Brieven aan mijn overgrootouders (2)

In navolging van de publicatie van de geüpdatete genealogie Linders-Woensdrecht 23 juli, neem ik nu eens de brieven door van Jacobus (Sjaak) Linders (LW103), Ludovicus (Louis) de Dooij en Kees Dircken. In dit artikel ga ik niet in op wát de mannen schreven, maar enkel wat zij volgens allerlei bronnen deden aan de hand van hun regimentsnummer. 

Sjaak was een oudere broer van mijn overgrootvader Linders, hij zou later trouwen en zich vestigen in Hellevoetsluis onder Rotterdam. De brieven die hij stuurde waren afkomstig uit Nederlands Indië in de tweede helft van de jaren ’40, tijdens de politionele acties dus.

Even de oude geschiedenislessen naar boven halen. De politionele acties waren deel van de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Deze strijd was begonnen twee dagen na de Japanse capitulatie op 17 augustus 1945, toen er gevechten uitbraken tussen Indonesische nationalisten en Britse militairen die zich bezig hadden gehouden met de bevrijding van Indië, onder anderen in Soerabaja in oktober 1945. In maart 1946 kwamen de eerste Nederlandse militairen in om Britse stellingen over te nemen, en begon de strijd tegen Indonesische onafhankelijkheid, een strijd die zou duren tot in 1949. Het zou een bijzonder lelijke strijd worden. Ik laat het hier even bij, aannemende dat de meesten hierover wel op school geleerd hebben. Sjaak stuurde dus een aantal brieven naar mijn overgrootoma en de bedoeling is hier om te kijken of er te achterhalen valt waar hij gelegerd was en wat hij precies deed. Ik kreeg daarbij heel veel hulp van dhr. Luud Bieringa, zoon van een Indië-veteraan, die een rapportage opstelde waaruit ik veel zal citeren.

Brief uit Padang, 28 februari 1947. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Brief uit Padang, juli 1947. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Brief van Jac. Linders uit Padang, 15 juli 1948. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan).

Deze drie brieven van Sjaak, of althans de gegevens op de enveloppen gaven al een hoop informatie. Zo werd het regimentsnummer vermeld; 150514000, en ‘1ste bataljon regiment jagers’. Laatste is ook te lezen op de tweede brief: “Jager Jac. Linders, O.C. 1-reg jagers, Padang, Sumatra“. Het regimentsnummer duidt naast het eerste regiment jagers ook op zijn rang als jager eerste klasse “O.V.W.”. Laatste is belangrijk: O.V.W. staat voor oorlogsvrijwilliger, oftewel: Sjaak ging niet naar Indië vanwege dienstplicht. Beroepsmilitair dus. 

Het eerste bataljon regiment jagers werd op 1 januari 1945 opgericht in het toen reeds bevrijdde Eindhoven. Het regiment vertrok naar Wokingham in Engeland later dat jaar en voer vanuit daar aan boord van de ‘Nieuw-Amsterdam‘ uit op 28 oktober 1945 met bestemming Nederlands-Indië. Aldaar werd ‘t regiment echter gestationeerd op 20 november van daar jaar te Koeala Ketjil in de Engelse kolonie Malakka. Dit was omdat ‘t Britse leger, die de op Japan veroverde gebieden onder controle had, de Nederlandse soldaten geen toegang wilde geven. Uiteindelijk werd dit verbod opgeheven en ‘t regiment landde op 13 maart 1946 in Tandjoek Priok te Batavia, Java dus.

De Nieuw-Amsterdam was een cruiseschip van de Holland-Amerikalijn, gebouwd in 1938. Tussen 1940 en 1946 was het in dienst van ‘t leger als troepenschip. Op deze foto het schip vlak voordat het weer in dienst genomen werd als cruiseschip. (Afbeelding: Rotterdamse Droogdok Maatschappij Archief)

Luud citeerde over Sjaak Linders uit het ‘Gedenkboek één regiment jagers’ door K. Rockx en uit ‘Jagers en jagerslatijn: kroniek van het eerste bataljon jagers OVW 1945-1948; gedenkboek over de ervaringen van een OVW-bataljon.’

“Het OVW-bataljon 1-RJ bestond voornamelijk uit vrijwilligers uit Brabant en Limburg. Na de opleiding bij het 2de RNID (Royal Netherlands Infantery Depot) te Fournes (Frankrijk) werd het bataljon gelegerd in Zeeuws-Vlaanderen en ingezet bij de beveiliging van Antwerpen. Later deed het bataljon dienst in Brabant, Utrecht, Zuid-Holland, Groningen en Bocholt (Duitsland). Via Engeland, waar het bataljon werd voorzien van de noodzakelijke uitrusting, vertrok het naar Indië. Daar de bevelhebber van het South East Asia Command (SEAC), de admiraal Mountbatten, vanaf 2 november 1945 een landingsverbod op Java en Sumatra voor Nederlandse troepen had ingesteld werd er uitgeweken naar Malakka. Dit verbod is in maart 1946 opgeheven. Kort nadat het bataljon begin maart in Batavia arriveerde nam het posten over van de daar gelegerde KNIL eenheden. In plaatsen als Depok, Tjiteureup, Pondok Benda en Tjileungsir werden door het bataljon stellingen betrokken. Op 24 maart 1946 nam een peloton van de 2de compagnie deel, samen met het KNIL, aan de bezetting van Depok.”

