101 in 1885

Afbeelding: Google

Deze week was ik even tussendoor bezig met het verder uitzoeken van de achtergrond van ‘t Ossendrechtse echtpaar Magiels-Kwik (kwartierstaatnummers 218 en 219). Man Theodorus (Theodoor) Magiels kwam uit Overpelt in Belgisch Limburg, waar hij in 1779 geboren was als zoon van ongetrouwde moeder Maria Elisabeth Magiels. Van haar ontdekte ik pas nog dat zij bij haar overlijden in 1807 woonde in ‘de Riet’ te Overpelt. Theodoor trouwde in datzelfde jaar met Jacoba Kwik. Hij moet in de loop van de 19e eeuw een actief en bekend figuur zijn geweest op ‘t dorp. Hij woonde op de Aanwas aan de weg tussen Calfven en Zandvliet en was dagloner, tuinman, landbouwer, koopman én herbergier, waarschijnlijk deels ook tegelijkertijd. Daarnaast had hij ook allerlei percelen mastbos en struiken in eigendom. Hij werd stamvader van een grote familie Magiels en was vrij oud toen hij overleed in 1871 te Ossendrecht; 91 jaar.

Over zijn vrouw Jacoba was mij wat minder bekend, tot nog toe. Jacoba was een dochter van de Bergenaar Johannes Quick (1752-1789) en de Ossendrechtse Elisabeth Smout (1756-1829). De familie Quick kwam oorspronkelijk uit Moerstraten en had tussen ongeveer 1700 en 1800 van doen met de Balmakershoeve aan de Wouwsestraatweg in de Bergse Buitenpoorterij. Toen Theodoor in 1871 overleed was Jacoba 87 jaar oud. Op hun adres woonde ook zoon Johannes Machiels en zijn familie.

Inschrijvingen van J.B. Machiels en Th. Magiels/J. Magiels in ‘t Ossendrechtse bevolkingsregister 1863-1893. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

In dit geval moeten we dan kijken richting de grote stad; en voor Ossendrecht was dat toen Antwerpen (ik zou Bergen op Zoom willen zeggen, maar dat zou niet terecht zijn, haha). De industriële revolutie was in volle gang en het naburige Antwerpen was één van de ‘booming’ steden van Europa. Uit de hele Zuidwesthoek vertrokken er eind 19e eeuw gezinnen en ongehuwde meisjes naar Antwerpen, Rotterdam en Brussel. Zo ook Jacoba’s zoon binnenvaartschipper Jan Baptist Magiels en zijn gezin, in 1869, naar Antwerpen. Nadat Jacoba weduwe was geworden in april 1871 woonde ze nog een kleine maand in haar huis, samen met zoon Johannes en diens familie. Toen werd vermeld dat zij naar Deurne vertrok. Deurne was één van de gemeenten die in die tijd in razend tempo uitgroeiden tot voorsteden van ‘t Stad. Mijn vermoeden dat Jacoba die zoon twee jaar later achterna reisde bleek onjuist; ze had namelijk nóg een zoon die al langer in Deurne zelf woonde; smid Alexander Magiels.

Alexander kwam met zijn echtgenote al in 1855 voor op de kadastrale legger van Deurne; da’s toch wel net voor de gemeente zo groeide. Hij woonde in 1871 aan de Turnhoutsebaan in die gemeente, een doorgaande weg van Antwerpen via Borgerhout en Deurne de Kempen in. Bij hen ging Jacoba dus in dt jaar inwonen. Nog altijd was ik op zoek naar haar datum van overlijden; echter in ‘t bevolkingsregister werd tot 1880 geen datum vermeld. In de periode vanaf 1880 bestond het gezin uit hoofd Alexander Magiels, hoefsmid, weduwnaar van Petronella Daems (*Ossendrecht, 16/9-1822, ✞ Deurne, Antwerpen, 11/11-1882), Jacoba Kwik (zijn moeder), zonder beroep, weduwe van Theodoor Magiels, (*Ossendrecht, 13/12-1783, ✞ Deurne, 2/5-1885), Cornelius Josephus Cluytmans (stiefzoon), hoefsmid (*Deurne, 3/9-1848), Joannes Franciscus Cluytmans (stiefzoon), hoefsmid (*Deurne, 3/9-1850), vertrokken naar Turnhoutschebaan 188 te Borgerhout op 9/11-1883, Cornelia Magiels (dochter), zonder beroep (*Deurne, 9/3-1854), Antonius Ludovicus Magiels (zoon), hoefsmid (*Deurne, 20/6-1856), vertrokken naar Turnhoutschebaan 188 te Borgerhout op 11/11-1883 en getrouwd met Maria Merkens en Maria Catharina Magiels (dochter), huishoudster (*Deurne, 21/3-1862).

