Geheime fotoalbums

Al jaren had ik ze op ‘t oog. Reeds op de oude website van het Bergs archief stonden ze: zes fotoalbums, gedigitaliseerd door Picturae. De omschrijving meldt dat het politiefoto’s zijn van ongeveer de periode 1885-1900, met “wie de personen waren, hoe ze heetten of de reden van hun bezoek aan het politiebureau is in het album niet bekend gemaakt.” Stel je voor. Zes boeken met foto’s van Bergenaren. Foto’s van gewone Bergenaren, in een tijd dat portretfoto’s voor de rijken waren. Hoeveel voorouders van me zouden er niet tussen moeten staan. Afgelopen week ging ik met mede-onderzoeker Marco de Kock ermee aan de slag. We mailden naar het WBA. We gingen kijken of er toch echt geen aanwijzingen waren, een nummer of een register waarmee de volgorde overeenkwam. We wilden hoogleraren criminologie en fotografie benaderen. We onderzochten het verschil tussen een huis van bewaring en een gevangenis, in die tijd. En daar lag de oplossing, eerder dan verwacht. We ontdekten dat veel van hen op hetzelfde soort foto hetzelfde kloffie met dezelfde geruite bef droegen. Én.. we ontdekten dat er een Geheim Register bestond. Een geheim register van ontslagen gevangenen. 

Gevangenen in de rijksgevangenissen in ‘s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Hoorn, Leiden, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam die hun straf hadden uitgezeten waren niet allemaal gelijk. Sommigen van hen waren veelpleger of hadden echt iets serieus op hun kerfstok. Zij werden ingeschat als gevaarlijk, in ieder geval was er kans op recidive. Het plan was om in het geheim hun signalement te verspreiden onder politieafdelingen. In de periode 1882-1897 werd een aantal gedetineerden voor hun vrijlating op de foto gezet. Die foto’s werden vervolgens verspreid onder politieafdelingen. Waarschijnlijk niet alle politiekorpsen, maar alleen die in grotere steden. Waaronder Bergen op Zoom. De foto’s die bij het geheim register horen zijn door het Fries Archief in Leeuwarden gescand en online gegooid. Net als in Berrege, maar zij wisten wél wat de foto’s waren. En van wie. In de zoekfunctie van Tresoar ontdekte ik identieke foto’s, foto’s die ik herkende uit de Bergse albums. Het waren dus geen Bergenaren op ‘t Bergs bureau. Het waren kopietjes. Dat lijkt een teleurstelling, maar ik was wel opgelucht. Want stel dat je honderden foto’s hebt van Bergenaren (uit die tijd!) waarbij er geen mogelijkheid is om er ooit achter te komen wie het waren.. dat leek me erg frustrerend.

Check check, dubbel check. Dus koos ik achttien portretten uit de Bergse albums uit die Marco en mij opvielen, om te kijken of ik die in Tresoar zou terugvinden. En dat lukte, op nummer 3 en nummer 17 na. Dat opzoeken is geen straf. De foto’s zijn oprecht fantastisch. Ze bieden een hele toffe inkijk in verschillende types met verschillende outfits. Hun gezicht verteld een verhaal. Ik omschrijf eerst wat me opviel. En het register geeft daar de feiten bij, over de mensen waar de Berregse pliesie naar moest uitkijken. Die feiten noteer ik daarna. Op de eerder vermeldde twee nummers na, vond ik van al deze mensen een foto terug in het Fries archief. De afbeeldingen hierboven zijn dus kopies, uit het West-Brabants Archief in Bergen op Zoom, licht door mij bewerkt ter verwijdering van het watermerk. Doet u mee aan een potje 19de-eeuws Wie Is Het?

Persoon 1 is erg vrolijk. Zo komt hij me in ieder geval wel voor. Dat, in combinatie met zijn haar, wat natuurlijk zo rechtop lijkt te staan, maakt hem wat opvallend. Hij lijkt haast wat speels. Persoon 1 blijkt de 34-jarige (*rond 1854) Jan Geijlvoet, die op 1 april 1888 werd ontslagen uit de gevangenis van Rotterdam. Hij was protestants, arbeider van beroep en afkomstig uit het dorpje Zwartewaal op Voorne, ten zuidwesten van Rotterdam. Hij woonde in Haarlem, waar hij in 1874, 1875, 1878 en 1880 werd veroordeeld wegens diefstal en mishandeling. Daar kwamen nog twee veroordelingen in Amsterdam bij, in 1882 en 1886, wegens diefstal. Hij zat bij mekaar bijna vijf jaar vast. In de bak was hij kleermaker. Zijn gedrag was redelijk, ‘doch hij is zeer sluw van aard’. Wat moet ik me daarbij voorstellen? Zou er een verband zijn met zijn uiterlijk? Speelde hij spelletjes met cipiers? Jan ging na zijn vrijlating naar Haarlem. Ik vermoed dat hij in 1895 in Amstelveen overleed, getrouwd en als wildjager. 

Dan persoon 2. Mijn eerste indruk was; deze man heeft het niet makkelijk gehad. ‘t Lijkt iemand die ouder lijkt dan hij is; de wallen hangen tot over zijn wangen. En wat zit zijn sjaal vreemd, kruislings. Waar is die aan bevestigd, onder zijn jas? Persoon 2 blijkt Gerrit Reitsma te zijn, een protestantse, 65-jarige (*rond 1821), Friese koopman. Hij werd geboren in Tzum, was getrouwd en woonde in Franeker. Reitsma moet geen succesvol koopman geweest zijn, of eentje met louche zaken. Hij werd tussen 1859 en 1884 zes keer veroordeeld door de rechtbank in Leeuwarden en het provinciaal Fries gerechtshof, alle keren wegens diefstal. In totaal werd hij tot zeven jaar cel veroordeeld. In de gevangenis was zijn gedrag goed, en was hij aardappelschiller. Op 11 oktober 1886 werd hij ontslagen uit de gevangenis van Leiden, en gaf aan dat als hij zijn ‘uitgaanskas’ kreeg, zijn vertrekcentjes, hij zich terug naar Franeker zou begeven. De eerste keer dat hij Friesland verliet was het niet, want als alles klopt zat hij in 1880 al vast in Hoorn. Opvallend: in de omschrijving vermeld met geen baard, op de foto heeft hij die toch wel. Of zouden die paar haartjes in die tijd van baarden niet hebben gegolden als ‘baard’?

De oudere dame, persoon 3, viel me op door precies dat. Een oudere dame, in de gevangenis. Ze kijkt stug en emotieloos, maar ook wat vastberaden. Nu was dat ook wel de standaard houding op foto’s in die tijd. Zou ze aan haar muts twee spiegeltjes hangen, zou ze zomaar een Zeeuwse kunnen zijn. Misschien was ze dat ook wel, maar daar kom ik niet achter, want haar inschrijving vond ik niet terug.

Inschrijving in het gevangenisregister te ‘s-Hertogenbosch, rond 1892 (links), portret uit het register van personen om in de gaten te houden uit 1917 (rechts).