Niet helemaal duidelijk is me hier wanneer ‘t bataljon precies opgeleid werd, en wat er met de beveiliging van Antwerpen bedoeld wordt. Antwerpen moest beveiligd worden tijdens de slag om de Schelde (lijkt me), maar da’s denk ik te vroeg op de tijdlijn.

Een patrouille loopt door een rijstveld tijdens de ‘actie infanterie’ te Depok met het KNIL in juli 1946, waar ook Sjaaks regiment aan deelnam. (Afbeelding: Nationaal Archief)

Het bataljon werkte in de eerste fase van de politionele acties dus op Java; waar al gauw successen geboekt werden.

“Door intensief te patrouilleren en acties, zoals eind april bij Loeloet en op 7 juni de zuiveringsactie in brigadeverband in het gebied tussen Klender en Pondok Gedeh werden de infiltraties en de terreur van de tegenstander tegengegaan. In juli werd het bataljon afgelost en verplaatst naar Batavia en Pasar Djoemahat. De 1ste compagnie bleef in de voorste lijn en bezette op 22 juli Pasirkapa nabij Buitenzorg. Medio augustus werd het bataljon aangewezen als ‘Java-reserve’. Dit hield in dat het bataljon waar nodig op Java ingezet kon worden. Tot november bleef het bataljon zijn posities rond Batavia innemen.”

Een konvooi van de genie onderweg na de bevrijding van de zeventien kilometer lange weg van Tjiteureup naar Tjileungsir op 19 juli 1946 De kans op hinderlagen was groot en de opmarsstelling moest beveiligd worden. (Afbeelding: Nationaal Archief)

Nadat de eerste strijd rond Batavia en Buitenzorg op Java geleverd was, werden de militairen als ‘Java-reserve’ afgelost door de ‘7-decemberdivisie’ en naar de Sumatraanse westkust gestuurd, naar Padang en omgeving. Aldaar waren zij gelegerd in de noordsector van Padang en belast met de beveiliging van een vliegveld. In januari 1947 werden door ‘t bataljon een aantal kampongs ‘gezuiverd’, o.a. Nanggalo, Koerogadoeng en Pondokkopi. Daarna werd het rustiger rond Padang.

“Tijdens de eerste politionele actie, op 21 juli 1947, trok het bataljon op naar het noorden en bezette Pasar Baroe, Loeboekboeaja, Baringin en Loeboekaloeng. Enkele weken na de actie werd het bataljon afgelost door 1-8 RI en gelegerd in Padang. De 3de compagnie kwam in Si Goentoer Moeda en Boengoes zuid van Padang te liggen. Deze rust duurde echter niet lang. In december loste het bataljon 2-14 RI af dat ten westen en zuiden van Padang gelegerd was. In dit gebied met posten te Indaroeng, Bandarboeat en Ladang verbleef het bataljon tot aan de repatriëring.”

1947 is ook het jaar waarin Sjaak zijn brieven naar huis stuurde. Luud vroeg zich af of hij misschien schrijver, administrateur, fourier of intendance was, aangezien hij een eigen stempel had. Misschien hield hij overzicht over de fourage, of verzorgde hij de post voor hogere staf.. Ik heb geen inzage in zijn militair stamboek, dus precies weet ik het niet.

Luud vermeld dat jager Linders op 15 januari 1948 nog gelegerd was op Sumatra. Op 4 mei 1948 werd hij, en daarmee volgens mij de hele ondersteuningscompagnie waar hij lid van was, gerepatriëerd naar Nederland. De sfeer moet wat bedrukt geweest zijn, want men had 23 man verlies geleden. Het terugbrengen ging aan boord van de ‘Groote Beer’, een in 1944 in Amerika gebouwd schip dat door de Nederlandse overheid aangekocht was om troepen van en naar Indië te vervoeren. De Groote Beer werd later (1951) nog gebruikt om Molukse gezinnen naar Nederland te brengen en ging daarna aan de slag als emigrantenschip op Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. De stukjes vaderlandse geschiedenis van die jaren komen dus in zekere zin samen in één schip. Sjaak zou trouwen en zich vestigen in Hellevoetsluis.