Afbeelding: Bevolkingsregister Deurne sectie B1 & B2 1880-1891 (via Rijksarchief België).

Het Cogelsplein in ‘t centrum van Deurne op een ansichtkaart van rond 1900. De straat waar de huizen aan liggen is de Turnhoutsebaan; ‘t is hetzelfde plein als op de screenshot van Google Streetview bovenaan dit artikel. (Afbeelding: Pinterest)

Zoals u misschien al las; Jacoba overleed op 2 mei 1885. Dat zou betekenen dat ze 101 jaar oud werd; een haast absurd hoge leeftijd voor die tijd, en iets wat me in eerste instantie verdacht lijkt. Na de akte opgezocht te hebben in de tienjarige tafels van Deurne en later in ‘t overlijdensregister blijkt alles toch echt te kloppen. In de akte werd vermeld dat zij overleed om half zes ’s middags in haar huis aan de Turnhoutschebaan wijk B nummer 105 te Deurne. Volgens de aangevers was zij weduwe van Theodorus Magiels en dat zij een dochter was van Adrianus Kwik en Elisabeth Smout. De aangifte werd gedaan door Cornelius Josephus Cluytmans, 36, smid, stiefzoon van haar zoon Alexander en door Antonius Ludovicus Magiels, 28, smid, kleinzoon, beiden woonachtig te Deurne. 

Dat de aangifte werd gedaan door twee kleinkinderen is op zich wel opvallend; gewoonte was toch dat een directe zoon van de overledene de aangifte ging doen; wanneer deze in de buurt woonde althans. In de akte werd ook haar geboortedatum vermeld: 19 december 1783. Die datum was mij reeds bekend; deze werd ook steeds vermeld bij inschrijvingen in bevolkingsregisters van Ossendrecht en later van Deurne. Overigens heb ik tot mijn spijt deze datum nooit kunnen ‘staven’ met een doopakte; ze werd niet vermeld in zowel RK als NH doopboeken te Ossendrecht, Woensdrecht, Huijbergen of Putte. Wel valt de datum netjes tussen die van haar broer Adrianus Quick (gedoopt te Ossendrecht op 7/12-1781) en van haar zus Maria Dijmphna Quick (gedoopt te Ossendrecht op 14/6-1785) en is de datum erg consistent vermeld in de loop der jaren, wat er toch op wijst dat ze correct is. 

Afbeelding: Overlijdensregister Deurne 1879-1890 (via Rijksarchief België).

Ergens is het wel jammer dat er bij ‘t opstellen van de akte een geboortedatum werd opgetekend en niet haar leeftijd; ik heb vaker gezien dat deze dan enigzins sierlijk en wat groter werd geschreven. Sowieso vraag ik mij af wat deze eeuwelinge ‘voor indruk’ achterliet op Deurne. In een klein dorp werd zoiets vast groots gevierd; maar zal dat in dit geval ook zo zijn geweest, zo zonder kinderen in de buurt? Is er misschien een vermelding geweest in een lokaal dagblad? 

In ieder geval heeft Jacoba bij dezen een mooie tweede plek te pakken in een tof lijstje; dat van al mijn voorouders die negentig jaar of ouder werden. Negentien zijn het er. Da’s zo’n lijstje zonder enige relevante waarde, maar wel leuk om te zien. Hieronder ziet u het lijstje, en hier wél wat sierlijk; in een stijlvol lettertype.

