ze in 1687 overdroeg aan Zeeland. Bommenede was wel tot in de 19e eeuw een eigen gemeente! Hetzelfde verhaal maar dan omgekeerd gaat over Sommelsdijk, op de kaart aangegeven als ‘Somerdijck’. Dit dorp op Flakkee hoorde juist van oudsher weer bij Zeeland. Een aantal van mijn Thoolse en Reimerswaalse voorouders woonden tijdelijk in Sommelsdijk, voornamelijk om werkzaam te zijn in de meekrapteelt. Mijn voorvader Marinus Philips Camhoot bijvoorbeeld (1642-1677, zie kwartierstaatnummer 6766) of mijn voorvader Job Kerpel (1690-, zie kwartierstaatnummer 1692). Zij werden er zelfs geboren. Van Deventer (of diegene die zijn kaart rond 1580 heeft ingekleurd) mag dan Goeree en Overflakkee dezelfde kleur gegeven hebben als Zeeland, hij was schijnbaar wel op de hoogte van deze twee enclaves, want rondom Bommenede en Sommelsdijk tekende hij een klein stippellijntje.

sommelsdijk

Voorne-Putten

Eiland of waard (zijn ze volgens mij niet helemaal over uit) ten zuiden van Rotterdam. Onder anderen Den Briel ligt erop, de stad die Alva op één april verloor. Verwarrend was dat Van Deventer zowel Voorne-Putten als Flakkee aanduidde met “Voorn”. Dat wordt weer verklaard uit ‘t gegeven dat Goeree, het eiland waar Goedereede en Ouddorp op liggen, vroeger werd aangeduid als Westvoorne. Waarom weet ik niet, maar het maakt wel aannemelijk dat Flakkee dan “Oostvoorne” of iets van die strekking genoemd werd.

Dordrecht

Vraagje aan de locals. Ik heb Dordrecht eigenlijk van mijn eigen bewerking afgesneden, maar op Van Deventers originele kaart is het goed te zien: de stad staat bijna in z’n geheel onder water. Was dat echt zo? Ik dacht altijd dat Dordrecht tot ver in de gouden eeuw één van de meest bloeiende steden van Holland was! Stuur mij even ‘n berichtje als u meer weet.

dordrecht

Raamsdonk

Onderstaand inzetje kan ik prima lezen: het is ongeveer het gebied wat nu zo’n beetje geldt als “poort naar de Biesbosch”. In de Biesbosch lagen trouwens ook dorpjes vroeger (volgens de overlevering zelfs “72 parochies”, maar de verdronken dorpjes zijn niet aangegeven zoals in bijvoorbeeld in verdronken land van Zuid-Beveland (zie verderop deze pagina). Dat komt waarschijnlijk omdat de Biesbosch al in 1421 volliep, simpelweg te lang geleden om herinnert te worden. Bon, hieronder staan dus “S Geertrudenberge”, Geertruidenberg, “Waspijck”, Waspik, “Oisterhout”, Oosterhout en “Houte”, Den Hout (overigens het dorpje wat maakt dat Oosterhout Oosterhout heet). Bovenin zien we, aan “doude Maes”, Raemsdonc liggen, maar wat ligt eronder? Is dat een klooster?

raamsdonk

Op onderstaande uitsnede van de zwart-wit-variant is het wat beter te lezen: “Chartusers”..