Persoon 4 ziet er sjiek uit. Zo’n mooi bolhoedje en een stropdas; je vraagt je toch af hoe je daaraan komt in de gevangenis. Deze man doet mij denken aan zijn fictieve tijdgenoot Josiah Trelawny uit Red Dead Redemption 2. De charlatan van een gang, degene die zich voordoet als vooraanstaand zakenman en met trucs toch de platte crimineel uithangt. Tot nu toe zijn mijn inschattingen vrij treffend, want persoon 4 blijkt witteboordencrimineel Wijnand van Aken. Van Aken was protestants, ongehuwd, dertig (*rond 1863) en kantoorklerk in en uit Dordrecht. Volgens de omschrijving was hij ook doof, wat geen belemmering hoeft te zijn voor dat beroep, uiteraard. Hij werd drie keer veroordeeld in Den Haag, een keer in 1889 voor oplichting, een keer 1891 wegens verduistering en een keer in 1892 wegens valsheid in geschrifte ‘en het gebruik maken daarvan’. Blijkbaar was hij niet te vertrouwen, anders kwam je ook niet in dit geheim register. Drie jaar zat hij bij mekaar vast, toen hij op 3 oktober 1893 vrijkwam. Zijn gedrag was goed geweest en hij had wegens ziekte een tijd doorgebracht op de ziekenzaal van de gevangenis in ‘s-Hertogenbosch, waar hij gedetineerd was. Hij ging op weg naar Rotterdam. Over die ziekte wordt meer duidelijk uit het gevangenisregister zelf. Hij leed aan ‘beginnende longtering’. Des te ongeloofelijker is het dat Van Aken in 1917 nog voorkomt in een register van veroordeelden dat lijkt op het Geheim Register, maar dan gedigitaliseerd door het Amsterdams stadsarchief. De ziekte kreeg hem er dus nog niet onder. Uit die registratie blijkt ook dat hij in 1907 wederom veroordeeld werd wegens valsheid in geschrifte. In 1917 wordt ook een nieuwe foto van hem gemaakt. In het signalement komt geen longtering meer naar voren, wel als kenmerk dat hij doof is en opvallende rimpel ‘boven de neuswortels’ heeft. 

Over gelijkenissen gesproken. Persoon 5 ziet er vriendelijk uit, maar niet al te snugger. Dat kán natuurlijk ook te maken hebben met zijn gebit. Hij viel mij op omdat hij mij deed denken aan Brooks uit de Shawshank Redemption. ‘Brooks was here’. Persoon 5 blijkt de werkloze Amsterdammer Herman August Blankenstein. Op 22 februari 1886 werd hij vrijgelaten in Leeuwarden, hij was toen protestant, 47 (*rond 1838) en ongehuwd. Vermeld werd dat hij geboren was en ‘t laatst woonde in Amsterdam. Blankenstein werd in 1868 en 1877 veroordeeld voor oplichting en in 1877 en 1881 voor diefstal, alle vier de keren in de hoofdstad. Uiteindelijk kreeg hij bij mekaar 3½ jaar cel en vijf jaar tuchthuisstraf. Dat laatste kan misschien verband houden met zijn werkeloosheid. Zijn gedrag in Leeuwarden was ‘zeer goed’, hij was er wever en gaf aan naar Weesp te gaan. Om meer te weten te komen over zijn achtergrond zocht ik hem op in de Amsterdamse bevolkingsregisters. Hij woonde in 1879 een tijdje in een kosthuis op het eiland Rapenburg, in 1880 een paar maanden in de Bloedstraat op de Wallen en tussen juli 1880 en zijn internering in Leeuwarden in april 1881 aan de Utrechtsedwarsstraat. De panden waren overbevolkt met alleenstaande mannen, doch er valt wel iets op: Herman was kantoorbediende in 1880. Uiteindelijk liep het minder goed af. Hij overleed op 27 februari 1890 in de derde rijkswerkinrichting in Veenhuizen. Hij werd 52 jaar oud.

Persoon 6 kijkt of hij elk moment op de fotograaf gaat tuffen. Dat zal wel niet zijn geweest hoor, maar het maakt de foto wel opvallend. En z’n haar zit netjes! Het gaat hier om Willem Craaibeek, eveneens een Amsterdammer. 46 jaar, getrouwd, werkman, protestants. Tussen 1859 en 1886 werd hij zes maal veroordeeld voor diefstal. Bijna zes jaar zat hij vast, in totaal. Telkens periodes van een jaar, twee jaar of een aantal maanden. Het probleem was structureel, zeg maar. Melding werd gemaakt van een litteken op zijn rechterwang, zou dat die bult zijn? Craaibeek zat gevangen in Groningen, waar hij strohulzen maakte. Zijn gedrag was goed, maar hij was ook ‘eigenzinnig’. Op 29 juni 1888 werd hij vrijgelaten en ging hij op weg naar Amsterdam.

Op het eerste gezicht lijkt het alsof persoon 7 onverschillig kijken goed onder de knie heeft. Maar kijk wat langer in haar ogen.. het gaat niet helemaal goed. Deze blik viel mij op. Persoon 7 is de protestantse Friese moeder Lijsbeth Hiemstra, 47 jaar en arbeidster. Op 1 mei 1886 werd ze vrijgelaten in Utrecht, na een straf waarbij ze zich ‘vrij goed’ gedroeg en wasvrouw was. Lijsbeth kwam uit het Friese terpdorp Oosterend en trouwde al in 1856, toen ze zeventien was. Samen met haar man Molle Eisma woonde ze in dorpen in de buurt, in Goënga en Scharnegoutum. De basisschool maakte ze af, ze kon schrijven. Twee keer werd ze veroordeeld in de Friese hoofdstad Leeuwarden; in 1871 wegens diefstal en in 1884 volgende een wat langere tenlastelegging: misbruik van vertrouwen, valsheid in geschrift van koophandel en diefstal. Valsheid in geschrifte, daar moet je voor kunnen schrijven. Wat je nog meer moet kunnen hangt denk ik af van wat voor geschriften je vervalst. En dat misbruik in vertrouwen.. hangt dat ermee samen? In ieder geval was het serieus genoeg om haar signalement tot op 250 kilometer verderop in Bergen op Zoom te doen belanden. Voor de zekerheid.

Afbeeldingen: links: Tresoar, rechts: Bevolkingsregister Zoelen 1849-1859, Regionaal Archief Rivierland

Aan persoon 8 vielen mij wat vrij excentrieke dingen op, vooral in het gezicht. Zijn opvallende oogleden bijvoorbeeld, hoe hoog zijn ogen in het gezicht zitten en hoeveel zijn mond geaccentueerd is. Persoon 8 was Gerrit de Jager. Hij werd op 6 december 1885 vrijgelaten uit de gevangenis in Haarlem. Gerrit was op dat moment 41, tuinman, protestants en ongetrouwd. Hij had een blonde baard om de kin ‘met knevel’. Opvallend was zijn Na een veroordeling voor diefstal in Haarlem, wat eveneens zijn woonplaats was, in 1882 en 1883, kreeg hij bij mekaar drie jaar gevangenisstraf. Tijdens die straf was hij kleermaker. Wat het meeste eruit springt: Gerrit kon niet schrijven en zijn gedrag tijdens zijn straf was slecht. En dat werd niet zomaar opgetekend: ‘slecht’ komt maar weinig voor in het geheime register. Vocht hij? Was hij recalcitrant? Een stukje achtergrond zou misschien voor pedagogen uitleg bieden. Gerrit werd op 4 april 1844 geboren als zoon van een ongehuwde moeder, Teuntje de Jager, in Zoelen, bij Tiel in de Betuwe. In de periode 1849-1859 woonde hij in huis nummer 104 aldaar, samen met meerdere mannelijke familieleden. Ooms? Neven? In ieder geval niet zijn moeder. Was ze overleden? Was Gerrit uit huis gezet op die leeftijd? Ik weet het niet. Evenmin vond ik iets over wat er met hem gebeurde na zijn vrijlating in 1885. Ik hoop iets goeds.

