Oveniersuskes (hulpkaarten kadaster III)

Ik was al even bezig met de hulpkaarten van het kadaster. De centrale vraag hierbij: hoe kan ik perceelnummers, afkomstig uit 19de-eeuwse notariële akten, vertalen naar duidelijke locaties? Oftewel: kan ik het daadwerkelijke pand vinden waar het om gaat? Onderstaand artikel is het resultaat. Dit is het laatste artikel in de reeks over het kadaster.

  • 126, 127, 62, 63 Hopmans-Franken, Musters-Hopmans
  • 40 Franken
  • 20, 21, 42, 43, 84, 85 Franken-Withagen, Withagen-Withagen, Withagen-Steenbak
  • 82, 83 Boschman-Nuijten
  • 90, 91 Borrie-de Ruijter

Hopmans-Franken, Musters-Hopmans

Bij notaris Van Gastel te Wouw werd op 17 oktober 1885 een akte opgesteld waarin gekeken werd naar de nalatenschap van Isabella Franken (*Bergen op Zoom, 1822, ✞ aldaar, 1858, kwartierstaatnummer 127) en hoe de boedel verdeeld moest worden. Haar weduwnaar Petrus Hopmans (*Bergen op Zoom, 1823, ✞ aldaar, 1897, kwartierstaatnummer 126) was toen al ruim 25 jaar getrouwd met Isabella’s zuster Anna Cornelia Adriana Franken (*Hoogerheide, 1833, ✞ Bergen op Zoom, 1911). De boedel bestond uit:

  • Meubilair en “andere roerende goederen”, ter waarde van 396 gulden en vijftig cent
  • Tweehonderd gulden aan contanten
  • Een huis en erf aan de Rijkebuurtstraat met als adres C9 en kadastrale nummering sectie G 2757 met een geschatte waarde van 2900 gulden.
  • Een perceel bouwland te Halsteren, sectie D nummer 261 aldaar, met een geschatte waarde van vijfhonderd gulden.

Perceel G2757 komt voor op een hulpkaart uit 1875. Het blijkt te gaan om twee percelen die rond die tijd klaarblijkelijk samengevoegd werden. De hulpkaart verwijst naar nummers G2010 en G2011. Leuk detail: die twee nummers komen weer van een hulpkaart uit 1861, toen het perceel G1278 gesplitst werd. De oorspronkelijke kaart verwijst naar een pand op de hoek van de Rijkebuurtstraat en de Bruinevisstraat. Het begin van de Kaai lijkt een terugkerend thema te zijn in dit artikel en onder mijn Bergse voorouders. Het beige pand met knipvoegjes wat we anno 2019 op die plek vinden is niet het huis waar de familie in woonde, dat is wel te zien op onderstaande foto van een kleine twintig jaar na de opsomming van de boedel.

De hulpkaart uit 1875. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Op deze prachtige foto uit 1907 zien we de Rijkebuurtstraat richting de Kaai. Het rode pand was van de familie. Afbeelding: WBA Bergen op Zoom.

Eerder, in 1873, liet tweede echtgenote Anna Cornelia Adriana Franken bij notaris Van Gastel haar testament opstellen. Hierbij werd er geen inventaris opgemaakt, ze benoemde simpelweg Petrus Hopmans als erfgenaam. Op 14/2-1898 werd bij notaris Schermer een akte opgesteld waarin bleek dat, inmiddels wijlen, Petrus Hopmans financiële afspraken had met collega-hovenier Martinus Petrus Franken Laurenszoon (*Bergen op Zoom, 1833, ✞ aldaar, 1911, kwartierstaatnummer 40).
Het in 1873 opgestelde testament bleek dus tevergeefs; Petrus Hopmans overleed als eerste in 1897. Met de Wouwse notaris Van Gastel werd op 29/3-1898 een openbare verkoop gehouden, waarbij allerlei ‘roerende goederen’ van wijlen Petrus verkocht werden. Dit lijstje is leuk om te zien, niet alleen omdat ze een klein privé-inkijkje geeft in wat voor klein spul het echtpaar in hun huis aan de Rijkebuurtstraat had staan, maar ook omdat bijna alle kopers hoveniers waren of in ieder geval uit ‘n hoveniersfamilie kwamen. Het laat dus goed zien hoe deze beroepsgroep in Berrege naar binnen gekeerd was op allerlei fronten. Er zullen wel wat voorouders van mij tussen zitten, maar omdat er zoveel hetzelfde heetten en hier geen patroniemen vermeld werden, kan ik dat niet met veel zekerheid zeggen.

  • Vier ramen aan Willem Musters, zestig cent.
  • Een wagentje aan Piet Musters te Bergen op Zoom, dertig cent.
  • Kruiken aan Cornelis Hopmans te Bergen op Zoom, veertig cent.
  • Ketels aan Van den Boom, dertig cent.
  • Een waterketel aan Jan Franken, zestig cent.
  • Kannen aan vrouw Pagée, één gulden vijftig.
  • Een kan aan Jan Franken Arnolduszoon te Bergen op Zoom, één gulden negentig.
  • Vorken aan Petrus Withagen Janzoon te Bergen op Zoom, twee gulden tien.
  • Een hak aan Van Egeraat, vijftig cent.
  • Een tuinschaar aan Lambertus Franken, twee gulden.
  • Een lent aan Huijgen, dertig cent.
  • Een lent aan Piet Withagen voornoemd, dertig cent.
  • Hakken aan Piet Withagen voornoemd, één gulden vijftig.
  • Hakken aan Franken, één gulden tien.
  • Een waterketel aan Piet Nuijten-Crusio, twintig cent.
  • Een waterketel aan Van den Boom, tien cent.
  • Een haak aan Arnoldus Hopmans, twintig cent.
  • Een schop met riek aan Willem Musters, twee gulden twintig.
  • Een schop aan Piet Withagen Janzoon, één gulden zeventig.
  • Een bijl aan Arnoldus Hopmans, één gulden zestig.
  • Een vlagzeis aan Piet Withagen Janzoon, zestig cent.
  • Een touw aan Cornelis Franken, negentig cent.
  • Een haargetouw aan Piet Withagen, negentig cent.
  • Strengen aan Arnoldus Hopmans, twee gulden dertig.
  • Een zaag aan Arnoldus Hopmans, tachtig cent.
  • Een g(..)eef aan Cornelis Huijgens, één gulden tien.
  • Een zeef aan Arnoldus Hopmans, één gulden.
  • Een kist aan Arnoldus Hopmans, één gulden.
  • Een kist aan Piet Hagenaars, dertig cent.
  • Een kist aan Piet Withagen, tien cent.
  • Een tafel aan Piet Nuijten-Crusio, zestig cent.
  • Een ton aan Jan Paanen te Bergen op Zoom, één gulden twintig.
  • Ba(..)le met gewicht aan Cornelis Hopmans, zeven gulden.
  • Een kruiwagen aan Piet Withagen, vier gulden 25.
  • Een aardkar aan Piet Withagen, 39 gulden.
  • Een aardappelzetter aan Piet Withagen, twintig cent.
  • Een ploeg aan Cornelis Hopmans, tien gulden vijftig.
  • Een tol aan Arnoldus Hopmans, één gulden zeventig.
  • Schuthekken aan Piet Withagen, tachtig cent.
  • Manden aan Piet Paanen te Bergen op Zoom, één gulden.
  • Een egge aan Arnoldus Franken Arnolduszoon te Bergen op Zoom, vijf gulden.
  • Een beerkist aan Piet Withagen, elf gulden.
  • Een ijswagen aan Jan Franken Adrianuszoon te Bergen op Zoom, drie gulden.
  • Een egge aan Willem Appels te Bergen op Zoom, vier gulden 25.
  • Een schraag aan Piet Withagen, twintig cent.
  • Een peemolen aan Piet Nuijten-Crusio, twee gulden.
  • Een ladder aan Piet Withagen, één gulden zeventig.
  • Een ladder aan Cornelis Hopmans, één gulden.
  • Wielen aan Arnoldus Franken, één gulden tien.
  • Een kafmolen aan Cornelis Hopmans, zeven gulden.
  • Een mand met kippen aan Piet Hagenaars te Bergen op Zoom, vier gulden 25.
  • Een mand met kippen aan Arnoldus Hopmans, vijf gulden.
  • Mest aan Gerrit Franken te Bergen op Zoom, tien gulden vijftig.
  • Mest aan Antonie Verdult te Bergen op Zoom, voor zes gulden 75 en nog een keer voor zeven gulden en vijf gulden vijftig.
  • Mest aan Jacobus van Eekeren te Bergen op Zoom, zes gulden.
  • Mest aan Piet Musters voornoemd, zeven gulden 25.
  • Mest aan Hendricus van Broekhoven, zeven gulden 25.
  • Mest aan Jan Franken, zes gulden 25.
  • Een witbonte koe aan Piet Withagen, 121 gulden.
  • Een zwartbonte koe aan Martien Franken-Withagen, 111 gulden.
  • Een blauwe koe aan Piet Withagen, 119 gulden.
  • Een pony aan Piet Withagen, 106 gulden.
  • Een tuig aan Piet Withagen, vijf gulden.
  • Een zadel met ligt aan Piet Withagen, zes gulden.