Op deze foto Sjaak Linders vooraan, zittend. Let op het andere uniform dat hij aanheeft. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

‘De Vrije Grom’ was de scheepskrant tijdens Sjaaks terugreis op ‘de Groote Beer’. Ze verscheen wanneer de redactie tijd had. (Afbeelding: Indiëgangers.nl)

Humor! Onder ‘t kopje “omgang met Nederlandse inheemsen”. (Afbeelding: Indiëgangers.nl)

Oma Linders kreeg in die jaren nog meer brieven uit Nederlands-Indië. Haar broer Ludovicus (Louis) de Dooij en zwager C.M. (Kees) Dircken waren eveneens in dienst daar. In tegenstelling tot Sjaak waren Louis en Kees dienstplichtige soldaten. Ze maakten deel uit van de C-divisie ‘7-december’ van de 1ste compagnie van het 3de bataljon van het 3de regiment infanterie (1-3-3 RI), bijgenaamd ‘de Blubbertrappers’. Dat zij bij elkaar ‘ingedeeld’ waren was geen toeval: de compagnie was op 1 juli 1946 te Bergen op Zoom opgericht. Ik citeer voor dit deel van ‘t verhaal via Luud uit ‘Met 3-3 RI in de tropen’ (1949) van J.A.J. de Groot, P. van der Geest en G.M. van Rossum. 

Louis de Dooij (links) en Kees Dircken (rechts) op een foto die waarschijnlijk gemaakt werd tijdens de korte opleiding in Nederland. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

Het 3de regiment infanterie kennen we in Berrege al lang; al was het maar van het beeld boven de poort van het Markiezenhof, cadeau van de gemeente Bergen op Zoom aan de militairen in 1914 vanwege hun honderdjarig bestaan. (Foto door mijzelf, 12/9-2018)

Ik heb hier een brief uit Medan van 14 juni 1949, gestuurd door Louis, en een brief van Kees Dircken, ook uit Medan, van 24 december 1948. Medan is gelegen op het noordelijke deel van Sumatra. Met de havenstad Belawan vormt ze een belangrijke plek aan de Straat van Malakka. Daar zou de diensttijd van Kees en Louis zich afspelen. Het regiment vertrok op 26 september 1946 naar Indië aan boord van de Kota Agoeng. Een maand later, op 26 oktober 1946, kwamen zij aan te Medan. 

“Het bataljon was gevormd uit dienstplichtigen van de lichting ’45 en was een van de zes Bewakingsbataljons “7 December”. Deze bataljons werden in Indië, ondanks de korte opleiding en lichte bewapening, ingezet als ‘gewone’ infanterie eenheden. Na aankomst te Belawan werd het bataljon gelegerd op posten in en rond Medan en Belawan.”

Op de foto hieronder andere dienstplichtigen, op weg van Kampen naar Rotterdam om op hetzelfde schip als Louis en Kees naar Indië te gaan. Het relevante aan deze foto vind ik het woord ‘gedwongen’, wat rechtsboven op de wagon is gekrijt. Dat deze jongens moesten gaan vechten lag niet altijd goed bij het thuisfront; men had uiteraard de oorlog vers in het geheugen en dat zij, zoals ik in het citaat hierboven vermeld staat, met een korte training en licht bewapend als gewone infanterist aan de slag moesten.

Afbeelding: Indiëgangers.nl

Op deze foto, gemaakt op de Kota Agoeng op de heenreis waar ook Louis en Kees aan deelnamen, kijken de mannen naar de “Afrikaansche kust”. Waarschijnlijk is het de Egyptische kust, net vóór of na het schip door het Suezkanaal voer. Afbeelding: Indiëgangers.nl

De taak van het regiment begon in januari 1947 met de weg van Medan naar Belawan. 

“Op 2 januari 1947 leverde het de flankdekking bij een actie waarbij de posten van de Z-Brigade verder naar het zuiden werden verplaatst. Ook nam het bataljon deel aan acties voor de beveiliging van de weg Belawan-Medan zoals op 7 januari bij Poeloe Brayan en Gloegoer. Vanaf 10 januari kreeg het bataljon de beveiliging van het weggedeelte Mabar-Poeloeh Brayan toegewezen. Na 27 mei was het gebied vergroot en liep het van Belawan tot Gloegoer met o.a. posten te Laboehan, Titipapan, Belawan, Helvetia en Mabar (Noordsector).”

In de loop van 1947 en 1948 behelsten de acties ook het innemen van gebied zelf. 

“Tijdens de 1e politionele actie, op 21 juli 1947, patrouilleerde het bataljon aan de demarcatielijn om infiltraties te voorkomen. Hierna loste het de aanvalstroepen af in de veroverde gebieden zoals Hamperan Perak, Bantam Betoel, Arnhemia en Deli Toea en zuiverde de omgeving. Op 29 juli bezette het bataljon Saentis en op 4 augustus met 4-2 RI Tandjoeng Poera. Na de eerste politionele actie werd het bataljon gelegerd zuidwest van Medan rond Sibolangit, Bindjei, Arnhemia. Geleidelijk werd het gebied door het bataljon gezuiverd. Na een grootscheepse actie op 16 oktober werd in het westen Bohorok bezet. Dan volgden er acties naar het zuiden en kwam ook dit gebied onder controle. Met de bezetting van Telaga, op 11 februari 1948, was het meest zuidelijke deel van het gebied bereikt. Tussen 27 en 30 maart nam het bataljon het vak van 4-RS ten oosten van Medan over met posten te Tandjoeng Balai, Mesihi, Goenoeng Melajoe en Haboko. In dit gebied aan de Status-Quo lijn had het voornamelijk een politietaak en was het redelijk rustig.”