raemsdonc

Onser Vrou op See

Was een kapel in de duinen van Schouwen, bij Renesse. Zij werd in de 15e en 16e eeuw gebruikt als een soort strafbedevaartsplaats door de stad Zierikzee. Rond te tijd dat deze kaart getekend werd ging ‘t kapelletje ten onder aan zandverstuivingen. (Bron: Meertens Instituut)

onser vrou op see

Westenschouwen

Lijkt een geografische aanduiding, maar dit is daadwerkelijk een dorpje bij de Schouwense duinen. In 1816 werd de gemeente als opgeheven, ze valt tegenwoordig onder Burgh-Haamstede. Over Westenschouwen en haar in 1845 afgebroken kerktoren bestaat een mooie legende, met in de hoofdrol een zeemeermin. De duinen van Schouwen hebben trouwens sowieso mijn interesse, ze zijn erg breed en de landschappen doen niet erg Zeeuws aan. Ze zijn zelfs zó breed dat men er vroeger ook in woonde: kijk maar naar de familie Beijers van Voxdael, de voorouders van Cathelijne Beyers uit Wuustwezel (1641-1694, kwartierstaatnummer 4279). Die familie kwam via Ossendrecht uit het ‘Voxdael’ (vrij vertaald Vossendal), “een half uur gaans van Heemstede”, waar ze in de 14e eeuw woonde. Dat moet ergens hier geweest zijn.

westenschouwen

Bossen_bij_WestenschouwenBossen en een ven bij Westenschouwen. Dit plaatje zou men eerder van de Brabantse Wal verwachten dan van Schouwen, niet? (Afbeelding: Lymantria/Wikimedia Commons)

Oisterstein

Geen dorp maar een oud kasteel, gelegen bij Oosterland op Duiveland, waarvan de vroegste delen rond 1360 gebouwd werden.

oisterstein

Sint-Philipsland en Moggershil

Aangeduid als “Phs landt”, was één van de verdronken dorpen rond Tholen die rond 1600 herbedijkt en opnieuw bevolkt werden. Bijvoorbeeld door het echtpaar Arent Rochusse Steen (1649-1722, kwartierstaatnummer 6682) en Janneken Aelbrechts van de Luijster (*1647, kwartierstaatnummer 6683). Hij kwam uit Kapelle en zij uit Biezelinge. Op die schaal is dat nooit gebeurd bij ‘t nabijgelegen Moggershil. Dit dorpje wat voor ‘t eerst in 1440 in de archieven voorkomt verdrinkt waarschijnlijk bij de Allerheiligenvloed van 1570, maar komt nog tot 1631 op kaarten voor als een dorp op het land. Mijn voorouder Gillis Jobs (*rond 1555, kwartierstaatnummer 53.988) werd in Moggershil geboren.

flupland

Stavenisse

Bij Stavenisse ging ‘t ongeveer hetzelfde als bij Sint Philipsland en Noord-Beveland, alleen kwamen op de herbedijking van laatste veel buitenlandse immigranten af. Ik heb best wel wat voorouders in Stavenisse, maar bijna niet vóór 1600. Ze kwamen bijvoorbeeld uit Oud-Beijerland (Arent Stoutkensdijck, kwartierstaatnummer 26.928), ‘t naburige Scherpenisse (Neeltje Jacobse Priem, kwartierstaatnummer 26.931), Sint-Maartensdijk (Abel Abels, kwartierstaatnummer 26.956) of Woensdrecht (Hendrik Cornelisz Steendijk, kwartierstaatnummer 13.496). Bij ‘t maken van de kaart stond Stavenisse nog onder water, maar ze was nog niet vergeten..

Stavenisse

Westkerke

Er zijn veel Westkerke’s in Zeeland en Vlaanderen. Eén daarvan is Westkerke onder Scherpenisse. Er is weinig meer van over, wat rest zijn een vliedberg (of terp, werve, wierd, zo u wilt) over, die al bestond rond het jaar 1000 (!), een paar huizen en een adellijk geslacht. Opvallend: Westkerke zou tot 1816 een zelfstandige gemeente zijn geweest, maar was volgens andere bronnen (die ik gebruikt heb voor het kaartje van Zeeuwse gemeenten bovenaan) al bij de vorming van de Nederlandse gemeenten in 1812 deel van Scherpenisse.