Persoon 9 viel mij op omdat hij mij aan een bekende van me deed denken. En nee, natuurlijk zeg ik niet wie. Maar daarnaast valt zijn blik natuurlijk ook op. Hij kijkt moeilijk, of misschien wel strijdlustig. Of misschien is er een flits gebruikt, wat nogal wat licht gaf in die tijd, met al dat magnesium. Persoon 9 blijkt Jan Schippers, protestants arbeider, ongetrouwd en 36 jaar (*1852). Hij ziet er jonger uit, vind ik. Schippers werd in 1885 in Amsterdam en in 1887 in Utrecht veroordeeld vanwege diefstal. Hij kwam oorspronkelijk uit Hekelingen op het eiland Putten, maar woonde voor zijn straf in Oudenrijn bij Utrecht. Toen hij op 11 mei 1888 werd vrijgelaten uit de gevangenis van Utrecht gaf hij aan ook terug te keren naar Oudenrijn. Zijn gedrag was goed geweest, hij kon schrijven, miste zijn rechtervoet en vlocht riet. Soms is er niet meer achtergrond nodig.

Deze man is doodeng. Griezelig. Persoon 10 doet me denken aan Raspoetin. Hij heeft een grote baard, zijn jas zit vreemd, alsof hij heel breed is. De vorm van zijn ogen helpt ook niet mee. Misschien heb ik ongelijk. Jan Scheffer was dertig jaar (*rond 1858) toen hij op 4 september 1888 vrijgelaten werd uit de gevangenis in Groningen. Scheffer was een protestantse, ongehuwde schippersknecht, geboren in Blokzijl, een dorpje aan de Zuiderzee in het Steenwijkerland in Overijssel. Hij had geen vaste woonplaats, wat ook te zien is aan waar hij veroordeeld werd: 1880 in Zutphen, 1880 in Arnhem, 1882 in Zwolle, 1884 in Heerenveen en 1884 in Leeuwarden; alle keren voor diefstal. Hij kreeg tweemaal 183 dagen cel, een keer twee jaar cel, een keer een jaar cel en een keer vier jaar cel opgelegd. Die laatste straf werd omgezet naar twee jaar. Was dat vanwege goed gedrag? Ik betwijfel het, want de omschrijving van zijn gedrag in Groningen bevestigd mijn eerste indruk van Scheffer. Scheffer kon schrijven en maakte strohulzen. Zijn gedrag was ‘in den laatsten tijd slecht’. “Hij is zeer onverschillig en kwaaddenkend en een gevaarlijk persoon”. Zo. Nu was iedereen in dit register gevaarlijk, dat was een beetje het idee van het register zelf. Maar waar de meesten goed of redelijk gedrag vertoonden, springt dit er wel uit. Bij zijn vertrek nam Jan zijn uitgaanskas aan, de centjes waarmee hij naar huis kan. Maar hij had nog steeds geen thuis, geen bestemming werd vermeld. Wel schoor hij zijn baard af; in zijn signalement wordt geschreven dat hij geen baard had. Ik heb verder niets meer gevonden over Jan.

Afbeeldingen: links: Bevolkingsregister Amsterdam 1874-1893. Rechts: Tresoar.

Persoon 11 kijkt keistoer. Hij lijkt een straatjongen. Hij pikt niets, dat zie je zo. Persoon 11 is Jan Hendrik Willem Frederik Weerman, en is wat ouder dan ik inschatte: 33 jaar (*1854). Deze protestantse ongetrouwde arbeider was ook nog eens Amsterdammer, dus zijn dialect zal wel meegeholpen hebben aan zijn imago. Weerman werd in 1881 en 1883 veroordeeld voor diefstal, hij kreeg bij mekaar drie jaar cel. Op 15 oktober werd hij ontslagen uit de gevangenis in Amsterdam maar kreeg toch een ‘uitgaanskas’ om thuis te kunnen komen. In de gevangenis was zijn gedrag goed, hij kon schrijven en vlocht riet. Opvallend: in het Fries archief hebben ze een andere foto van Weerman dan in Bergen op Zoom. Die foto met pet, die komt uit Berrege. Die zonder uit Leeuwarden. Alles kwam goed met Hendrik Jan Willem Frederik (zoals hij ook wel genoemd werd). Op 14 november 1888 trouwde hij met de Harderwijkse Mina Maat en stichtte met haar een gezin in de Amsterdamse Van Heemskerckstraat.

Hoeveel ‘gewone mensen’ hadden er in die tijd drie portretfoto’s van zichzelf laten nemen? (Afbeeldingen: Stadsarchief Amsterdam, Tresoar)

Persoon 12: de mater familias. Ze doet me denken aan de moeder van Carmen in Penoza IV. Ze heeft al veel gezien. Veel slechts, maar bleef altijd staan voor de mensen die dichtbij haar stonden. Zo stel ik me dat voor. Zou het kloppen? Persoon 12 is Wilhelmina Frederika Antonia Bernordt, in ‘t geheim register vermeld als Bernot. Zij werd op 13 april 1888 vrijgelaten uit de gevangenis in ‘s-Gravenhage, waar ze een straf van bij mekaar vier jaar en vier maanden uitzat wegens meerdere diefstallen. Haar gedrag tijdens die straf was goed, ze kon schrijven en was ‘belast’ met breiwerk en huisdienst. Even tussendoor: diefstal komt vaak voor in dit register. Het lijkt iets wat te ‘klein’ is om je in zo’n geheim register te doen belanden. Maar, beeld je in, het gaat hier om de jaren 1870/1880. Voorwerpen en spullen waren veel duurder en veel meer waard, relatief, dan nu. En hoeveel mensen waren verzekerd? Als iemand je groentekar stal was je je bestaan kwijt. Als iemand je gouden horloge stal, was je je pensioen kwijt. Serieuzer dan men nu zou denken dus. Terug naar mevrouw Bernordt. Of.. mevrouw of juffrouw? In het register werd verder vermeld dat zij katholiek was, geboren in Rotterdam, daar ook woonde, koopvrouw was van beroep, 57 jaar (*1830) en ongehuwd. Bernordt werd op 19 oktober 1830 in Rotterdam geboren, als dochter van Maaike Antonia van Nouhuijs of Nouwhuijsen en Willem Frederik Bernordt. Laatste erkende haar bij het huwelijk van haar ouders in 1833. Ik kwam haar o.a. tegen in nog een ander landelijk register van veroordeelden in ‘t stadsarchief van Amsterdam. Een kopie daarvan plaats ik hierboven. In deze akte werd gemeld dat zij ook bekend was als Fiolet. En ja.. Wilhelmina was op 5 november 1851 te Rotterdam getrouwd met Franciscus Jacobus Fiolet. Ze kreeg ook kinderen met hem, maar was in 1888 ongehuwd.. Het antwoord daarop is de vroegste echtscheiding die ik ooit tegenkwam, op 9 april 1863 in Rotterdam. Verklaard werd dat Fiolet overspel gepleegd had. Vanaf toen stond ze er dus alleen voor, waarschijnlijk met die kinderen. Tja. Diefstal.. Uiteindelijk zou ze op 17 mei 1914 te Rotterdam overlijden.