Er is veel meer informatie te vinden over wat de blubbertrappers nog meer deden op Sumatra. In de tussentijd werden er o.a. fotootjes gemaakt om naar huis te sturen. 

Op deze foto Louis op de fiets. Conclusie is eigenlijk dat een Nederland geen Nederland nodig heeft om de fiets te pakken.. (Afbeelding: familiefoto/hergebruik niet toegestaan)

 

Bovenstaande foto stuurde Louis op met het duidelijke bijschrift dat hij ‘voor Pietje’ (mijn oudoom Piet) was. Het is een mooi exotisch plaatje, met een hoop bijzondere details. De taal op de huizen is Chinees. Chinezen waren er ook veel in Indië. Ook grappig is de elektriciteitspaal met bijzonder veel porcelein erop maar ogenschijnlijk geen draden er naartoe. En als laatste de auto’s. Of in ieder geval die op de voorgrond. Die is wel erg oud, ook voor toen (houten spaken!) Ik schat rond 1920. En let ook op het kenteken!

“Tijdens de tweede politionele actie, op 19 december 1948, trok het bataljon vanuit Goenoeng Melajoe op naar Rantau Prapat (actie ‘Renpaard’) en werden de ondernemingen Brussel en Padang Halabon bezet. De 3de compagnie zorgde voor rugdekking en bezette Soengei Kepajang. Een kleine groep stootte door naar Wingfoot. Op 20 december trok een groep van het bataljon 4-2 RI op naar Langga Pajoeng, maar kon deze door de onbegaanbare wegen niet bereiken. Door patrouillegang en acties werd het nieuwe gebied, welk op 22 februari 1949 werd vergroot met het vak van 3-15 RI rond Laboean Bilik, gezuiverd. In maart nam de onrust weer toe. Er werden diverse acties gevoerd waarbij o.a. Normark en Hoeta Godang werden bezet. Pas na het ‘ceasefire’ op 15 augustus keerde de rust in het gebied weer terug.”

De onrust nam dus toe op Sumatra, en ‘t zou ook niet meer rustiger worden tot 15 augustus 1949. In de aanloop naar 1949 was de internationale druk op Nederland toegenomen. Meerdere resoluties in de VN-Veiligheidsraad behandelden de politionele acties, en op 28 januari 1949 werd resolutie 67 aangenomen. De veiligheidsraad, toen met Argentinië, Canada, Cuba, Egypte, Noorwegen, de Oekraïne en als permanente leden de VS, Taiwan, Frankrijk, Groot-Brittanië en de Sovjet-Unie besliste dat de oprichting van een ‘Verenigde Staten van Indonesië’ onvermijdelijk was. Na resolutie 67 begon in augustus 1949 een rondetafelconferentie over Indonesische onafhankelijkheid in ‘s-Gravenhage. Deze conferentie eindigde met een soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië op 27 december 1949, waarbij afgesproken werd dat over de status van Nieuw-Guinea in 1950 zou worden beslist. 

Het regiment werd op 12 november 1949 gerepatrieerd aan boord van de Johan van Oldenbarneveldt. Op 6 december 1949 kwamen zij weer aan te Amsterdam. Het regiment telde achttien gesneuvelden. Zij worden vermeld op onderstaande plaquette bij het Indiëmonument in Roermond.

Afbeelding: L. Bieringa

Deel dit artikel

Vechten voor Napoleon

Dit is een onderzoekje wat nog lang niet af is, oftewel; er valt nog genoeg te onderzoeken. Echter ben ik eventjes met andere deelgebieden bezig. Ik presenteer u dan ook graag een kleine opsomming van voorouders en directe familie die vocht voor de Franse keizer. Waarbij ik er even vanuit ga dat u de nodige achtergronden bij dit tijdvak (Bataafse Republiek, koning Lodewijk, Waterloo, enz.) nog wel kent van school. De Fransen zaten sinds 1792 al in ‘t huidige België, delen van Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. In 1806 kwam hier mijn persoonlijke favoriet koning Lodewijk Napoleon (zie plaatje hierboven) regeren als staatshoofd van de nieuwe vazalstaat Holland. Het tot 1795 bezette Staats-Brabant ging volwaardig deel uitmaken van dit nieuwe land, nu als het département Brabant. Wat mij betreft bracht die Franse tijd hier meer goeds dan slechts; burgelijke stand (voor mij nog dagelijks handig), ‘t kadaster, een grondwet, ‘t metrieke stelsel, een seculiere staat. 