westkercke

‘s-Heer Boudewijnspolder of Polre

Een verdronken dorp bij Halsteren waar bijna niemand meer vanaf weet. Het lag in de huidige Auvergnepolder tussen Halsteren en Tholen. Ik wil u allemaal aanraden om het boek “Polre” van P.J.M. van de Watering te lezen, hoe het begin en einde van dit dorpje tot op elk detail is gereconstrueerd. De Auvergnepolder werd, samen met de Glymespolder (beiden vernoemd naar Bergse markiezen) in de 18e eeuw opnieuw ingepolderd.

polre

Hildernisse

Op het mooiste plekje van de Brabantse Wal ligt een unieke vloedboerderij, een laatste restant van Hildernisse; een verdronken dorp dat een Zeeuwse enclave vormde op de Brabantse oostkust van de Oosterschelde. 

hildernisse

Verdronken land van Zuid-Beveland

Over Reimerswaal, haar omgeving en hun treurige lot zou je een boek kunnen schrijven. Daarom wil ik er niet te diep op ingaan, maar ‘t beperken tot de naampjes op de kaart en mijn voorouders uit het verdronken land.

Leuk aan deze kaart is dat de dorpen in het verdronken land apart aangeduid zijn: we zien Couwerue (Couwerve), Lodijck (Lodijke), Reijmerswale (Reimerswaal), Yrsukeroirt (Yersekeroort), Duuene (Duvenee), Nieukerke (Nieuwkerke), Brouc (Brouck), Creek (Kreke), Tolsende (Tolseinde), Nieulande (Nieuwlande), Steenbleij (Steenvliet), Crabbendijck (kennen we nog steeds als Krabbendijke), Scodee (Schoudee), Oweringe (Overinge?), Ewerswart (Everswart), Maren (Maire), Rijlandt (Rilland), Inckelenoirt (Hinkelenoord bij Woensdrecht), tBadt (Bath) en Agger. In mijn stamboom zijn enkele voorouders te zien die uit Reimerswaal vluchtte toen deze stad door meerdere watersnoodrampen ten onder ging. Bijvoorbeeld: Jan Jobse Cerpel (kwartierstaatnummer 13.536). Geboren rond 1600 te Reimerswaal, huwde in 1630 te Sommelsdijk, maar woonde waarschijnlijk grootste deel van de tijd in Tholen. Leentken Cornelis (kwartierstaatnummer 12.751), kwam uit Reimerswaal en huwde in 1606 met de Oosterhoutse pottenbakker Adriaen Vetten. Zij woonden in Bergen op Zoom. De kinderen van het echtpaar Jacob Moeijelijcker en Willemken Willems (kwartierstaatnummers 13.520 en 13.521) kwamen vanuit Reimerswaal terecht in Tholen. Herman Heijnericksz van Gulijck (kwartierstaatnummer 53.982) vluchtte in 1615 met zijn vrouw Anna uit Reimerswaal naar Scherpenisse, waar hij zijn beroep als schipper voortzette. Of Clement Lievense Mol (kwartierstaatnummer 13.528) en Adriaen Jans Camhoot (kwartierstaatnummer 27.064), die allebei rond 1600 uit Reimerswaal in Tholen terecht kwamen. 

Opvallend is dat ik nog nooit een “vluchteling” gezien heb die uit één van de verdronken dorpen kwam, er wordt bijna altijd enkel Reimerswaal aangegeven. Echter, er is een aanwijzing die ik kan benoemen. Die ligt bij mijn voorouder David de Jonge (*Goes, rond 1600, overleden te Colijnsplaat, 1645, kwartierstaatnummer 11.958). Hij was een zoon van kleermaker Sacharias de Jonge (*Breda, poorter van Goes in 1594) en Maijcken Cornelisdr. van Duvenee. Zij waren op 13 september 1587 gehuwd te ‘s-Heer Arendskerke. In haar achternaam zien we Duvenee, een van de verdronken dorpen ten oosten van Yerseke. Overigens heb ik in hun familie geen daadwerkelijke geboorten gezien in dat dorp: haar vroegst bekende voorvader (overgrootvader) Cornelis van Duvenee (kwartierstaatnummer 191.336) werd geboren rond 1485. Hij was schepen te Goes (1507-1510), burgemeester van Goes (1513-1516), “zangmeester van de zeven getijden” en dijkgraaf bewesten Yerseke. En dat laatste is dus geen verdronken land.