  • 1. Julia Catharina Linders-de Dooij, 102*Hoogerheide, West-Brabant, 1914, Bergen op Zoom, 2016
  • 2. Jacoba (Jaqueline) Magiels-Kwik, 101*Ossendrecht, West-Brabant, 1783, Deurne, Antwerpen, België, 1885
  • 3. Maria Catharina (Kaatje) van Dijke-Musters, 97*Ossendrecht, West-Brabant, 1867, aldaar, 1964
  • 4. Dirkje Luijten-Havelaar, 96*Woudrichem, Midden-Brabant, 1817, Oud-Gastel, West-Brabant, 1913
  • 5. Cornelia van Eekelen-Uijtdewilligen, 95*Bergen op Zoom, 1791, Wouw, West-Brabant, 1887
  • 6. Petrus Peeterssen (Pieter) Buermans, 95*Essen, Antwerpen, België, 1648 Nispen, West-Brabant, 1743
  • 7. Elisabeth (Liesbeth) Linders-Huijps, 94*Hoogerheide, West-Brabant, 1881, Bergen op Zoom, 1976
  • 8. Paulina (Pouwelina) Withagen-Schuurbiers, 94*Bergen op Zoom, 1818, aldaar, 1912
  • 9. Adriana Cornelia van den Kieboom-Loos, 93*Lepelstraat, West-Brabant, 1822, Halsteren, West-Brabant, 1915
  • 10. Hendrik de Frel, 93*Oudenaarde, Oost-Vlaanderen, België, 1672, Willemstad, West-Brabant, 1768
  • 11. Gijsbertus Adriaenssen Bernaerts (Gijsbrecht) van Agtmael, 92*Nispen, West-Brabant, 1642 aldaar, 1735
  • 12. Johannis (Wannes) van Dijke, 92*Poortvliet, Zeeland, 1864, Ossendrecht, West-Brabant, 1957
  • 13. Helena Coppens-van Geel, 92*Nieuwmoer, Antwerpen, België, 1737, Nispen, West-Brabant, 1829
  • 14. Theodorus (Theodoor) Magiels, 91*Overpelt, Limburg, België, 1779 Ossendrecht, 1871
  • 15. Cornelius Sebastiaenssen Simons, 91*Essen, Antwerpen, België, 1650 aldaar, 1741
  • 16. Catharina (Kaatje) Nuijten-Adriaansen, 91*Halsteren, West-Brabant, 1859 Bergen op Zoom, 1951
  • 17. Johanna Cornelia Eijzermans-van Eekelen, 90*Wouw, West-Brabant, 1843 Bergen op Zoom, 1933
  • 18. Renerius (Reinier) de Bie, 90*Eckelrade, Zuid-Limburg, 1764, Bergen op Zoom, 1855
  • 19. Elizabeth van Merriënboer-van Nispen, 90,*Oud-Gastel, West-Brabant, 1765 aldaar, 1855

 

Bronnen gebruikt voor dit artikel: 1028, 3028, 3027, 2612, 1268, 1269, 836, 3036, 3037, 3038, 3034, 117, 2524.

Deel dit artikel

Een dag in ‘t leven van mijn voorouders in Essen

Essen op de Ferrariskaart. (Afbeelding: Koninklijke Bibliotheek België)

Vorige week had ik in ‘t West-Brabants Archief het boek ‘Familiegeschiedenis Mutsaerts/Musters’ door J. Wuijts ter inzage. In het boek citeerde hij een artikel wat in 1989 in Essen geschreven werd (“Wij van over den grens”) over de periode gedurende grofweg tussen de tachtigjarige oorlog en Napoleon. ‘t Uitgestrekte Essen had, ondanks dat ze een noordelijke uitham vormde van de Spaanse/Oostenrijkse Nederlanden, nogal wat banden met bezet Staats-Brabant. Of het nu was via de abdij van Tongerlo of de broeders van Huijbergen, of de met ‘t Nederlandse Nispen gedeelde parochie. Veel Essenaren verhuisden tussen 1600 en 1900 naar andere West-Brabantse dorpen en steden, en zo heb ik er veel voorouders. Het artikel wat J. Wuijts citeerde geeft een gedetaillerd beeld over ‘t leven in Essen in die tijd, wat ik u zeker niet wil onthouden. ‘t Is geen rooskleurig beeld, maar wie heeft ooit gezegd dat vroeger alles beter was?