Index:

  • Knoet, Jean Jacques
  • Loos, Corneil
  • Van de Watering, Corneil
  • Vandelpoel, Jean
  • Hopmans, Jean
  • Scheurbiers, Corneile
  • Piquet, Theodore

In deze tijd ging mijn voorouder Joannes Jacobus Knoet (nummers KW184 en K25), ogenschijnlijk vrijwillig, in dienst. Zijn vader was al militair, dus zo’n stap zou niet heel opvallend zijn, zij ‘t niet dat hij op dat moment reeds vijf kinderen had bij zijn vrouw Barbara Pluijmen. Ik wist al dat hij op 28 maart 1809 werd aangenomen als recruut-fuselier voor ‘t Franse leger en op 30 maart 1809 op pad ging naar het derde regiment infanterie van de linie. Tot zover was enkel bekend dat Joannes in 1826 al jaren vermist was; in 1829 werd hij als overleden beschouwd. Ergens heb ik ook ooit gelezen dat hij in 1810 gesneuveld zou zijn, en dat bewijs hiervoor in Den Haag zou liggen. Meer antwoorden vond ik (net als over veel anderen in dit lijstje) bij de stamboeken uit die tijd van ‘t Franse ministerie van defensie. Hij werd ingeschreven (inventarisnummer 21Yc871, stamboeknummer 1864) als Jean Jacques Knoet, geboren te Bergen op Zoom op 28 maart 1780 als zoon van Jean Knoet en Jaques Hanevade. Hij was op 10 april 1809 aangekomen bij Napoleons leger, waar hij inderdaad als vrijwillig fuselier diende; ‘enrôlé volontaire’ werd er vermeld.

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

Op 17 september 1810 ging Joannes aan de slag als grenadier bij ‘t tweede bataljon grenadiers van het 124ste regiment infanterie van de linie. Zijn uiterlijk werd opgenomen en er werd gezegd dat hij deelnam aan de campagne van 1809. Belangrijker is de regel “deserté le .. 1813”, daar komen we zo op terug. Het 124ste regiment infanterie van de linie werd in 1810 heropgericht. Het was een Nederlands regiment; het werd gevormd uit het derde regiment ‘Hollandse’ infanterie en het eerste bataljon van het zevende regiment Hollandse infanterie. Bij dat eerste diende Jean Jacques Knoet als fuselier, hij werd dus mee overgeplaatst naar het 124ste regiment infanterie van linie. Hij diende toen als vrijwillig grenadier, eigenlijk als beroepsmilitair, tussen de Nederlandse dienstplichtigen. Onder kolonel Jean-Baptiste Lafitthe nam hij deel aan de veldtocht op Rusland in 1812. Dat hij daarvan terugkwam mag gerust een wonder heten. In 1813 sloten de Pruisen zich aan bij de Russen in hun strijd tegen Frankrijk en werden er meerdere veldslagen gevoerd in Oost-Duitsland. Ook hieraan nam ‘t 124ste regiment deel; de slag bij Lützen, de slag bij Bautzen, de slag bij Stettin en de slag bij Wittenberg. In dit jaar zou Knoet gedeserteerd zijn. Dan kan dus ook gewoon betekenen dat hij sneuvelde maar niet geregistreerd werd. Maar stel dat hij wel deserteerde.. Stel dat je al vier jaar vecht voor de keizer, en in 1812 allemaal jonge dienstplichtigen hebt leren kennen. Strijdmakkers, waarvan het overgrote deel niet met je mee terug marcheerde. En dan mag je opnieuw.. Kan je het hem kwalijk nemen? In ieder geval kwam hij niet terug. Misschien toch gesneuveld, of gestorven door uitputting of in krijgsgevangenschap. We weten ‘t niet.

Voor mijn voorouders was de Franse tijd minder fijn. ‘t Zal ze in Bergen op Zoom weinig uitgemaakt hebben of ze nu onder Den Haag of onder Parijs vielen. En dat de schuurkerken verleden tijd waren, zal zeker enige steun voor Napoleon hebben opgewekt (terwijl in Bels deze seculiere aanpak juist een hoop weerstand opleverde). Maar de nieuw ingevoerde dienstplicht was iets wat een hele grote impact had op de gezinnen van mijn voorouders. Die dienstplicht was nieuw; voorheen ging men in (vreemde) krijgsdienst voor ‘t geld, ‘t avontuur of omdat pa het ook had gedaan. Maar nu werden alle twintigjarige mannen zonder geldige uitzonderingspositie opgeroepen om ‘t leger in te gaan. Het invoeren van die conscriptie werd vóór 1810 al door Napoleon aan zijn broer, de koning van Holland, gevraagd, maar die had daar bezwaren tegen, wat hem uiteindelijk ook nekte als koning. In 1810 annexeerde de keizer het koninkrijk en was de dienstplicht een feit. 