Kijk eens naar persoon 13. Hoe sjiek! Het pak, de hoed, het lijkt wel van haar eigen haar. Het lijkt erop dat ze de kans kreeg zich om te kleden toen ze naar de fotograaf ging, in de laatste weken van haar gevangenisstraf. Als ik nu zeg: een soort Mata Hari? Een spionne van haar tijd dus? Is dat dan gek? Oké, het blijkt van wel. Persoon 13 is namelijk Adriana Elisabeth Berman, 21 jaar (*rond 1865), ongehuwd, protestant, geboren in Zierikzee als kind van een onhuwde moeder, woonachtig te Rotterdam en publieke vrouw. Een prostituee dus. Maar wel een sjieke, zo te zien. Berman werd in 1883, 1884 en 1885 veroordeeld voor diefstal in Rotterdam, waar ze eerder in 1882 al veroordeeld werd daarvoor in Goes, op het moment dat ze zeventien jaar was. Na een straf van bij mekaar twee jaar en drie maanden werd ze op 26 maart 1886 vrijgelaten in Utrecht. Ze had gebreid, kon schrijven en haar gedrag was goed. 

Persoon 14 doet me denken aan acteur Pierre Bokma, vooral in zijn blik. De jas en bef zijn algemeen voor een bepaalde gevangenis, op veel van de portretten draagt de gedetineerde ze. Persoon 14 blijkt de 47-jarige (*rond 1840) Amsterdamse tapper Johan Adam Baijer. Protestants, ongehuwd. Hij werd op 12 december 1887 vrijgelaten uit de strafgevangenis in Leeuwarden, na een straf waarbij hij wever was met ‘redelijk’ gedrag. Er is echter wel iets ongewoons: vermeld werd dat hij wegens diefstal in 1878 veroordeeld werd tot tien jaar tuchthuis. Geen reguliere cel dus, al moet hij daar ook in hebben gezeten in Leeuwarden. In het stadsarchief van Amsterdam vind ik meerdere vermeldingen van een Johan Adam Baijer of Beijer, allemaal met als geboortedatum 6 december, maar soms in 1838, dan in 1839 of 1840. In 1867 kwam Baijer in het Buitengasthuis te wonen, vanuit Hoorn. Tot 19 april 1878 woonde hij op Wijngaardstraatje 6, hij vertrok toen naar Leeuwarden. In 1891 woonde Baijer in de Amsterdamse Foeliedwarsstraat, in 1892 in een armenhuis aan de Muidergracht. Als tapper werd hij niet veel vermeld, wel dat hij Evangelisch-Luthers was van geloof. Dan, op 54-jarige leeftijd in 1893, trouwde Baijer met de 66-jarige Utrechtse Johanna de Wolf. Dat huwelijk duurde niet lang. In 1890 wordt Beijer opgenomen in het Binnengasthuis, hij heeft influenza. Op 9 september 1892 moest hij opnieuw naar het ziekenhuis met een beenbreuk; hij heeft als werkman/sjouwerman er ‘n kist tegenaan gekregen. In 1895 opnieuw met Kyfose, een kromming in de rug. Op 20 juni 1895 wordt hij dan in dezelfde registers van het gasthuis als overleden vermeld. Als getrouwd werkman. Ik hoop dat hij zijn geluk vond.

Bron: Tresoar.

Mijn eerste reactie bij persoon 15 was; dit klopt niet. Da’s een kind. Veertien hooguit, wat doet hij in dit register? Maar ik maakte een verkeerde inschatting. Persoon 15 is de 20-jarige (*rond 1866) katholieke Cornelis van Vliet uit Gouda. Cornelis was ongehuwd, had geen beroep en werd in 1884 en 1886 in Rotterdam en Den Haag veroordeeld voor diefstal, waar hij in totaal twee jaar gevangenisstraf voor kreeg. Op 3 december 1886 werd hij vrijgelaten, waarna hij zou terugkeren naar zijn thuisstad Rotterdam. In de gevangenis deed hij aan tricotpluizen. Zijn gedrag was redelijk, maar hij was wel ‘vuil en lui’. Het zal maar over je gezegd worden..

Persoon 16 valt op door zijn felle ogen. Ik zou zeggen dat ze blauw zijn, maar dat kan ik niet bewijzen nog, aan de hand van alleen de foto. Ook maakt hij een wat onnozele indruk. Maar misschien schuilt er meer achter? Zijn pak zit trouwens wel netjes, vind ik. Persoon 16 blijkt Lieuwe de Vries, een protestantse getrouwde koopman van vijftig jaar oud (*rond 1836). Hij was geboren in Oterleek en woonde in Alkmaar in Noord-Holland. Zijn ogen waren lichtgrijs, daar zit ik ongeveer wel goed met mijn inschatting. Lieuwe werd veroordeeld in 1865 wegens diefstal, waar hij vijf jaar tuchtthuisstraf voor kreeg (best ‘n flinke straf) en in 1885 voor diefstal van vee in de weide. Een veedief dus! De Vries kwam op 18 december 1886 vrij uit de gevangenis in Leiden, waar zijn gedrag goed was en hij kleermaker was.

Persoon 17 viel Marco op vanwege het opgetekende snorretje. En uiteraard de bekende jas en bef. Stel, je krijgt als Bergse politieagent deze foto met beschrijving. Maar in die beschrijving staat dat de voormalig gedetineerde waar je naar uit dient te kijken een snor draagt. Dan teken je die erop. Op een wijze waarop men die droeg in de jaren 1880. Persoon 17 heb ik, als tweede foto na persoon 3, niet terug kunnen vinden in het Fries archief.

Afbeelding: WBA Bergen op Zoom/schermafbeelding M. de Kock

Persoon 18, de laatste uit dit rijtje. Waarschijnlijk hoef ik niet te vertellen waarom deze persoon ons opviel. Marco en ik hebben nog gediscussieerd over of persoon 18 nu gehandicapt was of geboeid. Uiteindelijk had Marco gelijk. Waar bovenste foto (in tegenstelling tot de andere gebruikte foto’s) uit het Fries archief komt, is op de onderste foto uit het Bergs archief goed te zien dat deze gast in een dwangbuis met touwen zit. Persoon 18 blijkt wederom een Amsterdammer. Gerardus Franciscus Jacobus Hessels, protestants (ondanks zijn wat katholieke namen), twintig jaar (*rond 1876), ongehuwd werkman. Hessels werd in 1892 en 1894 te Amsterdam veroordeeld voor diefstal, en in 1893 wegens ‘wederspannigheid‘. Hij werd op 26 maart 1896 vrijgelaten uit de gevangenis van Nieuwer-Amstel (Amstelveen), na een straf van bij mekaar drie jaar en negen maanden gevangenisstraf, waarbij zijn gedrag redelijk was en hij matten breidde en bosjes maakte voor vuurmakers. De situatie waarin Hessels op de foto ging doet mij iets afvragen. Ging men op de foto bij arrestatie? Of vlak voordat men vrijgelaten werd? Ik ging van het laatste uit, maar het lijkt toch alsof hij na zijn arrestatie voor wederspannigheid op de foto ging.. Of was het toch het eerste en was dit het voorval wat zijn gedrag ‘redelijk’ maakte? 