Later dat jaar, op 12 mei 1898, werd dan toch de gemeenschappelijke boedel verdeeld. De familie verscheen voor notaris Van Gastel. Anna Cornelia Adriana Franken, hovenierster, weduwe van Petrus Hopmans, Petrus Musters Willemszoon (*Bergen op Zoom, 1845, ✞ aldaar, 1929, kwartierstaatnummer 62), hovenier, getrouwd met dochter Petronella Hopmans (*Bergen op Zoom, 1850, ✞ aldaar, 1924, kwartierstaatnummer 63), Cornelis Hopmans, hovenier, Nicolaas Snellens, schipper, getrouwd met dochter Maria Hopmans, Arnoldus Hopmans, hovenier, Walterus van Egeraat, voerman, getrouwd met dochter Catharina Hopmans, Johannes Petrus van den Boom, slager, getrouwd met dochter Johanna Hopmans en Petrus Cornelis Withagen, hovenier, getrouwd met dochter Petronella Jacoba Hopmans. Zij waren allen woonachtig te Bergen op Zoom, met uitzondering van Nicolaas Snellens (die uit mijn hoofd ook in de stamboom Bernaards voorkomt), hij woonde te Raamsdonk. De boedel bestond uit:

  • Percelen bouwland, hakhout en tuin, sectie F nummers 377 en 696 en sectie C nummers 730, 575 en 773, samen ruim drie hectare groot en met een geschatte waarde van 3700 gulden. De percelen waren al enkele decennia hun eigendom.
  • Nog meer inboedel en gereedschap, met een geschatte waarde van 790 gulden.
  • 41 gulden en 22 cent aan cash.
  • Een schuldvordering met betrekking op het schip van Nicolaas Snellens.
  • Een hypothecaire schuldvordering aan schoonzoon Walterus van Egeraat.
  • Drie renteloze vordering met een gezamenlijke waarde van 7600 gulden.
  • Het huis in sectie G nummer 2757 lijkt inmiddels verkocht te zijn, met ‘voorbehoud van vruchtgebruik’.

Perceel C575 wordt vermeld op een hulpkaart uit 1881. Op die kaart wordt verwezen naar het oude nummer, 330, wat een orgineel nummer uit 1832 is (zie mijn uitleg over ‘originele’ nummers en nummers van hulpkaarten bij dit artikel). C330 was een langgerekt perceel, gelegen aan de Zoom en naast de Zanderijen, ongeveer waar nu de A4 ligt. Op zowel de kaart uit 1832 als de hulpkaart van 1881 is landgoed Ruitershove te herkennen. Perceel C773 was wat kleiner en rechthoekig. Ze komt voor op drie hulpkaarten; één uit 1897 die verwijst naar C637, C637 verwijst weer naar C576 op een hulpkaart uit 1881 en C576 verwijst naar een origineel perceelnummer: C330. En da’s toevallig precies hetzelfde oorspronkelijke perceel langs de Zoom als het latere C575.

Perceel C730 wordt weergegeven op een twee keer zo grote hulpkaart uit 1898. De kaart lijkt opgesteld te zijn rondom een herindeling van een groot stuk land. Te zien is bijvoorbeeld dat er een soort van kanaal o.i.d. aangelegd is, zo lijkt het. In ieder geval vertelt het originele nummer, C180, me dat het ging om een stuk landbouwgrond aan de huidige Ravelstraat, de oude Moerstraatsebaan, in de buurt van de hoeve Bloemendaal.

Het perceel langs de Zoom op de hulpkaart uit 1882. Bron: hulpkaarten Kadaster doos HK0073, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Hetzelfde perceel langs de Zoom op de eerste kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Het perceel langs de Moerstraatsebaan op een hulpkaart uit 1896. Bron: hulpkaarten Kadaster doos HK0073, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Hetzelfde perceel in de buurt van Bloemendaal/de Bommesee op de eerste kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op deze uitsnede van de topografische kaart anno nu is aangegeven waar de drie percelen ongeveer gelegen hebben. (Originele afbeelding: J.W. van Aalst/Wikimedia Commons)

Franken

Voorouder Martinus Petrus Franken Laurenszoon (*Bergen op Zoom, 1833, ✞ aldaar, 1911, kwartierstaatnummer 40) was ook een drukbezet man. Een drukbezette hovenier, welteverstaan. Hij werd onder andere in 1873 en 1876 (en nog vele andere momenten) vermeld in verband met de koop en verkoop van percelen. Zo verkocht hij o.a. in 1877 een perceel van tien hectare bouwland te Halsteren (sectie D nummer 841) aan Adrianus Wesenbeek aldaar, in 1878 percelen bouwland met een grootte van negen en zeventien hectare te Halsteren (sectie D nummer 841) aan Theodorus Verbeek te Antwerpen en datzelfde jaar nog weer aan Wesenbeek (Halsteren D849). De Halsterse sectie D omvatte de Noordgeest, het gebied wat in 1962 overging naar Berrege. Hier zaten toen al veel hoveniertjes. Verder komt hij vele malen voor i.v.m. hypotheken en borgstellingen voor anderen. Het lijkt erop dat Martinus meer een soort boerenzakenman was dan puur hovenier. En dat blijkt ook wel een beetje uit de handel in huizen. Alle akten gingen bij Van Gastel te Wouw.

  • Op 6/3-1875 verkocht Martinus een huis met erf, perceel G nummer 1597 te Bergen op Zoom, samen met een stukje grond binnen perceel G324 aan Hermanus Robbe voor tweeduizend gulden.
  • Op 12/2-1876 verkocht Martinus een huisje met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 324, voor negenhonderd gulden aan Antonie Huismans.
  • Op 16/2-1884 verkocht Martinus een huis met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 3454 voor 1200 gulden aan Jacobus Stok te Halsteren.
  • Op 29/12-1884 vond er bij de Draak op de Mart een verkoop plaats van huis en erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 3025. Hierbij waren Martinus en Constantinus Antonius de Bruijn betrokken, en het lijkt erop dat Martinus voor tweeduizend gulden het huis kocht.
  • Op 6/2-1886 verkocht Adam Paulus samen met anderen voor 2250 gulden een huis met erf te Bergen op Zoom, perceel sectie G nummer 3105 aan Martinus.
  • Op 9/4-1891 verkocht de eerder vermelde Constantinus Antonius de Bruijn een huis met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 388, voor 1750 gulden aan Martinus.
  • Op 28/1-1892 verkocht Helena Elisabeth Baartmans, weduwe van Antonie Huijsmans (aan wie Martinus in 1876 een huis verkocht) met anderen een huis met erf te Bergen op Zoom, sectie G nummer 4880, aan Martinus voor zevenhonderd gulden. Perceel G4880 is moeilijk te traceren; hulpkaarten ontbreken. Het lag in ieder geval in de Bergse binnenstad.
  • En tenslotte verkocht Pieter Jan Baptist Doggen op 22/12-1893 een huis met erf te Halsteren, sectie D nummer 940 aldaar (op de Noordgeest), aan Martinus voor vierhonderd gulden.

Perceel G324 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Perceel G1597 komt voor op een hulpkaart uit 1848. Ze blijkt te verwijzen naar G323, een origineel perceelnummer. G323 lag naast G324, wat wel ongewijzigd bleef, en was dus een huisje aan de noordoostzijde van de Mosselstraat.

Perceel G1597 op een hulpkaart uit 1848. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

De twee percelen op de originele kaart uit 1832. De Vischmarkt en Sint Antoniestraat zijn ook goed te herkennen. Aan het eind van de straat lag geen groot veld ofzo, da’s simpelweg een andere kaart (aldaar begon de vesting; laatste werd geslecht in de tijd dat Martien Franken handelde in de huizen). 