Eén van de mannen die met deze nieuwe dienstplicht aan de slag kon was Corneil Loos, broer van Marijn Loos (1792-1865, kwartierstaatnummer 226). Corneil kwam op 13 april 1812 aan bij ‘t 36ste regiment infanterie van de linie. Hij werd ingeschreven in register 21Yc324 met stamboeknummer 9966. Vermeld werd dat hij geboren was te Halsteren op 20/2-1793, en “son dernier domicile était à Wouw, département du Deux Nethes, profession d’ Domestique.” Oftewel, hij woonde eerst in Wouw, en werkte van huis uit. Het 36ste regiment infanterie van de linie was, in tegenstelling tot veel andere regimenten die in dit lijstje voorkomen, geen ‘typisch Nederlands’ regiment. Waar veel Nederlandse jongens met de keizer zelf op weg gingen naar Rusland, was Corneils regiment in 1812 oorlog aan ‘t voeren in Spanje. Op 21 juli 1812 nam dit regiment deel aan de slag bij Castalla, waarbij ‘t keizerlijk leger vocht tegen één Spaans leger onder leiding van de Spaanse commandant Joseph O’Donnell. Op 22 juli 1812 vochten zij een slag uit bij Les Arapiles in Castilië tegen de Spanjaarden, Britten en Portugezen. Nu kon ‘t regiment niet in twee verschillende plaatsen tegelijk zijn, dus Corneil zal aan één van deze twee veldslagen deelgenomen hebben. In 1813 vocht ‘t regiment in San-Millan-Osma, Vitoria in Baskenland, bij de Nivelle, en bij de Nive, allemaal veldslagen in het kader van de ‘Spaanse onafhankelijkheidsoorlog’ van 1808-1814. Toch denk ik niet dat Corneil in 1813 in Spanje zat. Zijn stamboekinschrijving vermeld namelijk dat hij krijgsgevangen werd gemaakt in Dresden in dat jaar. Als dat ook werkelijk bij de slág van Dresden was, werd hij krijgsgevangen gemaakt door de Russen, Pruisen of Oostenrijkers. Ik ben Cornelis, op zijn doopakte na, niet meer tegengekomen in de West-Brabantse archieven. En da’s geen goed teken.

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

De slag bij Dresden door Antoine Charles Horace (Carle) Vernet (1758-1836) en Jacques François Swebach (1769-1823). (Afbeelding: Wikimedia Commons)

Nog een broer van een voorouder was Corneil van de Watering of van de Waeteringe. Hij was een broer van mijn voorouder Christiaan van de Watering (1785-1847, kwartierstaatnummer 134). Corneil was een vrijwilliger, en nog best een ambitieuze ook; hij diende in drie verschillende legeronderdelen, waarbij zijn ‘carrièrepad’ goed te zien is. Corneil werd dus ook drie keer ingeschreven in de Franse registers; in 1809 voor de 75ste cohorte (geboren te Wouw op 20/2-1789, zoon van Jean van de Waeteringe en Marie Ashofs, inventarisnummer 23Yc143, stamboeknummer 399), in 1812 voor ‘t 148ste regiment infanterie van die linie (geboren te Wouw op 20/2-1789, zoon van Jean van de Waeteringe en M. Afhofs, inventarisnummer 21Yc944, stamboeknummer 1198) en op een onbepaalde datum bij ‘t veertiende regiment kurassiers (geboren te Wouw op 20/2-1789, zoon van Jean van de Watering en Marie Ashaff, inventarisnummer 24Yc72, stamboeknummer 1191). Er zaten trouwens ook twee Rotterdamse neven van Corneil bij ‘t Franse leger: Hendrik Ashoff (*3/4-1787) en Jacobus Ashoff (*2/7-1790), zonen van Corneils oom en tante Hendrik Ashoff en Elisabeth (Lasia) Landsman. Hendrik diende bij ‘t 126ste regiment infanterie en Jacobus bij het ‘t negende regiment veldartillerie.

Corneil begon dus bij de 75ste cohorte, wat een soort schutterij was ter verdediging van het eigen département. Na de inlijving van ‘t koninkrijk Holland in 1810 werd zij belast met de bescherming van het arrondissement Breda binnen het département van de Twee Neten, waar Bergen op Zoom en Wouw onder vielen. J.G.M. Sanders schreef over de 75ste cohorte in zijn boek “Noord-Brabant in de Frans-Bataafse tijd, 1794-1814: een institutionele handleiding” (uitgeverij Verloren, Hilversum, 2002). Ik citeer: “De nationale garde was de Franse versie van de Nederlandse gewapende burgermacht of schutterij. Ze kende een indeling in cohorten. Na de inlijving bleef de Nederlandse schutterijorganisatie voorlopig bestaan, zij het dat zij in september 1810 de naam kreeg van de nationale garde van het departement van de Monden van de Rijn en dat van de Twee Nethen (voor het arrondissement Breda). In maart 1812 volgde een cohortegewijze organisatie. Het departement van de Monden van de Rijn vormde de 76e cohorte; het arrondissement Breda viel oner de 75e cohorte van de Twee Nethen. In eerste instantie was het de taak van de nationale garde het eigen departementale grondgebied te beveiligen en te verdedigen. In de laatste jaren van het Napoleontische bewind werd zij ook voor militaire taken elders ingezet. Na het fiasco in Rusland had Napoleon dringend behoefte aan nieuwe manschappen. Uit de nationale garde van geheel Frankrijk vormde hij een nieuwe krijgsmacht; leden van de cohortes gingen op in reguliere linie-infanterieregimenten. De 76e cohorte van het departement van de Monden van de Rijn ging in januari 1813 op in het 146e linie-infanterieregiment; de 75 cohorte van de Twee Nethen in het 148e regiment. Deze regimenten hebben in augustus/september 1813 deelgenomen aan de veldtocht in Duitsland.”