“Essen behoorde in de zeventiende eeuw tot de heerlijkheid Essen-Huijbergen-Kalmthout (oostelijk deel) en was in het bezit van de abdij van Tongerlo in het bisdom Antwerpen. De kerk stond op het grondgebied van Nispen. In 1669 kwam er een schuurkerk in Essen en in 1729 een stenen gebouw. Het westelijk deel van Huijbergen behoorde toe aan het klooster der Wilhelmieten en lag op het omstreden grensgebied tussen het Markiezaat van Bergen op Zoom en de heerlijkheid. Recht werd in de openlucht gesproken door de vierschaar. Galg en rad stonden in een uithoek van het dorp. De schandpaal vonden we op het dorpsplein om iemand al dan niet gegeseld aan de kaak te stellen, maar meestal werd zij veel prozaïscher gebruikt om officiële berichten, verkopingen e.d. bekend te maken.

Met de nodige voorzichtigheid kan gesteld worden dat Essen in 1615 461 inwoners telde, tegen 825 in 1643, 1050 in 1671 en 1125 in 1700. In 1686 waren er in de gehele heerlijkheid 248 huizen waaronder vele slechte huttekens van arme mensen, twee pastoriën, twee windmolens en zes brouwerijkens. Ieder deed aan landbouw, vaak in combinatie met een ander beroep. In 1557 was de pastoor tevens veehouder en brouwer. In bijna elk huis draaide het spinnewiel.

Vanaf het plakkaat van 1608 mocht het beroep van vroedvrouw slechts door geschoolde en beëdigde vrouwen worden beoefend. Het jaarlijks aantal geboorten lag op 34 per duizend inwoners. De kindersterfte eiste echter een zware tol, één op de vijf overleed in het eerste jaar en 48 op de honderd vóór het viertiende jaar. Het aantal doodgeborenen of op dezelfde dag overleden was meer dan vijf procent. Borstvoeding werd gegeven tot twee, soms zelfs drie, jaar. Het normale interval tussen twee geboorten bedroeg dan ook 24 maanden of eerder wanneer het vorige kind gestorven was. Niet zelden sliepen de peuters met de ouders in de gesloten alkoof, nu niet bepaald de ideale vorm van slaapcomfort en luchtverversing. Een bakermat, wieg, kinderstoel en loopraam verrieden al een vorm van welstand. Fopspenen, poppen en speelgoed werden zelf gemaakt. In 1718 zag men in Essen de eerste rolwagen of kinderwagen.

Rond zes jaar kon men naar school. Aanvankelijk een lemen hut waar de kinderen van zes tot zestien jaar neerhurkten met hun schooldoos op de knieën. De vakken waren cathechismus, lees- en schrijfoefeningen en rekenen. De oudere leerlingen hielpen de jongere. Om beurten moesten zij bij de meester komen om hun les op te zeggen. Domkoppen werden gekroond met een stel ezelsoren tot grote hilariteit van de hele bende. Het aantal leerlingen was seizoensgebonden. Echte vakantie bestond niet. Er was ‘s zomers veel werk op het land en de meeste kinderen bleven dan weg. Honderd en meer leerlingen in de klas was geen zeldzaamheid. De pastoor was in het begin de schoolmeester, later werd dat de koster.