reimerswaal

Ten slotte zijn er nog een paar mooie herinneringen aan deze onbekende dorpen over: ingekleurde tekeningen van beeldbepalende kerken en kastelen gemaakt in ‘t begin van de 17e eeuw.

brouck

Brouck of “Den Brouek” in 1624. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

yersekeroirt

Het tolhuis van “Yersickeroirt”, wat ongeveer ter hoogte van de huidige Bergse Plaat lag. Tekening uit 1625. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

1607 Reimerswaal

Zicht op Reimerswaal in 1607. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

1613 nieuwkerke

Nieuwkerke in 1613. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

1614 duvenee kerk

Ruïnes van de kerk van Duvenee in 1614. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

1615 couwerve

Ruïnes van waarschijnlijk de kerk van Couwerve in 1615. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

1616 tolseinde

Tolseinde in 1616. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

1623 Steenvliet

Steenvliet in 1623. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

everswart kerk 1620

Ruïnes van de kerk van Everswart in 1620. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

kreke kerk 1623

Ruïnes van de kerk van Kreke in 1623. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

nieuwlande 1617

Nieuwlande in 1617. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

schoudee 1619

Schoudee in 1619. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

vinckenisse 1621

Vinckenisse in 1621. (Afbeelding: Zeeuws Archief)

bath

De toren van Bath, getekend aan de noordzijde en de oostzijde, in 1631-1636 door Claes Jansz. Visscher. (Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam/Zeeuwse Bibliotheek)

Valkenisse

Valkenisse aan de Westerschelde en Nieuwlande, in het stukje hierboven genoemd, waren twee verdronken dorpen die in 1812 nog hun eigen gemeente ‘kregen’. Nieuwlande werd in 1816 bij Krabbendijke gevoegd. Valkenisse had een net wat andere geschiedenis dan andere verdronken dorpen in ‘t gebied: de Allerheiligenvloed van 1570 had tot gevolg dat het dorp aan de oostkust van Zuid-Beveland kwam te liggen: Rilland-Bath e.o. waren immers overstroomd. Bij een stormvloed van 1682 verging ook Valkenisse, maar een deel van de polders bleef bespaard en zo bleef ook de gemeente voortbestaan. In 1816 werd de gemeente toegevoegd aan Waarde; toch werd in 1846 het inwonertal nog als tachtig vermeld.

valckenisse

Honte

De Honte” is, in de bekendste uitleg, simpelweg een oude benaming voor de Westerschelde. Pas rond 1500 werd de Westerschelde de hoofdverbinding tussen de Schelde bij Antwerpen en de Noordzee, iets wat erg belangrijk was voor omliggende dorpen en steden. Zo raakte Bergen op Zoom bij ‘t ‘verplaatsen’ van de hoofdarm van de Schelde in verval. Merk op hoe Van Deventer de Oosterschelde “Scaldis fl.” noemt, waarmee hij ze benoemde als ‘hoofdloop’ van de Schelde door Zeeland.

honte

Kwadendamme

Deze katholieke enclave in de ‘zak van Zuid-Beveland’ staat nog niet op deze kaart. Het is zelfs nooit een gemeente geweest: we moeten het plaatsen bij Oidekeskercke/Hoedekenskerke. Toch wil ik dit dorp graag benoemen, ten eerste omdat het wat vreemd is dat dit dorpje niét op Van Deventers kaart staat, ten tweede omdat het in de geschiedenis niet makkelijk geweest moet zijn een katholiek dorp staande te houden in dit deel van Zeeland en ten derde omdat Kwadendamme de “opvolger” zou zijn van een verdronken dorp aan de oostkant van de dijk: Oostende. Dit eigendraadse dorp kent u misschien tegenwoordig van de tropische dierentuin, de stroomtrein, ‘t lokale bier, of het bluesfestival.