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

Département van de Twee Neten binnen ‘t Franse keizerrijk, 1810-1813. Kaartje door mijzelf, 2017. (Update 6/11-2017: ik ben ‘t kanton Ekeren vergeten. Dit kanton besloeg globaal de noordelijke helft van ‘t kanton Antwerpen.

Dit betekent dat Corneil na zijn taken voor de 75ste cohorte in zijn eigen regio min of meer automatisch overgeplaatst werd naar het 148ste regiment infanterie van de linie. Dit regiment nam, zoals Sanders schreef, deel aan de veldtocht in Duitsland, en wel aan de slagen bij de Bober, Goldberg en Löwenberg. In die laatste stad, het tegenwoordige Lwówek Śląski in Silezië in Polen, verbleef de keizer zelf van 21 augustus tot 23 augustus 1813 om een confrontatie met de Pruisen onder generaal Von Blücher voor te bereiden. Een paar dagen later versloegen diezelfde Pruisen ‘t Franse leger bij die stad, waarbij zo’n drieduizend Franse soldaten verdronken in de Bober. Bij Corneil werd vermeld: “présume prissonier à Lowenberg le 28 août 1813”. Men nam dus aan dat hij op die dag krijgsgevangene werd gemaakt door de Pruisen. Cornelis kwam trouwens wél terug van deze krijgsgevangenschap, want een ruim jaar later, op 19 oktober 1814, trouwde hij te Wouw met de Roosendaalse Jacoba Heijnen.

Corneil diende, zoals ik eerder schreef, bij nog een derde legeronderdeel: het veertiende regiment kurassiers. De datum daarvan heb ik echter niet kunnen achterhalen. Kurassiers waren onderdeel van de cavalerie, en waren op een slagveld de zwaarste eenheid te paard. Niet de makkelijkste taak dus. Het veertiende regiment onder Napoleon was een Nederlands regiment. 

‘t Mannetje bij de letter I geeft ‘t uniform van een cavalerist uit ‘t veertiende regiment kurassiers weer. (Afbeelding: M. van Grinsven)

Een aantal jaren later, op 26 november 1813, kwam Jean Vandelpoel aan op een Franse kazerne. Het was eigenlijk Johannes van der Poel, broer van Pieter Jan van der Poel (kwartierstaatnummer 102). Van hem werd vermeld dat hij geboren werd op 15 december 1793 te Woensdrecht als zoon van Corneil van der Poel en Jean Dooren; woonde te Woensdrecht, van huis uit werkte en op de lijst van dienstplichtigen van het kanton Bergen op Zoom stond met nummer 101. Hij kwam terecht bij het 22ste regiment infanterie van de linie (inventarisnummer 23Yc205 volgens ‘t Nederlandse ministerie van Defensie; gevonden op 21Yc205 bij het Franse ministerie van Defensie, met stamboeknummer 12.415) op, zoals gezegd, 26 november 1813.

Het ’22ste’ was, in tegenstelling tot veel hierboven vermeldde regimenten, geen typisch Nederlands regiment. ‘t Regiment had deelgenomen aan de ‘campagne d’Allemagne’, en dus ook aan de eerder genoemde slag bij Leipzig op 16, 17, 18 en 19 oktober 1813 tegen de zesde coalitie; de Russen, Saksen, Oostenrijkers, Zweden en Pruisen. Deze slag was nogal rampzalig verlopen en er vielen aan Franse zijden 38.000 doden en gewonden te betreuren; wat dus ook haar weerslag had op het 22ste regiment infanterie van de linie. Het ging in ‘t algemeen niet zo goed met Napoleons keizerrijk en dus moest het regiment aangevuld worden met extra dienstplichtingen. De groep waar Jean bij zat was een groep West-Brabantse jongens, die waarschijnlijk samen naar het garnizoen marcheerden waar hun nieuwe regiment zat. Ze kwamen allemaal op dezelfde dag aan; uit Woensdrecht Jean Vandelpoel, Henry Laanen en Pierre Quist, uit Bergen op Zoom Henry Gerard Dalemans, Geert VanDebeld en Corneil VanKastel uit Willemstad, Guillaume Gouten en Jacques Nollen uit Klundert, Thomas Vegers uit Leur, Jean Vissens uit Gastel, Jean Vermeulen en Geraerd Vandennoord uit Made, Corneil Coebak, Adrien Vandiek, Henry Tempelaers, Simon Janssens, Adrien van Dongen, Adrien Moerenhout, Jacques Gladins, Antoine Vangool, Pierre Vanvessem, Jacques Rasemberg, Corneil Deveerd, Adrien Stallen, Corneil Jean Verhoeven en Sébastien Devries uit Oosterhout, Pierre Verwaeter, Chrétien Bachelier, Jean Jozen en Thomas Ligthaert uit Terheijden, Léonard Vanbavel uit Chaam, Pierre Naelden uit Princenhage en enkele tientallen Bredanaars.