Ik ben nog niet klaar met dit register. Want als deze website reguliere bezoekers zou hebben (en dat weet ik niet, ik heb bezoekersstatistieken uitgeschakeld) dan zouden die ongetwijfeld weten dat ik bij ‘t ontdekken van nieuwe bronnen als deze altijd even de Bergenaren, Wouwenaren, Woensdrechtenaren en Ossendrechtenaren opzoek. Wordt vervolgd dus!

Het grootste raadsel

haar

Op de kaai, tot ver in de 20e eeuw dé protestantse wijk van Bergen op Zoom, vinden we in de decennia rond 1800 mijn voorouders Jan Noorthuysen en Geertruij Noorthuysen-Knoest (kwartierstaatnummers 148 en 149). We hebben ‘t dan specifiek over de Dubbelstraat, een straat waar in die tijd de bevolking een mix lijkt te zijn van protestantse pottenbakkers en katholieke hoveniers. Jan wordt vermeld als pottenbakker in 1824, Geertruij als pottendraagster in 1830. Ze woont dan trouwens samen met het jonge hoveniersechtpaar Musters-Nuijten, ook voorouders (zie kwartierstaatnummers 124 en 125).

Jan Noorthuysen of Noordhuize, Noorthuisen, Noordhuijzen (1768-1824) kwam uit een soldatenfamilie. Zijn vader was een hervormde Groninger, zijn moeder was half Duits en uit een soldatenfamilie waarin voordurend huwelijken tussen protestanten en katholieken terug te vinden zijn. De 80-jarige oorlog was tenslotte al zó lang geleden, en van verzuiling was natuurlijk ook nog geen sprake.

Als we naar zijn vrouw Geertruij Knoest, waarmee hij in 1792 in Bergen op Zoom trouwde, kijken, begint pas echt een groot raadsel. Misschien wel het grootste raadsel uit mijn stamboom.. Het is regelmatig gebeurd tijdens ‘t uitzoeken van mijn kwartierstaat dat ik een soldaat tegenkwam. Da’s tof want die komen vaak van ver, in Duitsland, Wallonië en zelfs Zwitserland heb ik op die manier wortels. Maar meestal is ‘t na een uurtje wel duidelijk dat je aldaar verder niets gaat vinden. Er zijn geen bronnen, of door vervorming van de oorspronkelijke achternaam is verder zoeken onbegonnen werk. Bij de familie van Geertruij ligt dat anders. Elke keer als ik deze familie naging, kwam er weer een ander detail aan ‘t licht dat totaal niet aansloot op wat ik verwachtte (ook tijdens het schrijven van dit artikel, waardoor ik zo’n drie keer hele stukken tekst heb moeten herschrijven). Het lijkt hier niet te gaan om één soldaat, maar om een grote familie vol met soldaten die allemaal ergens anders woonden. Ik zal hier proberen zo uitgebreid mogelijk mijn onderzoek naar dit echtpaar uiteen te zetten.

Dus, Geertruij of Geertrui, Gertrude Knoest of Knoets (kwartierstaatnummer 149) werd op 15 februari 1765 hervormd gedoopt in Bergen op Zoom. Zoals ik eerder schreef was zij pottendraagster en gehuwd met pottenbakker Jan Noorthuysen. Ze was eerder gehuwd, vóór 1785, met Lambrecht Lammers of Lammerse. Op 28 augustus 1785 werd te Bergen op Zoom hun dochter Cornelia Lammers hervormd gedoopt te Bergen op Zoom, met Jan de Waal en Cornelia West als doopgetuigen. Vader Lambrecht Lammers werd toen als Jacobus Lammers vermeld. Op 8 september 1785 vermeldde de krankenbezoeker dat het kindje was overleden, veertien dagen oud. Opvallend genoeg was haar naam in die akte Cornelia Knoest.

knoest1

De overlijdensinschrijving van dochtertje Cornelia Knoest of Lammers, 1789. (Afbeelding: Overlijdensregister krankenbezoeker Bergen op Zoom 1769-1801/RHC ‘t Markiezenhof)

De ouders van Geertruij waren Johann Joseph Knoest en Huijberdina van der Haar (kwartierstaatnummers 298 en 299). Vader vond ik ook onder de schrijfwijzen Joseph, Jooseph, Joost en Jan Joost. Moeders naam werd geschreven als Hubertina, Huijberdina en Huberdina, en had zoals in de overzichtsafbeelding te zien is twee achternamen, naast van der Haar werd zij ook vermeld als Sitters, Van Sitteren en Citters. Wat in ieder geval zeker is over dit echtpaar komt voornamelijk uit hun trouwakte. Zij huwden op 2 mei 1764 te Bergen op Zoom, voor de hervormde kerk (afbeelding van deze akte hieronder).

“Jan Joost Knoest, j.m. corporaal in de compagnie van de major van Keppel, onder het tweede bataljon van Zyne Doorluchtige Hoogheid, den Heere Prince van Nassau Weilburg te Tholen in garnizoen.”

De compagnie had ook een nummer: infanterieregiment 632b. Er stond “alhier in garnizoen”, maar dit werd gecorrigeerd. Hij woonde dus op Tholen, in het garnizoen. Zoals later in de kantlijn geschreven werd werd het huwelijk met attestatie van Tholen voltrokken op 23 mei 1764, zoals ook beloofd werd onderaan de akte: “de gebooden moeten ook gaan Te Tholen”. Naar een ondertrouw of huwelijk (vooral in Tholen) heb ik ook nog gezocht, in de trouwboeken aldaar in de periode oktober 1763 tot april 1765, in de ondertrouwboeken van de Bergse schepenbank, in het lutheraanse lidmatenboek van Bergen op Zoom en in het hervormde lidmatenboek van Bergen op Zoom, allemaal zonder resultaat. De ‘doorluchtige hoogheid’ waar Knoest voor vocht was trouwens vorst Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, hoog militair, hoog diplomaat, militair gouverneur van Maastricht en Bergen op Zoom en natuurlijk aanhang van de Oranjes.

Verder in de akte Hubertina van der Haar, weduwe van Willem Klaarhamer, “woonende te Bergen op den Zoom”. De bruidegom was lutheraan, de bruid gereformeerd. In Bergse hervormde trouwakten werd alleen het geloof van ‘t echtpaar genoteerd wanneer één of beiden echtelieden bij een andere kerk dan de hervormde hoorden, zoals bij katholieken, wiens geloof gedoogd werd, maar in bezet Staats-Brabant wel voor de hervormde kerk moesten trouwen. De Lutherse kerk was niet algemeen in de calvinistische Nederlanden: de aanhang zat meer in Pruisen en de Scandinavische landen. Dit zou dus op een buitenlandse afkomst van Jan Joost kunnen duiden, maar daarover later meer.

knoest2

De trouwakte van Jan Joost Knoest en Huijberdina van der Haar, 1764. (Afbeelding: NH Trouwboek Bergen op Zoom 1751-1772/RHC ‘t Markiezenhof)

Terzake. Er zijn nog wat feiten over deze mensen. Jan Joost overleed op 4 januari 1786 te Bergen op Zoom aan tuberculose. De krankenbezoeker noteerde geen leeftijd. Huijberdina overleed op 15 augustus 1789 te Bergen op Zoom; zij overleed aan een galziekte. De krankenbezoeker wist haar leeftijd wel: 66 jaar, wat zou betekenen dat ze in of rond 1723 geboren werd. Ook is van dit echtpaar zeker dat ze in 1768, zo’n drie jaar na de geboorte van dochter Geertruij, in Kampen woonden, een garnizoensstad in Overijssel. Over het testament waar dit uit blijkt later meer. Ook niet onbelangrijk: zij kregen nog een dochter: Johanna Knoest. Geboortegegevens onbekend, alleen dat ze af en toe getuige was.