oidekeskercke

Sinoutskerke en Baarsdorp

Deze twee dorpjes ten zuidwesten van Goes staan op de kaart aangeduid als “Baersdorp en Sinout.”. Zij vormden tussen 1812 en 1816 (fuseerde toen met ‘s-Heer Abtskerke) een eigen ‘duogemeente’. Ze hebben nog iets gemeen: beiden hadden een klein, stokoud gotisch kerkje dat al lang geleden werd afgebroken (die van Baarsdorp in 1870, die van Sinoutskerke in 1906 na een grote brand, maar wel op de foto is gezet.

baersdorp

Sinoutskerke

De kerk van Sinoutskerke in 1887.

baarsdorp

De kerk van Baarsdorp vóór 1870 (!)

Stuivezand

Verdronken eiland in de Westerschelde ten zuiden van Baarland, waar bijzonder weinig over bekend is. De geschiedenis moet ongeveer hetzelfde zijn geweest als die van Orisand. 

stuuesant

Orisant

Dit verdronken eiland lag in de Oosterschelde, tussen Noord-Beveland en Schouwen. Dit eiland was al zo’n zeventig jaar in de golven verdwenen toen de vrouw van Willem van Oranje in 1598 op ‘t idee kwam om het opnieuw in te dijken, net als bij Noord-Beveland, Sint-Philipsland en Stavenisse gebeurde op dat moment. In 1602 werd ermee begonnen, maar het was geen succes. In 1639 waren alle nieuwe inwoners alweer vertrokken. Een paar van die inwoners moeten mijn voorouder Grietken Roelandse (*Orisand, rond 1617, overleden te Colijnsplaat, 1652, kwartierstaatnummer 5959) en haar ouders Roelandt Cornelissen en Anneken Jooris geweest zijn. Er bestaat een mooie website over dit bijna vergeten eiland.

orisand

Wulpen

Nog zo’n eiland is Wulpen, één van drie eiland voor de Zeeuws-Vlaamse kust die rond 1570 in de Noordzee verdwenen. Misschien is ‘t achteraf gezien wel erg bijzonder dat dit eiland zich überhaupt staande wist te houden in open zee. Wulpen was erg oud, het werd al vermeld in 1049, en zou zelfs de plek zijn waar in de negende eeuw een slag met de vikingen plaatsvond. “Breskein” op het inzetje hieronder is tegenwoordig beter bekend als Breskens.

wulpen

Sint-Anna-ter-Muiden

Ik schreef al eerder over de kleinste stad van Nederland (bij mijn voorouder Alette Schilleman, zie kwartierstaatnummer 749) en ben er twee jaar geleden ook even wezen kijken. Opmerkelijk is dat op de kaart van Van Deventer twee steden worden afgebeeld, even groot, aan weerszijden van het water: Muijen en Sluijs. Sint-Anna-ter-Muiden mag dan stadsrechten hebben, het was nooit even groot als Sluis en iemand heeft dan ook getracht om Sluis door te halen (het lijkt wel tippex). Wil de (her)tekenaar van deze kaart dat we Muijen als Sluijs zien? 

 sintannatermuiden

Oorderen en Oordam

Ik schrijf deze stukjes van links naar rechts, dus we schuiven even helemaal terug op richting Antwerpen. Hier zien we, tussen Lillo en Ekeren, niet het in de jaren ’60 gesloopte polderdorp Oorderen, maar Oordam, een beetje de tweelingzus van Oorderen aan de Schelde. Op de zwart-wit-versie van deze kaart staat Oorderen wél aangegeven.

oorderen

Deel dit artikel