De twee panden in de Mosselstraat zijn inmiddels (ik vermoed in de jaren ’90) afgebroken in het kader van stadsherstel in de Vijfde Wijk. Hier zijn ze te zien op een luchtfoto uit 1986. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

‘t Mosselstraatje gezien richting de Sint-Anthoniestraat. Rechtsachter de eerder omschreven nieuwbouw. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Perceel G3454 brengt me op een kadasterhulpkaart uit 1883, waarop een rijtje huizen te zien is. De verwijzing is naar een kaart die niet lang daarvoor opgemaakt moet zijn: G3416. En inderdaad, de volgende kaart, uit 1881, laat het rijtje huizen zien in aanbouw. Het volgende perceelnummer is G3371. Da’s een kaart uit datzelfde jaar, die verwijst naar G3250, wat weer een kaart is uit 1880 waarop te zien is dat G2463 dan opgesplitst is in G3249 t/m G3253. G2463 komt voor op een kaart uit 1871, en die maakt veel duidelijk. Op die kaart is duidelijk te contour van de binnenstad te zien, met straten die aangelegd werden op de grond die vrijkwam door het slechten van de vesting. Dat maakt het waarschijnlijk lastig om de precieze locatie te bepalen. De kaart uit 1871 verwijst naar G2388. Nog een paar keer doorbladeren brengt me op een hulpkaart uit 1870, waar het zo’n beetje eindigt. Toch biedt het vergelijken van deze kaarten aanknopingspunten. Zo is te zien dat perceel 2463 een ‘vakje’ is, later een huizenblok dus, en dat vakje is te plaatsen aan de hand van de contouren van de stad en de oude vesting zoals ze op de hulpkaart uit 1871 getekend staan. En dan kom je uit op een blok tussen de Glymesstraat, Koepelstraat, Coehoornstraat en Belvédèrestraat, met huizen aan de noordkant, dus aan de Koepelstraat, of aan de oostzijde, dus aan de Coehoornstraat.

Het rijtje huizen (waar er rond die tijd op de lege plek nog twee gebouwd werden) op een hulpkaart uit 1881. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op deze hulpkaart uit 1880 is het patroon wat gebruikt werd in de nieuwbouw op de plaats van de geslechte vesting te herkennen.. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

..en op deze hulpkaart van tien jaar daarvoor nog beter. Hier is duidelijk een soort overgangsperiode te herkennen; grenzen van kadastersecties die nog de vorm van de vesting hebben en grote lege terreinen tussen die grenzen en de oude stad waarop in patronen gebouwd werd. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Het te herkennen huizenblok in het hedendaagse stratenplan. (Afbeelding: J.W. van Aalst/Wikimedia Commons)

Perceel G3025 komt voor op een hulpkaart uit 1876 waarop een blok opvallend gelijkaardige huisjes te zien is, doch ze lijkt daar los van te staan. Het verwijst naar perceelnummer G1489. Dat brengt mij bij een oudere hulpkaart met meer details. Deze komt uit 1842, en vermeld dat het perceel eigendom was van Walter Adrianus Roosen op dat moment, en dat er een gedeeltelijke afbraak plaatsvond. Het originele perceelnummer was 708. G708, zo blijkt uit de originele kaart uit 1832, was een vrij groot woonhuis aan de Goudenbloemstraat, op dat moment nog ‘den Armen Blok’ genoemd, naar het naastgelegen gasthuis. Het huis is geen monument, althans niet ten tijde van het opstellen van het Bergs Monumentenboek in 1995. Het huidige adres is Goudenbloemstraat 7. Perceel G3105 komt voor op een hulpkaart uit 1878, waarbij verwezen werd naar perceelnummer G3027. G3027 brengt mij op dezelfde hulpkaart uit 1877 als die van G3025. G3027 blijkt te verwijzen naar oorspronkelijk nummer G537.

Het perceel op een hulpkaart uit 1876. Het rijtje huizen was waarschijnlijk onderdeel van ‘t Erremenblok. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Hetzelfde perceel op de originele kaart uit 1832. Op deze uitsnede zijn goed de oude katholieke schuurkerk en de Waalse en Lutherse kerk te herkennen. (Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Foto uit 1970 van Goudenbloemstraat 5 (pakhuis) en 7, gezien in de richting van de Pis’oek. (Afbeelding: Jan Weijts/WBA Bergen op Zoom)

Het huis heet ‘den Klijnen Notenboom’. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Perceel G388 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Het blijkt hier te gaan om het vrij grote pand op de hoek Vischmarkt/Wijngaardstraat/Klaverstraat, waar toevalligerwijs rond de tweede wereldoorlog weer mijn betovergrootvader Kees Linders (*Bergen op Zoom, 1870, ✞ aldaar, 1953, kwartierstaatnummer 18) woonde. G388 doet heden ten dage aan als een wat vervallen pand uit de jaren ’30, maar schijnt bedriegt: da’s enkel de gevel.

Op de oorspronkelijke hulpkaart uit 1832. Er is de loop van de tijd haast niets veranderd aan de grootte of vorm van het pand. (Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Op deze foto de Vischmarkt richting het noorden, rond 1895. Het rood gearceerde pand is het hoekpand Klaverstraat. (Afbeelding: WBA Bergen op Zoom)

De huidige situatie. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Franken-Withagen, Withagen-Withagen, Withagen-Steenbak

Dan is er nog het echtpaar Adrianus “Adriaan den Blauwe” Franken (*Bergen op Zoom, 1873, ✞ aldaar, 1951, kwartierstaatnummer 20) x Paulina Maria Withagen (*Bergen op Zoom, 1873, ✞ aldaar, 1942, kwartierstaatnummer 21). Ook zij waren hoveniers, en kwamen voor in akten samen met Paulina’s ouders, het echtpaar Withagen-Withagen: Godefridus Withagen (*Bergen op Zoom, 1845, ✞ aldaar, 1907, kwartierstaatnummer 42) x Maria Withagen (*Bergen op Zoom, 1849, ✞ aldaar, 1921, kwartierstaatnummer 43).
Op 27/8-1907 kwam notaris Van Gruting naar het ‘sterfhuis’ van Godefridus Withagen aan de Dubbelstraat, om op te tekenen wat de nalatenschap was. Hierbij waren aanwezig Godefridus’ weduwe Maria Withagen, waarbij vermeld werd dat zij moeder was van de minderjarige kinderen Walterus Withagen, Helena Withagen, Johanna Petronella Withagen en Catharina Maria Withagen, en zijn kinderen Petrus Paulus Withagen, hovenier en voogd over zijn minderjarige broer en zussen, Adrianus Franken, koopman, getrouwd met dochter Paulina Maria Withagen, Cornelis Bruijs, hovenier, getrouwd met dochter Cornelia Maria Withagen en dochter Petronella Maria Withagen, allen woonachtig te Bergen op Zoom. De inboedel werd als volgt vastgesteld.

Uit de stal:

  • twee koeien
  • graan en hooi
  • een paard
  • kar, tuig en landbouwgereedschap
  • tobben, korven en manden
  • tien gulden aan mest
  • twaalf kippen

En uit ‘t huis:

  • Een kastje met tafel, stoelen, lamp en spiegel
  • deken en kussen
  • aardewerk en huishoudelijk gerief
  • tafel en stoelen
  • klok, spiegel, ornamenten, vazen en een lamp
  • huishoudelijk gerief in een kast

In het voorhuis:

  • Een bank
  • Melktafel met melkgereedschap
  • Op zolder:
  • Lijnmeel (?)
  • Ledikanten met toebehoren
  • Twee kachels
  • Een ijswagen
  • Een renwiel
  • Manskleeden en vrouwekleeden
  • Een brandkast

Samen met de groenten en fruit op het veld was het geheel 1353 gulden en vijftig cent waard, zo werd ingeschat. Maar dan waren er nog de onroerende goederen. Godefridus bezat drie huizen, twee aan de Artilleriestraat en één aan de Dubbelstraat; in het laatste woonde hij waarschijnlijk zelf aangezien werd vermeld dat dat zijn sterfhuis was, en Dubbelstraat vermeld is in meerdere geboorteakten van zijn kinderen. De twee huizen aan de Artilleriestraat hadden kadasternummers G4405 en G4406 en waren samen een geschatte duizend gulden waard, het huis met tuin aan de Dubbelstraat had nummer G4407 en had een geschatte waarde van 2200 gulden. In 1909 en 1913 zou de hele familie nog een keer in een akte verschijnen i.v.m. een hypotheek op dit onroerend goed. Over de precieze locatie van deze percelen kon ik niets vinden m.b.t. ontbrekende hulpkaarten.
Godefridus was net als de eerder genoemde Martinus Petrus Franken een drukbezet hovenier. Naast wat transacties m.b.t. lapjes bouwgrond en hypotheken werd (ver)kocht hij ook deze huizen:

  • Op 19/2-1873 kocht hij in een akte bij notaris J.F. van Goch een huis met erf aan de Moeregrebstraat ‘nabij de Spuibrug’ van Johannes en Lucia Hagenaars. Laatste hadden toen geen beroep of ‘maatschappelijke betrekking’, mogelijk gingen zij met pensioen en verkochten ze hun huis. Het huis had kadasternummer G216. Godefridus’ moeder Cornelia Withagen-Steenbak en zijn schoonvader, bouwman Petrus Martinus Withagen, stonden borg voor de aankoop.
  • Op 22/5-1875 kocht Godefridus (nu vermeld als ‘Godefridus Petrus Pauluszoon Withagen’) weer een huis, ditmaal van Johannes van Rijen te Bergen op Zoom. De verkoop vond plaats in koffiehuis ‘de Korenbeurs’ met de Wouwse notaris W. van Gastel. De totale koop, voor een bedrag van 4320 gulden, bestond uit een huis met schuur, stallen, bakoven, wagenhuis, pakhuis, erf, moestuin en twee regenbakken, en werd samen gedaan met Petrus Hopmans, mogelijk de voorouder uit eerder in dit artikel. Het geheel omvatte het perceel met kadasternummer G165 en een deel van de percelen G166 en G167.
  • Op 4/10-1877 verkocht Godefridus het huis wat hij vier jaar eerder gekocht had weer door. Het gaat hier om het huis met erf aan de Moeregrebstraat, kadasternummer G216. De verkoop werd gedaan bij notaris Van Gastel aan Gerardus Jacob Noordhuizen voor 1500 gulden, die hem voorgeschoten werden door Petrus Michiel Koens te Bergen op Zoom, met een rente van 4% te voldoen per 4 oktober.
    De ouders van Godefridus waren Pieter Paulus Withagen (*Bergen op Zoom, 1803, ✞ aldaar, 1870, kwartierstaatnummer 84) en Cornelia Steenbak (*Bergen op Zoom, 1803, ✞ aldaar, 1875, kwartierstaatnummer 85). Van hen weet ik dat hij geboren werd in de Fluwelenbroekstraat en zij in de Rijkebuurtstraat, en dat zij beiden overleden aan de Lindebaan. Op 22/12-1869 maakten beide echtelieden hun testament op bij Van Gastel, waarin ze alles aan mekaar nalieten; da’s meer iets procedureels. Mogelijk was P.P. Withagen ziek geworden, want hij zou een aantal maanden later komen te overlijden.

Perceel G216 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Ook hier vinden we een mooi pand terug, wat ook anno 2019 niet herbouwd is o.i.d. Het lag aan de Moeregrebstraat, tegenover de open Grebbe, naast het ‘Steeleke’, waar Dubbelstraat, Moeregrebstraat, Kaai, Hoogeboomstraat en Spui samen kwamen. Het ligt naast het ‘Kerkje van Weijts’ en is niet vermeld in het Bergs Monumentenboek uit 1995.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het huis heet ‘de Groote Heijdtbloem’. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

G165, G166 en G167 waren ten tijde van de vermelding percelen waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden zijn. En op die eerste kaart blijkt het te gaan om twee panden aan de Dubbelstraat, ter hoogte van het Molenpad in de buurt van café de Mortier. De tuin was inderdaad vrij groot en zal toentertijd tot aan de Artilleriestraat gelopen hebben. Op de oorspronkelijke kaart is de Blokstal waar nu het Facilitair Bedrijf in zit te herkennen als G204.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Boschman-Nuijten

De schoonvader van Martinus Laurenszoon Franken was Theodorus (Doris) Boschman (*Bergen op Zoom, 1799, ✞ Halsteren, West-Brabant, 1879, kwartierstaatnummer 82). Doris’ vader kwam uit een Brusselse familie, zijn moeder uit kringen rond de Waalse kerk. Toch raakte hij betrokken bij de Bergse hoveniers, en had hij ook veel banden met Halsteren, het dorp waar zijn vrouw Adriana Nuijten (*Halsteren, West-Brabant, 1810, ✞ Bergen op Zoom, 1883, kwartierstaatnummer 83) in de Kromstraat geboren werd.
Eerder vond ik dit echtpaar al terug in de Halsterse hulpkaarten van de eerste helft negentiende eeuw, maar er zijn ook een hoop notariële akten te vinden m.b.t. hen. Los van allerlei grote akten waarin hij met andere hoveniers handelde in stukjes grond.

  • Daarnaast verkocht Doris op 26/5-1872 zijn huis met erf en tuin op ‘t dorp van Halsteren, kadasternummers C806 en C807, aan Halsternaar Cornelis Koenen in een akte bij notaris Van Gastel. Het geheel kostte vijfhonderd gulden en werd aan Koenen voorgeschoten door Bergenaar Franciscus Hubner, met 5% rente tot 1 mei van het volgende jaar.
  • Op 26 maart 1881 werd er bij dezelfde notaris een akte opgesteld waarbij Constantinus Antonius de Bruijn, die we al eerder tegenkwamen in deze zoektocht, verschillende huizen met erf verkocht. Het lijkt erop dat ene Johanna Nuijten als weduwe van Theodorus Bosmans twee huizen kocht, maar dat blijkt niet helemaal uit de akte (en de voornaam zou dan ook verkeerd zijn). Het ging hier in ieder geval om een huis en erf met adres wijk E nummer 49d en kadasternummer sectie G nummer 3243-gedeeltelijk en een huis en erf met adres wijk E nummer 49c en kadasternummer sectie G nummer 3243-gedeeltelijk.
  • Op 21/4-1881 bleek dat het echtpaar wel een huis in eigendom had, tenminste in de periode voor 1879, het jaar dat Doris overleed. Adriana Nuijten bekende toen als weduwe van Theodorus Bosmans schuld over een hypotheek aan mejuffrouw Alida Maria Hillenaar te Bergen op Zoom. Het ging om vierhonderd gulden met een rente van 5% per 21 april.
  • Op 6/3-1884, Adriana was ook reeds overleden, werd de boedelscheiding opgemaakt van dit echtpaar bij notaris Van Gastel. Voor de notaris verschenen Martinus Petrus Franken Laurentiuszoon, hovenier, als echtgenoot van Johanna Bosman en als gemachtigde namens Cornelis Bosman, zonder beroep, te Oudenbosch, Adrianus de Krom, voerman, als echtgenoot van Anna Bosman, Johannes Baptist Nuijten, hovenier, als echtgenoot van Cornelia Bosman, Petrus Bosman, winkelier en voogd over de minderjarige kinderen Kroonen, Sebastianus Bosman, timmerman, Philomena Bosman, zonder beroep, Jacobus Bosman, werkman en Petrus Kroonen, arbeider te Halsteren, weduwnaar van Maria Bosman met als minderjarige kinderen Adriana Maria Kroonen, Dijmphna Kroonen, Cornelia Kroonen, Martinus Petrus Kroonen, Johanna Kroonen en Philomena Kroonen. Alle personen waar ik geen woonplaats vermeldde waren op dat moment woonachtig te Bergen op Zoom. Doris en Adriana hadden in hun leven een vrij aanzienlijke boedel opgebouwd.
  • In de voorkamer lagen twee gordijnen, een linnenkastje, een kastje, een kabinet met vier komen, een uittrektafel met kleed, twaalf stoelen, een zorgstoel, drie katoenen lakens, andere lakens, drie vrouwenhemden, een vrouwenhoed, vijf bonte doeken, twee vrouwenmutsen, drie slopen, twee halsdoeken, een lade met lappen, een zwart kleed, een zwarte rok, drie blauwe schorten, een bed, twee lakens, een deken, drie kussens en een ‘collier’ met kralen.
  • In de achterkamer vond men vijf schilderijen, drie vaasjes, twee kandelaars, drie beeldjes, negen schilderijen, twee koperen waterketels, negen ‘figuren voor de schoorsteen’, en lamp, glaswerk met karaf, een blad met kopjes en schoteltjes, negen borden en schotels, twee doosjes met koffiemolen en melkkan, een vloermat, veertien witte borden en twaalf blauwe borden.
  • In de keuken hing een klok en vond men een kachel met toebehoren, een spiegel, schilderijen, een lamp, een blikken ketel, een tinnen schotel met drie borden, een rok met drie schorten, een bed met toebehoren, lakens en dekens, tien mud aardappelen, een tonnetje zuurkool, twee stoven, een tafel, acht lepels en vorken, drie messen, een koekepan, een strijkijzer en dertig gulden aan varkensvlees.
  • Op de achterplaats lagen twee wastobben, een stoel, twee ijzeren potten, aardewerk, een varkenskot, een kippenhok, drie kippen en anderhalve gulden aan mest.
  • Op zolder lagen een rok en zak, een ladder, een bed met toebehoren, lakens en dekens, vier stoelen, een tafel, een ijzeren ketel en ‘rommel’. Die rommel was vijftig cent waard.
  • In de gang waren nog drie lakens en een vrouwenhemd.