Vóór de komst van de aardappel (voor Essen 1702) bestond het dagelijk voedsel uit brood, soep en pap; een mengsel van boekweit, roggemeel, botermelk of water. Brood was meestal roggebrood, amper gerezen en besmeerd met smout of varkensvet. Boter en eieren waren bestemd voor de markt van Bergen op Zoom. Slechts op hoge feestdagen bakte men pannekoeken en wafels en was er peperkoek. Vers vlees en worst werden alleen gegeten in de slachtmaand en bij kermis en bruiloft. Hammen in de schouw en gezouten spek in de pan waren een voorrecht voor de welgestelde boeren. Kippen, konijn, duiven en eenden vrolijkten zo nu en dan het menu op. Honing was lange tijd het enige zoetmiddel. Na de komst van de aardappel was de regelmatige hongersnood voorbij en kwam er een grotere afwisseling in het voedingspatroon. De gemiddelde leeftijd steeg gemiddeld met vijf jaar tot 41 jaar voor de man en 43 jaar voor de vrouw.

Men had weinig benul van hygiëne. Veel hing natuurlijk af van de huisvrouw. De behuizingen en alkoven waren benauwd, ongezond en broeinesten van muizen, ratten, luizen, vlooien en ander ongedierte. Zich helemaal wassen of baden gebeurde nauwelijks. Vluchtig ‘s morgens het gezicht en de handen besprenkelen deden slechts enkelen. Zeep was te kostbaar voor dagelijks gebruik. De grote was deed men een paar keer per jaar. Het zelden gewassen ruwwollen en linnen kleedsel stond stijf van het zweet en het vuil veroorzaakte jeuk en huidontstekingen. Levensmiddelen waren blootgesteld aan insecten en bedierven snel in de woonruimten – kelders waren er nauwelijks. Griep, bronchitis, buikloop en etterende wonden waren vaak noodlottig. Epidemieën van buiktyfus, dysenterie, cholera, vlektyfus, pokken en de pest richtten vaak grote slachtingen aan. Het was de tijd van de volksgeneeskunst. Kwakzalvers, piskijkers, kruidendokters, alchemisten en overlezers deden goede zaken. Specifiek voor elke kwaal werden heiligen aangeroepen. Eerst in 1720 werd het chirurgeinsambt beschermd. 

Een boerenwoonstee werd naar oude traditie gebouwd. Een houten gebint opgevuld met vlechtwerk en bestreken met klei of leem. Het lage dak was van riet of stro met een schouw en een open haardvuur. Typisch Kempisch was de langgerekte hoevebouw; woning met stal onder één dak, schuur en schaapskooi naast elkaar. Met de betrekkelijke welstand daalde ook de graad van behuizing van ruim tot benepen; van abdijhoeve in baksteen tot een houten keet of plaggenhut met gestampte aarden vloer. Hetzelfde zien we bij de meubilering, keukenuitrusting, slaapstede, kleren en veestapel.”

 

Deel dit artikel

Édouard Van den Schriek uit Antwerpen (2)

Twee weken geleden schreef ik al over Édouard, vader van ‘t gezin op de foto uit 1884. In Antwerpen werd op 29 juni 1875 een akte opgesteld bij notaris Jean François Belloy inzake de verkoop van een huis. De partijen waren Denis Haine te Antwerpen en Eduard Jan Van den Schrieck, arts, te Antwerpen. De akte betrof het pand Canal des Recolette 39, wat volgens mij de Minderbroedersrui is. Dit adres is ook vermeld op een oude foto die te koop staat bij Delcampe (screenshot van 8/12-2016). De afgebeelde heer is trouwen Louis van der Molen, “19 ans”, zover ik weet geen familie van Van den Schrieck. 

De dokter komt op 18 juni 1879 opnieuw terug in een akte bij notaris Belloy, met Denis Haine, nu te Brussel, en zijn echtgenote Eugeen Van der Veken, eveneens te Brussel. Een andere akte bij dezelfde notaris van 20 mei 1877 betreft een huwelijkscontract tussen Jan Eduard Van den Schrieck, arts te Antwerpen en Maria Hortensia Gilson te Antwerpen. Een vierde akte, opgesteld bij notaris Alexander Joannes Mertens te Schilde op 10 maart 1879 vermeld Eduard Van den Schrieck te Antwerpen en ene Antoon Louis Scheevelenbos te Antwerpen. Een laatste, opvallende, akte van 10 januari 1882 (bij notaris Belloy) betreft een volmacht inzake het pand Joyensestraat N23 te Leuven. Eduard Jan wordt daarin omschreven als geneesheer, samen met Louis Van der Schrieck (let op het tussenvoegsel: ‘der’, waar bij Eduard ‘den’ gebruikt wordt), burgemeester van Winksele, een dorp in Vlaams-Brabant.