Laten we eerst kijken naar de aanknopingspunten m.b.t. Jan Joost Knoest. Van hem is dus geen plaats van afkomst bekend. Ik vond wel een mogelijke zuster, Anna Catharina Knoest. Zij was getuige bij de doop van Geertruij in 1765. Dat een familielid van Jan Joost aanwezig is bij de doop van zijn kind wijst er in principe al op dat zijn familie niet heel ver weg woonde. Een Anna Katharina Knoets komt ook in 1759 voor, in Bergen op Zoom, wat mijn vermoeden versterkt dat het hier gaat om familie. Zij laat op 19/12-1759 hervormd een zoontje Kristiaan dopen, van haar en Wessel Donjaou. Getuige is dan ene Kristiaan Brenniman. Dit echtpaar is nog twee keer vermeld in garnizoensstad Zutphen in de Achterhoek. Op 24 oktober/7 november 1756 huwen Wessel Donjaou, “grenadier onder de lijff compagnie van ‘t Regiment van den Generaal Graave van Pretorius in g.a.” (waarbij laatste dan staat voor “in garnizoen alhier” geloof ik), en Catharina Knoest, jongedame woonachtig te Zutphen, voor de gereformeerde kerk aldaar. De baas van Wessels compagnie was graaf Andreas August van Praetorius, generaal-commandant van de vesting Bergen op Zoom in 1742, wat zou kunnen verklaren dat Wessel Donjaou en zijn gezin met het regiment in 1759 te Bergen op Zoom verbleven. In 1772 zijn ze in ieder geval weer in Zutphen, dan wordt zoon Christoffel Donjou te Zutphen gedoopt, gereformeerd op 2 februari 1772.

knoest3

De doopakte van Geertruij Knoest waarbij Anna Catharina Knoest als getuige werd vermeld, 1765. (Afbeelding: NH Doopboek Bergen op Zoom 1753-1796/RHC ‘t Markiezenhof)

Knoest4

De trouwakte van Wessel Donjaou en Catharina Knoest, 1756. (Afbeelding: NG Trouwboek Zutphen 1751-1763/Zoekakten)

In Zutphen kon ik verder niets over de familie vinden in de NH lidmatenboeken tussen 1705 en 1769. De naam komt er verder wel voor in de 18e eeuw, zij het vrij sporadisch. Op 18/11-1723 wordt Gardina van Wilsen gedoopt (NG) als dochter van Gerrit van Wilsen en Anneke Knoest, en op 26/4-1730 vond de doop (NG) plaats van Antonij Kranoek, zoon van Coenraed Kranoek en Anna Maria Knoest. De naam Knoest komt verder maar heel gering voor in Nederland, ook na de invoering van de burgelijke stand. 

Tot zover wat ik weet over Jan Joost Knoest. Volgt u het nog? Voor de zekerheid nog even het overzichtskaartje. 

haar

Dan zijn vrouw Huijberdina van der Haar of Sitters. Zoals u eerder kon lezen werd zij bij haar trouwen vermeld als Van der Haar, en bij de doop van dochter Geertruij Knoest als Sitters. Deze namen werden door elkaar gebruikt: datums en getuigen bewijzen dat het bij deze verschillende akten gaat om hetzelfde persoon. Ik begin met de huwelijken. Zover nu bekend is was Huijberdina waarschijnlijk maar liefst vier maal getrouwd, en werd ze ook vier keer weduwe. Bij haar trouwen in 1764 werd ze vermeld als weduwe van Willem Klaarhamer. Over hem weet ik helemaal niets, ik heb zelfs geen trouwakte kunnen vinden. Het enige wat we mogen aannemen is dat hij dus overleed vóór 1764, en dat zij een dochter kregen, Janna Klaarhamer. Janna en haar man Bernardus Vis komen meermaals voor als getuige bij akten m.b.t. Geertruij Knoest. Over haar is iets meer bekend: ze overleed op 28 januari 1827 te Middelburg, en was twee keer gehuwd, de eerste keer dus met Bernardus Vis of Nijs, Visser, Vissers, met wie ze in 1790 te Sluis (Zeeuws-Vlaanderen) een kind kreeg, de tweede keer met Jacobus Free. Met Jacobus ging ze op 5 januari 1799 te Bergen op Zoom in ondertrouw. Free is een bekende achternaam onder de Bergse protestanten, het betreft daar in ieder geval geen soldatenfamilie. In 1827 was Jacobus ook reeds overleden.

knoest5

De overlijdensakte van Janna of Johanna Klaarhamer, 1827. Haar ouders werden niet vermeld. (Afbeelding: Zeeuws Archief, Middelburg)

De verdere achtergrond van de familie Klaarhamer is ook onbekend. Ook deze familie komt maar heel sporadisch voor, en het is maar de vraag of zij vandaag de dag überhaupt nog voorkomt in Nederland (als iemand mij het tegendeel kan bewijzen, graag!) [Update 22/3-2016: berichtje gehad van dhr. Kees Klaarhamer: de familie bestaat gelukkig nog altijd]. Feit is wel dat ze in de Randstad nog regelmatig voorkwam afgelopen eeuw. Het lijkt hier te gaan om een kleine soldatenfamilie die in ieder geval voorkwam te Gorssel in 1877, Den Haag in 1853, Bloemendaal in 1899, Weesp in 1844, Utrecht in 1913, Grave in 1834, Middelburg in 1898, Amersfoort in 1939, Oosterhout in 1834, maar voornamelijk in Amsterdam en Deventer. In Amsterdam gaat het om verschillende losse eindjes in voornamelijk de 19e eeuw. In Deventer eigenlijk ook, al is daar één tak die terug te voeren is tot 1724. Ik laat deze familie verder even voor wat ‘t is.

Er worden nog twee eerdere huwelijken toegeschreven aan Huijberdina. Hier zie ik wat problemen. Haar kind met Wenzel Markus (hieronder) werd katholiek gedoopt, en bij hun huwelijk werden zij ook vermeld als “beide Roomsch” (zie onderstaande afbeelding). Ook werd ze in beiden akten vermeld als Anna Maria. Haar eerste twee huwelijken zijn te koppelen doordat zij bij haar huwelijk met Markus als weduwe van Jan Allo werd vermeld, aan haar laatste twee huwelijken ook, doordat ze bij haar huwelijk met Knoest als weduwe van Willem Klaarhamer werd vermeld. Het zou in principe kunnen: volgens haar overlijdensakte werd ze 66 jaar oud, en dat zou betekenen dat ze trouwde op respectievelijk 19, 27, onbekende, en 41-jarige leeftijd. Een andere aanwijzing was dat bij het huwelijk met Jan Allo Sittard als plaats van afkomst werd genoemd, waarbij achternaam “Sitters” dus als verwijzende naar Sittard kan worden beschouwd. De connectie tussen de vier huwelijken ontbreekt dus echter. Ik beschrijf hieronder haar veronderstelde eerste twee echtgenoten als zijnde ‘waar’, maar helemaal zeker is het niet.