Perceel G3243 komt voor op een hulpkaart uit 1878, waarbij ze verwijst naar perceel G1532. Da’s een oude hulpkaart uit 1845, waarop verwezen wordt naar perceel G298. Ten tijde van de transacties van Doris Boschman was het perceel ‘gedeeltelijk’ van hem. De originele kaart uit 1832 geeft weer dat dit lange pand gelegen was aan de Scholiersberg. Het werd in de jaren 1870 een beetje opgedeeld, maar bleef desondanks vrij groot. Het pand is afgebroken in ‘t kader van de stadsvernieuwing, waarschijnlijk in de jaren ’80.

Uitsnede van de hulpkaart uit 1878. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

De hulpkaart uit 1845. Afbeelding: collectie hulpkaarten Kadaster, via Heemkundekring ‘Land van Gastel’/Stichting Industrieel Erfgoed Bergen op Zoom.

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De Scholiersberg, linksboven, op een luchtfoto uit 1968. Vooraan het Markiezenhof. De rood gearceerde huizen zijn niet zeker de huizen of het pand wat Doris in eigendom had, maar liggen in ieder geval wel in het verlengde ervan, aan het einde van de straat. Ook grappig: op deze foto kun je goed zien hoeveel van het Markiezenhof ‘nep’ is. De toren of dit gebouw bijvoorbeeld. (Afbeelding: Aviodrome Lelystad/WBA Bergen op Zoom)

Borrie-de Ruijter

Niet al mijn Bergse voorouders waren hoveniers. Via mijn oma Bernaards stam ik af van het gereformeerde echtpaar Leendert Borrie (*Bergen op Zoom, 1809, ✞ aldaar, 1887, kwartierstaatnummer 90) x Cornelia de Ruijter (*Willemstad, 1814, ✞ aldaar, 1887, kwartierstaatnummer 91). Leendert was verver en glazenmaker, waar de familie Borrie ook lang bekend stond als schildersfamilie. Van hen weet ik dat ze altijd op de Kaai woonden, in de loop van de 19de eeuw aan de Zuidzijde Haven en tegen het einde van hun leven in de Rijkebuurtstraat, op nummer C117 (veranderd naar C5). Zij overleden ook beiden op dat adres.
Leendert en Cornelia stelden twee keer hun testament op bij de Wouwse notaris Van Gastel. Wat laatste betreft valt het dus op dat deze notaris best wel van klandizie had opgebouwd binnen verschillende ‘kringen’ in Berrege; niet alleen onder de hoveniers dus. Het eerste testament was van 12 mei 1876, het tweede van 3 juli 1882. Volgens die twee testamenten lieten ze alles aan elkander na. Op 17 maart 1884 verkocht het echtpaar, of Leendert althans dus, hun huis aan hun zoon Cornelis Willem Borrie. Het betrof een huis met erf in sectie G nummer 1243 voor een bedrag van 2300 gulden met een verschuldigd gebleven percentage van 5% per 17 maart.
Drie jaar later, in maart 1887, kwamen beide echtelieden te overlijden. Op 22 april 1887 werd bij notaris Van Gastel de boedelscheiding opgesteld in bijzijn van Willem Bastiaan Borrie, te Bergen op Zoom, verver en voogd van de minderjarige kinderen van Theodorus Samuel Borrie, Jan François Borrie, te Bergen op Zoom, smid en voogd over de minderjarige kinderen ‘Kerbus’, Maria Kock, te Terneuzen, weduwe van Theodorus Samuel Borrie en voogdesse over haar minderjarige kinderen, Leendert Borrie, timmerman te Bergen op Zoom, Cornelis Willem Borrie, verver te Bergen op Zoom, schoonzoon Karel Rijkhals, pottenbakker te Bergen op Zoom en getrouwd met Cornelia Borrie, Joseph Kerbus, korporaal bij het derde regiment infanterie in het garnizoen te Bergen op Zoom, weduwnaar van dochter Maria Borrie en voogd over hun minderjarige kinderen Maria Kerbusch, Antonius Kerbusch en Josina Kerbusch (mijn betovergrootvader Petrus Antonius Kerbusch was in 1887 blijkbaar reeds wettelijk meerderjarig, of met Antonius moet hem bedoeld worden), Dirk Hendrikus Boekweit, zonder beroep en woonachtig te Bergen op Zoom, getrouwd met dochter Josina Borrie en als laatste Agatha Josina Borrie, zonder beroep, woonachtig te Bergen op Zoom.

Nadat de notaris noteerde dat het sterfhuis van de echtelieden Rijkebuurtstraat wijk C nummer 117 was, ging hij over tot het opsommen van de inventaris.

  • In het ‘saletje‘ waren raamgordijnen, een tafel met kleed, zes stoelen, vier schilderijen, een spiegel, zeven schoorsteenfiguren, koperen kaarsenschaal, ‘karpet’, twee vazen, twee kleine vazen, een ‘Berlijnsch’ koffie- en theeservies, een penant tafeltje, een blaadje en karaf met glazen, een vergulde spiegel, raam- en deurgordijnen, twee bloempotten, blad en doosjes, drie karaffen, twaalf glazen, vier bierglazen, een bak, vijf potjes, een ‘gefleschken’, een ketel, een amfoor, een koffiemolen en vier borden.
  • In de alkoof vijf vloerkleedjes, een verenbed, strozak, kapo(..) peluid (?), twee verenkussens, twee lakens, vier dekens, bedgordijnen en twee gordijnen met rabatten.
  • In de achteralkoof een eikenhouten bureau, een ladetafel, twee deurgordijnen, drie lampen, servies met twee doosjes, vier stoven, drie strijkijzers, vier schilderijen en een spiegeltje.
  • In de achterkamer waren raamgordijnen, een hanglamp, een tafel, een kachel met toebehoren, negen stoelen, schoorsteenfiguren, een hangklok, een geverfde linnenkast, drie bloemvaasjes met stolpen, een schilderij, twee borden of horden, twee koperen ketels, twee karaffen met enige glazen, drie blaadjes, een blikken busje, vier gekleurde borden, enige borden met schalen en keukengerief, twee bijbels en kerkboeken, blad en doos, drie paar beddelakens, een paar witte bedgordijnen, rabat en kleine gordijntjes, zestien linnen slopen, zwarte koralen met goudslot en twee bellen, negen tinnen lepels, acht stalen vorken, vijf messen, zes kleine lepels, een kleine schort, vier omslagdoeken, een boezeroen, twee veren, een veren peluid, een zeegras peluid, drie dekens en twee lakens.
  • In het keukentje twee teilen, een droogrekje, een stelletje, een korf, een linnenbak, een ragebol en nog meer teilen.
  • In de keuken, er was blijkbaar ook een grote, waren een wollen deken, een katoenen deken, een kussen en vier strozakken, een kachel, koekepannen, ijzeren potten, enige potten en pannen, twee emmers en bank, zes gulden aan aardappelen, een ton, een stamper, een tob en mans- en vrouwenkleren.
  • Daarnaast bezat Leendert nog drie obligaties, da’s wel vrij bijzonder. Hij had een tien aandelen m.b.t. het ‘Zuidwesterspoor’ in Rusland, elk met een waarde van tien roebels.
  • Dan was er nog een lening van 154 roebels aan datzelfde Rusland van de tsaar, en een obligatie op een goudlening in Hongarije van duizend florijnen. Het huis, dat verkocht was aan zoon Cornelis Willem Borrie, had een hypotheek ten laste van diezelfde zoon. Het bracht 2300 gulden op ter verdeling.

Perceel G1243 was ten tijde van de vermelding een perceel waar niets aan veranderd was sinds de originele eerste kaarten uit 1832. Dat betekent dat ze op die eerste kaart terug te vinden is. Een beetje puzzelen met waar er nu gebouwd is waar in 1832 blijkbaar de tuin van het Spuihuis lag brengt me op het pand ‘de Kogge’. Dat is wél een gemeentemonument, en een groot herenhuis wat correspondeert met de vele ruimtes zoals die omschreven zijn in de boedelscheiding. Oftewel: dit echtpaar was wat meer van stand dan de meeste van mijn voorouders. De samenstellers van het Bergs Monumentenboek uit 1995 omschrijven het 18de-eeuwse pand als volgt:

“Tweelaags onderkelderd pand met een wit geverfde lijstgevel onder een zadeldak met schild aan de voorzijde. Symmetrisch opgebouwde gevel met licht getoogde deur- en vensteropeningen, getoogd met strekse bogen. Eenvoudige schuiframen met glas-in-lood in de bovenlichten. Vensters met hardstenen onderdorpels. Links onder in de gevel bevindt zich een kelderluik. Opvallend zijn de lichtopeningen in het fries, geflankeerd door voluutvormige consoles die tevens de geprofileerde kroonlijst dragen. Het dakschild aan de voorzijde is niet helemaal symmetrisch.”