Deze vijf akten zijn de enige vermeldingen van een Eduard Van den Schrieck te Antwerpen in ‘t Belgisch rijksarchief. Dat betekent, samen met zijn welgestelde status als arts, dat ‘t aannemelijk is dat Eduard Jan of Jan Eduard Van den Schrieck hierboven te afgebeelde persoon op de foto is. Een paar aanknopingspunten heb ik dus reeds gevonden. Op Geneanet komt bij zoekopdrachten één persoon heel vaak naar voren: René Marie Édouard Van den Schrieck, geboren op 10 april 1878 te Antwerpen, overleden op 11 januari 1944 te Tourcoing in Noord-Frankrijk. En zijn geboorteakte geeft inderdaad aan dat hij een zoon was van het echtpaar Van den Schrieck-Gilson.

Afbeelding: Geboorteakten Antwerpen, boek januari-juli 1878 (via Zoekakten).

De akte geeft ook nog een hoop leuke details: De volledige namen van de zoon waren Renatus Maria Josephus Elisa Felix Eduardus. Édouard of ‘Joannes Eduardus’ was 38 en geboren te Herent in Vlaams-Brabant, de officiële namen van zijn vrouw waren Maria Hortensia Charlotte Nina Gilson, zij was 31 en afkomstig van Bouillon in Belgisch Luxemburg. Zij waren in 1877 gehuwd te Hombeek in Vlaams-Brabant, wat overeenkomt met de notariële akte in Antwerpen bovenaan dit artikel. Zij woonden op Minderbroedersrui 39 in sectie 1, dus in ‘t huis wat vader in 1875 kocht. In de periode tot 1887, de familie vertrok toen naar Leuven, waren zij inschreven op dit adres, met de volgende kinderen: Felix Eduardus Renatus Maria Josephus Elisa Van den Schrieck (*Antwerpen, 1878), Ludovica Nina Valeria Maria Josephus Margaretha Van den Schrieck (*Antwerpen, 1879), Gaston Maria Josephus Felix Eugenius Van den Schrieck (*Antwerpen, 8/3-1881, vermeld als dochter!) en Germania Maria (…) Theresia Felizi(..) Nina Van den Schrieck (*Antwerpen, 19/12-1882). Twee dingen blijken hieruit: onderscheid tussen jongensnamen en meisjesnamen was niet echt belangrijk voor dit gezin, en de vier kinderen, drie dochters en een zoon, komen overeen met de gezinsfoto. Inwonend was trouwens ook Antonia Tinglet, meid, geboren te Grupont in 1850. 

Afbeelding: Bevolkingsregister Antwerpen 1880-1890, wijk 1, boek 7-11 (via Zoekakten)

Nu de bevestiging er is kan ik verder met zoon René. Hij trouwde volgens de bestanden op Geneanet met Mathilde Marie Thérèse Joseph Duvillier, iets wat in ‘t bevolkingsregister hierboven ook vermeld wordt. Mathilde zou op 12 mei 1881 geboren zijn in Tourcoing, dochter van Paul Marie Joseph (Georges) Duvillier (1853-1926, “filateur de cotton”) en Élisa Jeanne Françoise Marie Motte (1854-1946). Van moeder is in ieder geval bekend dat ze in Tourcoing geboren werd en aldaar overleed. ‘t Echtpaar Van den Schrieck-Duvillier in Frankrijk kreeg meerdere kinderen en kleinkinderen; en ‘t lijkt erop dat de zoektocht van dhr. Tiggelman naar nakomelingen gaat slagen.. Als ‘t zover is laat ik het weten.

 

Deel dit artikel