Haar tweede huwelijk was met Wanceslaus (Wenzel) Markus of Marcus. Met hem trouwde ze op 30 december 1750/20 januari 1751 te Bergen op Zoom. Wenzel Markus was afkomstig uit Keulen, soldaat “in het Regiment van Orange Drenthe onder de kompagnie van den Heer kapitein Dapper” en woonachtig in ‘t Bergs garnizoen bij zijn huwelijk. Met hem kreeg ze drie kinderen (zie bericht van 11 december 2014), waaronder Joanna Allegundis Marcus, katholiek gedoopt (!) te Bergen op Zoom op 24 februari 1752. Zij komt verder niet voor als getuige later.

knoest6

De (onder)trouwakte van Wenzel Markus en Anna Maria van der Haar, 1750 en 1751. (Afbeelding: NH Trouwboek Bergen op Zoom 1734-1750/RHC ‘t Markiezenhof)

Het eerste huwelijk was met Jan Allo of Aloi, Alloo, Alo. De ondertrouw vond plaats op 21 maart 1742 te Bergen op Zoom, met een attestatie van het Land van Vlake van 29 mei 1742. Hij kwam uit Loon op Zand (geen garnizoensplaats), en was bij het huwelijk soldaat “onder het Regiment van den Heer Kolonel Godelliere in de kompagnie van de Heer Majoor Kavalier” en woonachtig in het Bergs garnizoen. Ook hier was haar voornaam Anna Maria, en werd genoteerd dat beiden katholiek waren. Waarom Vlake hierbij betrokken was is een volslagen mysterie. 

knoest 7

Afbeelding: NH Trouwboek Bergen op Zoom 1734-1750/RHC ‘t Markiezenhof

De belangrijkste vraag blijft al met al toch ook hier wie haar ouders waren. Er zijn eigenlijk drie opties, waarbij de derde optie “overig” is: helaas ook de waarschijnlijkste optie. Optie is dat Huijberdina uit Bergen op Zoom kwam. Dan is er slechts één aanknopingspunt. Ene Hendrik Cornelis van der Haar en Marie Dombre laten op 8 mei 1743 hervormd te Bergen een zoon dopen; eveneens Hendrik Cornelis genaamd. Marie Dombre was waals-gereformeerd en een dochter van Claude d’Ombre en Marie Sabouré of Chabourez, Saboret. Zij waren hugenoten, respectievelijk afkomstig uit Saint-Hippolyte in Languedoc-Rousillion (Zuid-Frankrijk) en Poitou-Chan, en huwden te Bergen op Zoom op 23 augustus 1699. Hij werd meester-broodbakker en komt o.a. notarieel voor in 1707 met betrekking tot een pand in de Kremerstraat. Voor deze optie zijn verder weinig aanwijzingen, behalve dan dat deze waarborgt dat Huijberdina van protestante oorsprong was en waarschijnlijk eveneens uit een soldatenfamilie kwam, althans aan vaderszijde.

De tweede optie gaat er mede vanuit dat Anna Maria van der Haar als vermeld in de eerste twee huwelijken dezelfde persoon is, en dus van oorsprong katholiek. Deze optie focust ook op de naam “Sitters”. Hierbij sluit ik overigens een connectie met de Zeeuwse patriciërsfamilie Van Citters, die overigens wel voorkwam in Bergen op Zoom in de 18e eeuw, nagenoeg uit. Van Sittert of Van Sittaert betreft een katholieke West-Brabantse familie (met een waarschijnlijke oorsprong in Zundert) die ik toevallig in mijn vorig artikel behandelde. Deze familie kwam in de gehele 18e eeuw voor te Steenbergen, Heerle, en de Bergse buitenpoorterij (zie de zoekresultaten te Bergen op Zoom). Probleem hier is dan niet dat deze familie of families katholiek waren, maar ook dat zij waarschijnlijk niet binnen de muren van de stad woonden (wat een wezenlijk verschil maakt), en dat het hier gaat om boerenfamilies, wat op haar beurt ook weer een groot verschil maakt met een soldatenfamilie of een traditie van huwelijken met een soldaat.

Ik sluit af met het ene wat wél zeker is over Huijberdina’s afkomst. Op 19 september 1768 maakt Cornelia de Raad voor notaris Pieter de Geep te Bergen op Zoom haar testament op. In deze akte worden Huijberdina en Jan Joost Knoest bij naam genoemd als erfgenaam, met daarbij enkele andere familieleden. Dit is een ontzettend belangrijk aanknopingspunt, betrouwbaar ook, doch tot op heden zonder vervolg. De akte begint als volgt:

“Heden den 19e september 17e acht en sestig compareerde voor mij Pieter de Geep, openbaar notaris bij den Edele Mogende Raden en Leenhove van Braband en Landen van Overmaaze, in ‘s Gravenhagen geadmitteert, binnen Bergen op ten Zoom resideerende, en voor de getuigen nagenoemt, de Eerbare Cornelia de Raad ongehuwde, dog bejaarde dochter woonende binnen deze stad, mij notaris bekend, zijnde gezond na den lichaame, haar verstand volkoomen machtig, en dus tot het passeeren dezes ten vollen bewaam, dewelke verklaarde te maken haar Testament ende uiterste wille inder manieren naar volgende.”

Allereerst vind ik ‘t het vermelden waard hoeveel woorden men een hoofdletter waardig achtten in de achttiende eeuw. Dit begin vertelt dus over Cornelia de Raad, dat zij bejaard was en ongehuwd. Haar nalatenschap begon met Aagje van Dort, dochter van Cornelis Jobse van Dort en Adriana van der Heijde. Van Dort is, zoals mogelijk minder bekend is buiten Berrege, een protestantse vissersfamilie die vaak genoemd wordt als oudste Bergse familie na Verdult. Aan haar laat Cornelia het volgende na:

“alle de boeken welke bij haar overlijden in haaren boedel gevonden worden daar ouder niet begreepen de kerkboeken met zilver beslag, beneevens drie van haare beste vrouwe rokken, na haar begeerten te verkiezen, als meede nog daar en boven eene zomme van een hondert guldens, welk legaat aan haar door haare kies na te noemen erfgenaam en su… moeten worden voldaan, drie maanden na het overlijden van de Testatrice”

Ik weet niet wat Cornelia in haar leven deed, maar honderd gulden was oprecht een heel hoog bedrag in de achttiende eeuw. Het verband tussen Aagje en haar is mij ook niet bekend, maar omdat haar ouders vermeld werden vermoed ik dat het om een minderjarige gaat. Het volgende stuk betreft een nalatenschap aan haar volle zuster Marie de Raad, “huisvrouw van” Mackelhoud. Zijn voornaam was duidelijk onbekend, gezien ‘t feit dat de notaris acht puntjes voor zijn naam plaatste. Zus Marie woonde te Nijmegen en voornamelijk al het goud en zilver. De akte vervolgt zich dan over de overige nalatenschap, als volgt beschreven:

“Ende overgaande tot de justitutie van alle haare Testatrices verdere na te laatene goederen, roerende ende onroerende actien ende crediten geene uitgezondert, zoo als die bij het overlijden van de Tesatrice sullen bevonden worden, daar (june..) verklaarde zij Testatrice tot haare erfgenaamen te nomineeren en te stellen, soo als zij Testatrice nomineert ende steld bij dezen, haare voormelde suster Maria de Raad, Huisvrouw van …… Mackelhoud, woonde te Nijmegen, voor een derde part, haare suster van halve bedde met name Hubertina Sitters, huisvrouw van Joost Knoest, woonde te Campen, meede voor een derde part. En het kind van wijlen haaren Broeder Johan de Raad, met name Johan de Raad woonende te ‘s Gravenhagen voor het resteerende een derde part.”