Op de originele kadasterkaart uit 1832. Afbeelding: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het tweede pand van links is de Kogge. (Foto door mijzelf, 27/8-2019)

Deel dit artikel

de Sint-Helenamedaille

Vorige maand kreeg ik mail van collega-onderzoeker Willem Kruf. Hij is, net als ik, met Napoleon bezig (zie dit bericht uit november 2017). Een eerste verband tussen mijn voorouders en Napoleon vond ik reeds een aantal jaren terug, met een document waarin Cornelis van Ginneken de Sint-Helenamedaille kreeg. In mijn onderzoek van vorig jaar vond ik nog meer voorouders terug die voor de Franse keizer vochten, maar of zij uiteindelijk de erkenning kregen hiervoor bleef wat vaag. Als ik mezelf mag citeren:

“Wat kan ik hier als slot opschrijven? In 1857 had Frankrijk weer een koning, Napoleon III. Hij loste in dat jaar één van de punten uit ‘t testament van de keizer in; alle veteranen uit de periode 1792-1815 werden onderscheiden met de Sint-Helenamedaille. Tenminste, dat was de bedoeling. Als deze medaille al uitgereikt werd aan een Nederlandse veteraan, was het niet gebruikelijk dat hij ‘m droeg. Geschiedenis wordt tenslotte geschreven door overwinnaars. “Aux compagnons de gloire Napoleon 1er” stond er op ‘t doosje. En er zat een certificaat als op de afbeelding hierboven bij. Jean Hopmans zou er als ‘t goed is een gehad moeten hebben. Ik beeld ‘t me even in: “le grand chancelier de l’ordre impérial de la Legion d’Honneur certifie que Monsieur Hopmans, (Jean), de Berg-op-Zoom (Pays-Bas) ayant servi durant la période de 1792 à 1815 a reçu la Medaille de S’te Hélène.” Natuurlijk, de keizer was hard en rücksichtlos te werk gegaan, en zijn enorme leger heeft veel moeten doorstaan voor zijn vrij idiote plannen met Europa. Maar ‘t continent is er niet slechter op geworden; ‘t Ancienne Régime was definitief voorbij. En de band tussen Napoleon en zijn soldaten was altijd goed geweest. Dit was tenslotte geen huurleger, deze soldaten hoorden bij het land waar ze voor vochten. Ik denk dat als je één van deze voorouders die teruggekomen waren zou vragen terug te kijken, dat ze best trots waren.”

Ik sloot dus af met de brede vraag: hebben mijn voorouders die voor Napoleon vochten deze medaille gekregen, en zo ja, mochten ze ‘m (met enige gepaste trots) dragen? En Willems onderzoek gaf antwoord op deze vraag. Zijn hele onderzoek kunt u hier lezen; hij kan nog hulp gebruiken van met name genealogen die ervaring hebben met onderzoek in Amsterdam! 

De Franse koning Napoleon III op een daguerrotype van rond 1850/1860. (Afbeelding: Bibliothèque nationale de France/Wikimedia Commons)

De Fransen verloren hun megalomane oorlog, en waren dus wat ‘t nieuwe koninkrijk der Nederlanden betreft de verliezer. Toch is het moeilijk dat vol te houden als zoveel landgenoten voor die verliezer gevochten hadden. Dit kwam tot uiting toen Napoleon III de medaille instelde en deze door Frankrijk naar Nederlandse stadhuizen gestuurd werd. 

Uit de Groninger Courant, 14 oktober 1857. (Afbeelding: W. Kruf)

De Groningers en wat Antwerpenaren vonden het dragen van de medaille niet gepast (zie bovenstaand artikel), maar er zal toch een bepaalde druk zijn geweest van de andere kant want men kon, mits er een vergunning was verleend na het overleggen van het certificaat wat bij de medaille geleverd werd, de onderscheiding gewoon met trots dragen. En die vergunningen werden ook verleend; in juni 1858 waren er al zevenhonderd uitgegeven.

Uit de Nederlandse Staatscourant (links) en Rotterdamsche Courant (rechts) van 17 januari 1858. (Afbeeldingen: W. Kruf)

Op de vraag of ook soldaten uit mijn lijstje van november 2017 een medaille ontvangen hadden, komt antwoord uit een Bossche krant van mei 1858 (links), iets wat bevestigd werd in een ander artikel uit ‘t Bergse nieuwsblad van die tijd (midden en rechts).

Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom/W. Kruf

Daar rechts staat het al; mijn voorouder Jean Hopmans (*Bergen op Zoom, 1789, aldaar, 1862, kwartierstaatnummer 252), en Cornelis Schuurbiers (broer van Pieter Schuurbiers) uit het lijstje dat ik vorig jaar opstelde, kregen de medaille. Uit datzelfde lijstje waren Jean Jacques Knoet en Theodore Piquet gesneuveld, en de anderen reeds overleden of niet uit Bergen op Zoom afkomstig.

Dan rijst bij mij ook de vraag, mede nu we het eerste artikel lazen: wat was in Berrege het sentiment rond de medaille? In het artikel hierboven waarin ook de namen van de gedecoreerden werden vermeld schreef men:

‘terregt zich daarmee verrijkt gevoelende daar de inscriptie: “a ses compagnons de Gloire St. Helene 5 Mai 1821 dernière Pensée”, als ‘t ware den laatsten wil van den grooten man op zijn sterfbed uitdrukt, ook als eene verzoening voor alle de met hem in het groote leger gediend hebbende militairen en diens landgenooten in diebare herinnering zal blijven”

Dit is onomwonden positief geschreven. Woorden als ‘terrecht’ en ‘grote man’ laten dat zeker blijken.

Afbeeldingen: WBA Bergen op Zoom/W. Kruf

Er zijn meerdere artikelen die Willem vond over de medaille; allen van rond de zomer 1858. Het bovenste artikel heeft het over een ‘zucht om begiftigd te worden’, beduidend minder positief. En op 20 juni werd de overwinning op Napoleon bij Waterloo herdacht. Ik krijg een beeld van een stad in dubio wanneer men terugkeek op de oorlogen veertig jaar daarvoor. Willem schreef erover dat ‘t beleg door de Fransen in 1747 en hun acties bij ‘t Britse beleg van de stad in 1814 mogelijk nog gevoelig lagen bij de Bergenaren. En tenslotte was Frankrijk de verliezer, ook in de ogen van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden waar Berrege onder viel; zie dus de herdenking van ‘de overwinning’ bij Waterloo.

Daar staat tegenover dat er dus heel wat jonge Bergenaren voor de keizer vochten en dit toch een sentiment los gemaakt moet hebben bij hun naasten. Daarbij markeerde de Franse tijd een einde aan de status van Staats-Brabant als bezet gebied; Brabanders kregen meer zelfbestuur en katholieken kregen weer geloofsvrijheid onder Napoleon. De veertig gedecoreerde veteranen kwamen op 15 augustus 1858 samen in een besloten bijeenkomst. Daar bracht men een wat tegenstrijdige toost uit: “leve de keizer, leve Napoleon III, leve Willem III”. 

Afbeelding: W. Kruf/WBA Bergen op Zoom.

Deel dit artikel

Brieven aan mijn overgrootouders (2)

In navolging van de publicatie van de geüpdatete genealogie Linders-Woensdrecht 23 juli, neem ik nu eens de brieven door van Jacobus (Sjaak) Linders (LW103), Ludovicus (Louis) de Dooij en Kees Dircken. In dit artikel ga ik niet in op wát de mannen schreven, maar enkel wat zij volgens allerlei bronnen deden aan de hand van hun regimentsnummer. 

Sjaak was een oudere broer van mijn overgrootvader Linders, hij zou later trouwen en zich vestigen in Hellevoetsluis onder Rotterdam. De brieven die hij stuurde waren afkomstig uit Nederlands Indië in de tweede helft van de jaren ’40, tijdens de politionele acties dus.

Even de oude geschiedenislessen naar boven halen. De politionele acties waren deel van de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Deze strijd was begonnen twee dagen na de Japanse capitulatie op 17 augustus 1945, toen er gevechten uitbraken tussen Indonesische nationalisten en Britse militairen die zich bezig hadden gehouden met de bevrijding van Indië, onder anderen in Soerabaja in oktober 1945. In maart 1946 kwamen de eerste Nederlandse militairen in om Britse stellingen over te nemen, en begon de strijd tegen Indonesische onafhankelijkheid, een strijd die zou duren tot in 1949. Het zou een bijzonder lelijke strijd worden. Ik laat het hier even bij, aannemende dat de meesten hierover wel op school geleerd hebben. Sjaak stuurde dus een aantal brieven naar mijn overgrootoma en de bedoeling is hier om te kijken of er te achterhalen valt waar hij gelegerd was en wat hij precies deed. Ik kreeg daarbij heel veel hulp van dhr. Luud Bieringa, zoon van een Indië-veteraan, die een rapportage opstelde waaruit ik veel zal citeren.

Brief uit Padang, 28 februari 1947. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Brief uit Padang, juli 1947. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Brief van Jac. Linders uit Padang, 15 juli 1948. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Deze drie brieven van Sjaak, of althans de gegevens op de enveloppen gaven al een hoop informatie. Zo werd het regimentsnummer vermeld; 150514000, en ‘1ste bataljon regiment jagers’. Laatste is ook te lezen op de tweede brief: “Jager Jac. Linders, O.C. 1-reg jagers, Padang, Sumatra“. Het regimentsnummer duidt naast het eerste regiment jagers ook op zijn rang als jager eerste klasse “O.V.W.”. Laatste is belangrijk: O.V.W. staat voor oorlogsvrijwilliger, oftewel: Sjaak ging niet naar Indië vanwege dienstplicht. Beroepsmilitair dus. 

Het eerste bataljon regiment jagers werd op 1 januari 1945 opgericht in het toen reeds bevrijdde Eindhoven. Het regiment vertrok naar Wokingham in Engeland later dat jaar en voer vanuit daar aan boord van de ‘Nieuw-Amsterdam‘ uit op 28 oktober 1945 met bestemming Nederlands-Indië. Aldaar werd ‘t regiment echter gestationeerd op 20 november van daar jaar te Koeala Ketjil in de Engelse kolonie Malakka. Dit was omdat ‘t Britse leger, die de op Japan veroverde gebieden onder controle had, de Nederlandse soldaten geen toegang wilde geven. Uiteindelijk werd dit verbod opgeheven en ‘t regiment landde op 13 maart 1946 in Tandjoek Priok te Batavia, Java dus.

De Nieuw-Amsterdam was een cruiseschip van de Holland-Amerikalijn, gebouwd in 1938. Tussen 1940 en 1946 was het in dienst van ‘t leger als troepenschip. Op deze foto het schip vlak voordat het weer in dienst genomen werd als cruiseschip. (Afbeelding: Rotterdamse Droogdok Maatschappij Archief)

Luud citeerde over Sjaak Linders uit het ‘Gedenkboek één regiment jagers’ door K. Rockx en uit ‘Jagers en jagerslatijn: kroniek van het eerste bataljon jagers OVW 1945-1948; gedenkboek over de ervaringen van een OVW-bataljon.’

“Het OVW-bataljon 1-RJ bestond voornamelijk uit vrijwilligers uit Brabant en Limburg. Na de opleiding bij het 2de RNID (Royal Netherlands Infantery Depot) te Fournes (Frankrijk) werd het bataljon gelegerd in Zeeuws-Vlaanderen en ingezet bij de beveiliging van Antwerpen. Later deed het bataljon dienst in Brabant, Utrecht, Zuid-Holland, Groningen en Bocholt (Duitsland). Via Engeland, waar het bataljon werd voorzien van de noodzakelijke uitrusting, vertrok het naar Indië. Daar de bevelhebber van het South East Asia Command (SEAC), de admiraal Mountbatten, vanaf 2 november 1945 een landingsverbod op Java en Sumatra voor Nederlandse troepen had ingesteld werd er uitgeweken naar Malakka. Dit verbod is in maart 1946 opgeheven. Kort nadat het bataljon begin maart in Batavia arriveerde nam het posten over van de daar gelegerde KNIL eenheden. In plaatsen als Depok, Tjiteureup, Pondok Benda en Tjileungsir werden door het bataljon stellingen betrokken. Op 24 maart 1946 nam een peloton van de 2de compagnie deel, samen met het KNIL, aan de bezetting van Depok.”

Niet helemaal duidelijk is me hier wanneer ‘t bataljon precies opgeleid werd, en wat er met de beveiliging van Antwerpen bedoeld wordt. Antwerpen moest beveiligd worden tijdens de slag om de Schelde (lijkt me), maar da’s denk ik te vroeg op de tijdlijn.

Een patrouille loopt door een rijstveld tijdens de ‘actie infanterie’ te Depok met het KNIL in juli 1946, waar ook Sjaaks regiment aan deelnam. (Afbeelding: Nationaal Archief)

Het bataljon werkte in de eerste fase van de politionele acties dus op Java; waar al gauw successen geboekt werden.

“Door intensief te patrouilleren en acties, zoals eind april bij Loeloet en op 7 juni de zuiveringsactie in brigadeverband in het gebied tussen Klender en Pondok Gedeh werden de infiltraties en de terreur van de tegenstander tegengegaan. In juli werd het bataljon afgelost en verplaatst naar Batavia en Pasar Djoemahat. De 1ste compagnie bleef in de voorste lijn en bezette op 22 juli Pasirkapa nabij Buitenzorg. Medio augustus werd het bataljon aangewezen als ‘Java-reserve’. Dit hield in dat het bataljon waar nodig op Java ingezet kon worden. Tot november bleef het bataljon zijn posities rond Batavia innemen.”

Een konvooi van de genie onderweg na de bevrijding van de zeventien kilometer lange weg van Tjiteureup naar Tjileungsir op 19 juli 1946 De kans op hinderlagen was groot en de opmarsstelling moest beveiligd worden. (Afbeelding: Nationaal Archief)

Nadat de eerste strijd rond Batavia en Buitenzorg op Java geleverd was, werden de militairen als ‘Java-reserve’ afgelost door de ‘7-decemberdivisie’ en naar de Sumatraanse westkust gestuurd, naar Padang en omgeving. Aldaar waren zij gelegerd in de noordsector van Padang en belast met de beveiliging van een vliegveld. In januari 1947 werden door ‘t bataljon een aantal kampongs ‘gezuiverd’, o.a. Nanggalo, Koerogadoeng en Pondokkopi. Daarna werd het rustiger rond Padang.

“Tijdens de eerste politionele actie, op 21 juli 1947, trok het bataljon op naar het noorden en bezette Pasar Baroe, Loeboekboeaja, Baringin en Loeboekaloeng. Enkele weken na de actie werd het bataljon afgelost door 1-8 RI en gelegerd in Padang. De 3de compagnie kwam in Si Goentoer Moeda en Boengoes zuid van Padang te liggen. Deze rust duurde echter niet lang. In december loste het bataljon 2-14 RI af dat ten westen en zuiden van Padang gelegerd was. In dit gebied met posten te Indaroeng, Bandarboeat en Ladang verbleef het bataljon tot aan de repatriëring.”

1947 is ook het jaar waarin Sjaak zijn brieven naar huis stuurde. Luud vroeg zich af of hij misschien schrijver, administrateur, fourier of intendance was, aangezien hij een eigen stempel had. Misschien hield hij overzicht over de fourage, of verzorgde hij de post voor hogere staf.. Ik heb geen inzage in zijn militair stamboek, dus precies weet ik het niet.

Luud vermeld dat jager Linders op 15 januari 1948 nog gelegerd was op Sumatra. Op 4 mei 1948 werd hij, en daarmee volgens mij de hele ondersteuningscompagnie waar hij lid van was, gerepatriëerd naar Nederland. De sfeer moet wat bedrukt geweest zijn, want men had 23 man verlies geleden. Het terugbrengen ging aan boord van de ‘Groote Beer’, een in 1944 in Amerika gebouwd schip dat door de Nederlandse overheid aangekocht was om troepen van en naar Indië te vervoeren. De Groote Beer werd later (1951) nog gebruikt om Molukse gezinnen naar Nederland te brengen en ging daarna aan de slag als emigrantenschip op Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. De stukjes vaderlandse geschiedenis van die jaren komen dus in zekere zin samen in één schip. Sjaak zou trouwen en zich vestigen in Hellevoetsluis.