Hier verdeelt ze, wat ik eruit op kan maken, de rest. Die komt toe aan voormeldde volle zus Maria de Raad en Hubertina Sitters, “huisvrouw van Joost Knoest”. Hieruit blijkt dus, zoals ik in ‘t begin schreef, dat Huijberdina en Jan Joost in Kampen woonden in 1768. Zij kregen allebei en derde deel. Hubertina was echter geen volle zus, maar een “suster van halve bedde”. Deze stokoude notarishandleiding op Google Books suggereert dat deze term slaat op ‘halfzus’. Hubertina had dus dezelfde moeder als Cornelia, Maria en Johan de Raad. Laatste is al overleden in 1768, maar zijn zoon, een neef van Cornelia, woonachtig in Den Haag en ook Johan de Raad genaamd, krijgt ook een derde part. Tenslotte kregen ook de diaconiearmen en de weeskamer en stukje. De akte werd getekend door getuigen Gelijn Schellekus, woonachtig in Bergen op Zoom, en Henderik Krimp, dragonder, woonachtig in ‘t Bergs garnizoen.

knoest7

Cornelia kon haar naam schrijven, maar wel met een T. Schellekus en Krimp konden dat niet, en tekenden met een kruisje. (Afbeelding: Minuutakten notaris Pieter de Geep, 1768/RHC ‘t Markiezenhof)

Dit testament leert ons ook dat deze twee halfzussen en halfbroer waarschijnlijk uit ‘t eerste huwelijk van haar moeder kwamen. Cornelia was “bejaard” in 1768. De krankenbezoeker vermeldde het overlijden van een Cornelia de Raad op 24 september 1773 te Bergen op Zoom. Er werd geen leeftijd vermeld, alleen dat ze “jonge dochter” was. Dit kan inderdaad slaan op haar leeftijd: als ze jong was gaat het hier niet om dezelfde persoon. Het kan ook “juffrouw” betekenen, in de zin dat ze ongehuwd gebleven was. Laatste wordt misschien ondersteund door de begraafakte opgenomen in ‘t Bergs register van begraven en overluiden 1678-1776, waarin genoteerd werd dat ze op 29 september 1773 begraven werd in de kerk en de klokken 3,5 uur geluid werden. Dat wijst op aanzien of in ieder geval een behoorlijk vermogen: iets wat ook blijkt uit het testament. In ieder geval was zij dus in 1768 ouder dan Huijberdina. Een huwelijk tussen een Sitters en een De Raad heb ik verder niet kunnen vinden: sowieso in Bergen op Zoom geen aanknopingspunten. Een Johan de Raad komt wel voor als militair in Den Haag. Ik denk ook dat Huijberdina elders geboren werd, maar misschien dat de familie De Raad haar oorsprong wél in Bergen op Zoom vond: waarom zou Cornelia anders ongehuwd (dus niet meegekomen met een soldaat die tussen regimenten reist) in Bergen op Zoom wonen?

Ik zou graag eindigen met nóg een keer het overzichtskaartje. En ‘t lijkt een beetje alsof ik veel informatie heb, maar de ouders Knoest en de ouders Sitters blijven onbekend. En da’s jammer: er zijn genoeg aanknopingspunten, en ik vermoed dat de werkelijke geschiedenis van deze families nog verbazender is dan ik me nu kan voorstellen. Dus: weet u ietsje meer, aarzel niet en neem contact met mij op!

haar

PS: al die tags hieronder zijn voor de SEO. Waarom zou ik ‘t niet doen?

Bernaards gezocht! – De vier transportbedrijven

De hele week lang elke dag een zoekplaatje/vraagje over de familie Bernaards. Vandaag de vierde. Weet u meer? Neem contact met mij op!

Misschien is ‘t toeval, maar de familie Bernaards zit in het vervoer. En niet via één bedrijf. De bekendste is waarschijnlijk Bernaards Transport in Halsteren. Rijdt dagelijks naar Parijs. En ik weet eerlijk gezegd niet waar ik dit bedrijf moet koppelen aan de stamboom.

Twee is Bernaards-Expeditie in Tilburg. Die heb ik wél een plaatsje kunnen geven in de stamboom, zie nummer 336.

Drie is de BTO (Bernaards Transport Onderneming). Zij lag aan de Wittoucksingel 17 in Bergen op Zoom. Mogelijk had deze onderneming van doen met de begrafenisonderneming van Leonardus Johannes Bernaards (nummer 334), ook op de Kaai.

Update 27 januari 2016 door dhr. Toon van Dorst: “Vanaf 23 januari 1967 tot de overname eerst door de Snelle Bode, later door de firma Wegtransport. In 1998 (?) was ik werkzaam als chauffeur bij de BTO. De directie bestond toen uit de drie broers Klaas, Laurens en Kees Bernaards. Een vierde broer Leendert, was in die tijd beheerder van de BGA Daf Trucks in Bergen op Zoom.”

Update 7 oktober 2016 door Rikki Robben en familie: De BTO was van Nicolaas Cornelis Marie (Klaas) Bernaards (485), en later van zijn broer Laurens. Bernaards Transport in Halsteren was van zijn neef Kees, die moet nog achterhaald worden. Meer informatie in de stamboom bij 485.

Bernaards Wittoucksingel

Hier twee vrachtwagens van BTO aan de Wittoucksingel in 1960. (Afbeelding: RHC ‘t Markiezenhof)

De NV Bernaards transportonderneming “Venetron” is nummer vier. Was gevestigd op Sint-Jacobsstraat 42 in Amsterdam. Zoals ik schreef in de inleiding van de stamboom is er maar één familie Bernaards in Nederland, dus moet deze onderneming van wel van een familielid geweest zijn. Helaas heb ik geen flauw idee wie dit precies was en waar deze thuishoort in de stamboom.

bernaards amsterdam

Gezellige werkkring, radio op kantoor en zaterdags vrij! (Afbeelding: De Telegraaf, 3 juli 1962/Delpher)

bernaards gouv

Een oud glasnegatief van een vrachtwagen van één van de bovenstaande transportbedrijven, of misschien nog een andere? Genomen op ‘t Gouvernementsplein in Bergen op Zoom. (Afbeelding: RHC ‘t Markiezenhof)