Op deze foto Sjaak Linders vooraan, zittend. Let op het andere uniform dat hij aanheeft. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

‘De Vrije Grom’ was de scheepskrant tijdens Sjaaks terugreis op ‘de Groote Beer’. Ze verscheen wanneer de redactie tijd had. (Afbeelding: Indiëgangers.nl)

Humor! Onder ‘t kopje “omgang met Nederlandse inheemsen”. (Afbeelding: Indiëgangers.nl)

Oma Linders kreeg in die jaren nog meer brieven uit Nederlands-Indië. Haar broer Ludovicus (Louis) de Dooij en zwager C.M. (Kees) Dircken waren eveneens in dienst daar. In tegenstelling tot Sjaak waren Louis en Kees dienstplichtige soldaten. Ze maakten deel uit van de C-divisie ‘7-december’ van de 1ste compagnie van het 3de bataljon van het 3de regiment infanterie (1-3-3 RI), bijgenaamd ‘de Blubbertrappers’. Dat zij bij elkaar ‘ingedeeld’ waren was geen toeval: de compagnie was op 1 juli 1946 te Bergen op Zoom opgericht. Ik citeer voor dit deel van ‘t verhaal via Luud uit ‘Met 3-3 RI in de tropen’ (1949) van J.A.J. de Groot, P. van der Geest en G.M. van Rossum. 

Louis de Dooij (links) en Kees Dircken (rechts) op een foto die waarschijnlijk gemaakt werd tijdens de korte opleiding in Nederland. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

Het 3de regiment infanterie kennen we in Berrege al lang; al was het maar van het beeld boven de poort van het Markiezenhof, cadeau van de gemeente Bergen op Zoom aan de militairen in 1914 vanwege hun honderdjarig bestaan. (Foto door mijzelf, 12/9-2018)

Ik heb hier een brief uit Medan van 14 juni 1949, gestuurd door Louis, en een brief van Kees Dircken, ook uit Medan, van 24 december 1948. Medan is gelegen op het noordelijke deel van Sumatra. Met de havenstad Belawan vormt ze een belangrijke plek aan de Straat van Malakka. Daar zou de diensttijd van Kees en Louis zich afspelen. Het regiment vertrok op 26 september 1946 naar Indië aan boord van de Kota Agoeng. Een maand later, op 26 oktober 1946, kwamen zij aan te Medan. 

“Het bataljon was gevormd uit dienstplichtigen van de lichting ’45 en was een van de zes Bewakingsbataljons “7 December”. Deze bataljons werden in Indië, ondanks de korte opleiding en lichte bewapening, ingezet als ‘gewone’ infanterie eenheden. Na aankomst te Belawan werd het bataljon gelegerd op posten in en rond Medan en Belawan.”

Op de foto hieronder andere dienstplichtigen, op weg van Kampen naar Rotterdam om op hetzelfde schip als Louis en Kees naar Indië te gaan. Het relevante aan deze foto vind ik het woord ‘gedwongen’, wat rechtsboven op de wagon is gekrijt. Dat deze jongens moesten gaan vechten lag niet altijd goed bij het thuisfront; men had uiteraard de oorlog vers in het geheugen en dat zij, zoals ik in het citaat hierboven vermeld staat, met een korte training en licht bewapend als gewone infanterist aan de slag moesten.

Afbeelding: Indiëgangers.nl

Op deze foto, gemaakt op de Kota Agoeng op de heenreis waar ook Louis en Kees aan deelnamen, kijken de mannen naar de “Afrikaansche kust”. Waarschijnlijk is het de Egyptische kust, net vóór of na het schip door het Suezkanaal voer. Afbeelding: Indiëgangers.nl

De taak van het regiment begon in januari 1947 met de weg van Medan naar Belawan. 

“Op 2 januari 1947 leverde het de flankdekking bij een actie waarbij de posten van de Z-Brigade verder naar het zuiden werden verplaatst. Ook nam het bataljon deel aan acties voor de beveiliging van de weg Belawan-Medan zoals op 7 januari bij Poeloe Brayan en Gloegoer. Vanaf 10 januari kreeg het bataljon de beveiliging van het weggedeelte Mabar-Poeloeh Brayan toegewezen. Na 27 mei was het gebied vergroot en liep het van Belawan tot Gloegoer met o.a. posten te Laboehan, Titipapan, Belawan, Helvetia en Mabar (Noordsector).”

In de loop van 1947 en 1948 behelsten de acties ook het innemen van gebied zelf. 

“Tijdens de 1e politionele actie, op 21 juli 1947, patrouilleerde het bataljon aan de demarcatielijn om infiltraties te voorkomen. Hierna loste het de aanvalstroepen af in de veroverde gebieden zoals Hamperan Perak, Bantam Betoel, Arnhemia en Deli Toea en zuiverde de omgeving. Op 29 juli bezette het bataljon Saentis en op 4 augustus met 4-2 RI Tandjoeng Poera. Na de eerste politionele actie werd het bataljon gelegerd zuidwest van Medan rond Sibolangit, Bindjei, Arnhemia. Geleidelijk werd het gebied door het bataljon gezuiverd. Na een grootscheepse actie op 16 oktober werd in het westen Bohorok bezet. Dan volgden er acties naar het zuiden en kwam ook dit gebied onder controle. Met de bezetting van Telaga, op 11 februari 1948, was het meest zuidelijke deel van het gebied bereikt. Tussen 27 en 30 maart nam het bataljon het vak van 4-RS ten oosten van Medan over met posten te Tandjoeng Balai, Mesihi, Goenoeng Melajoe en Haboko. In dit gebied aan de Status-Quo lijn had het voornamelijk een politietaak en was het redelijk rustig.”

Er is veel meer informatie te vinden over wat de blubbertrappers nog meer deden op Sumatra. In de tussentijd werden er o.a. fotootjes gemaakt om naar huis te sturen. 

Op deze foto Louis op de fiets. Conclusie is eigenlijk dat een Nederland geen Nederland nodig heeft om de fiets te pakken.. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

 

Bovenstaande foto stuurde Louis op met het duidelijke bijschrift dat hij ‘voor Pietje’ (mijn oudoom Piet) was. Het is een mooi exotisch plaatje, met een hoop bijzondere details. De taal op de huizen is Chinees. Chinezen waren er ook veel in Indië. Ook grappig is de elektriciteitspaal met bijzonder veel porcelein erop maar ogenschijnlijk geen draden er naartoe. En als laatste de auto’s. Of in ieder geval die op de voorgrond. Die is wel erg oud, ook voor toen (houten spaken!) Ik schat rond 1920. En let ook op het kenteken!

“Tijdens de tweede politionele actie, op 19 december 1948, trok het bataljon vanuit Goenoeng Melajoe op naar Rantau Prapat (actie ‘Renpaard’) en werden de ondernemingen Brussel en Padang Halabon bezet. De 3de compagnie zorgde voor rugdekking en bezette Soengei Kepajang. Een kleine groep stootte door naar Wingfoot. Op 20 december trok een groep van het bataljon 4-2 RI op naar Langga Pajoeng, maar kon deze door de onbegaanbare wegen niet bereiken. Door patrouillegang en acties werd het nieuwe gebied, welk op 22 februari 1949 werd vergroot met het vak van 3-15 RI rond Laboean Bilik, gezuiverd. In maart nam de onrust weer toe. Er werden diverse acties gevoerd waarbij o.a. Normark en Hoeta Godang werden bezet. Pas na het ‘ceasefire’ op 15 augustus keerde de rust in het gebied weer terug.”

De onrust nam dus toe op Sumatra, en ‘t zou ook niet meer rustiger worden tot 15 augustus 1949. In de aanloop naar 1949 was de internationale druk op Nederland toegenomen. Meerdere resoluties in de VN-Veiligheidsraad behandelden de politionele acties, en op 28 januari 1949 werd resolutie 67 aangenomen. De veiligheidsraad, toen met Argentinië, Canada, Cuba, Egypte, Noorwegen, de Oekraïne en als permanente leden de VS, Taiwan, Frankrijk, Groot-Brittanië en de Sovjet-Unie besliste dat de oprichting van een ‘Verenigde Staten van Indonesië’ onvermijdelijk was. Na resolutie 67 begon in augustus 1949 een rondetafelconferentie over Indonesische onafhankelijkheid in ‘s-Gravenhage. Deze conferentie eindigde met een soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië op 27 december 1949, waarbij afgesproken werd dat over de status van Nieuw-Guinea in 1950 zou worden beslist. 

Het regiment werd op 12 november 1949 gerepatrieerd aan boord van de Johan van Oldenbarneveldt. Op 6 december 1949 kwamen zij weer aan te Amsterdam. Het regiment telde achttien gesneuvelden. Zij worden vermeld op onderstaande plaquette bij het Indiëmonument in Roermond.

Afbeelding: L. Bieringa

Deel dit artikel