Afbeelding: Ministère des Armées, Parijs

In 1814 was het 22ste regiment infanterie van de linie gelegerd in Maastricht en maakte ‘t deel uit van het ‘armée d’Hollande’. Het kan goed zijn dat het regiment na de veldslagen in Duitsland in 1813 al naar Maastricht gekomen was. In 1814 nam het regiment deel aan de zesdaagse veldtocht; een laatste reeks overwinningen voor Napoleon die van doen hadden met de verdediging van de omgeving van zijn hoofdkwartier Parijs. Jean vocht onder meer in de slag bij Vauchamps tegen de Pruisen. Hoe dan ook werd Parijs eind maart 1814 ingenomen door de Pruisen en de Russen, werd Napoleon verbannen naar Elba en kwam deze toffe peer in Frankrijk aan de macht. Bij Jean werd vermeld: “congédié comme étranges le 5 mai 1814”, wat zoveel wil zeggen als dat hij door de buitenlandse machten ontslagen werd. De oorlog was voorbij. Althans, voor hem, het 22ste regiment nam in 1815 nog deel aan de slag bij Waterloo maar ik weet bijna zeker dat Jean daar niet in meevocht. In de lijsten van vermiste Brabantse soldaten onder Napoleon in de Brabantse Leeuw (J. van Gils, jaargang 1989) vond ik één soldaat die een van de jongens uit Jeans ploeg zou kunnen zijn: Govert van de Noot uit Made, 24 jaar in 1814, lichting 19/11-1813. 

Het is nu ondertussen een lijstje wat een mooi tijdsbeeld geeft tussen de globale opkomst van en neergang van de Fransen in onze streken. Er staat maar één directe voorouder van mij tussen. En er waren er twee (of drie, als je Corneille van Ginneken meerekent). De tweede voorouder was Jean Hopmans (kwartierstaatnummer 252). Volgens de index op inschrijvingen van Nederlandse militairen onder Napoleon deed hij dienst in het eerste bataljon pontonniers in een regiment. Hij was volgens die inschrijving geboren te Bergen op Zoom op 24/10-1789 als zoon van Inatherie Hopmans en Marie Cath. Melsen. Vermeld werd het inventarisnummer: 25Yc224, en het stamboeknummer: 2697. Zijn inschrijving vond ik niet in de door Frankrijk online openbaar gemaakte registers. Wat ik wel enigzins kan achterhalen is wat Jean deed bij ‘t Franse leger. Om dat duidelijk te krijgen gaan we terug naar 1812; naar de veldtocht op Rusland waar ik bij Jean Jacques Knoet al over schreef. 

Pontonniers hadden als taak het aanleggen van (tijdelijke) bruggen over rivieren in tijden van oorlog, door middel van pontons. ‘t Corps Pontonniers van de keizer was in 1792 opgericht in Straatsburg; en bevatte in ‘t begin vooral soldaten uit de Elzas; zij hadden zeg maar wat meer ervaring met rivieren vanwege de Rijn. Wie ook veel ervaring hadden met rivieren waren de Nederlanders. Officier Georg Diederich Benthien werd in 1812 beroemd bij ‘t terugtrekken van Moskou. Bij de Berezina bouwde hij met zijn vierhonderd Nederlandse pontonniers een brug over de met ijsschotsen bekleedde rivier, waarover Napoleon met zijn gevolg en wat er aan soldaten over was zich kon terugtrekken richting Polen, terwijl zij verdedigd werden door Nederlandse infanteristen en Nederlandse kurassiers. Noem ‘t maar gerust een heldenrol, dus. Maar die heldenrol was niet zonder prijs. Van de vierhonderd pontonniers overleefde slechts Benthien zelf met zes soldaten. 

Ik heb geen gegevens die meer kunnen vertellen over de datum waarop Jean in dienst ging bij dit bataljon. Je zou theoretisch dus kunnen zeggen dat hij in 1812 meeging naar Rusland. Echter, dat zou betekenen dat hij één van de zes overlevenden was, anders had ik hier nu niet achter m’n macbook gezeten. Waarschijnlijker is dat hij in 1812 nog op ‘t land werkte bij zijn boerderij op de Bergse Klavervelden. Zoals de keizer vaker deed na een groot verlies van manschappen schaalde hij gewoon ‘t aantal opgeroepen dienstplichtigen op, en schoof hij wat met regimenten. Op 18 november 1813 bestond ‘t eerste bataljon pontonniers uit veertien compagnies, hoogstwaarschijnlijk diende Jean bij één daarvan. In 1813 vochten de Fransen in Spanje en Duitsland, dus er zal genoeg werk geweest zijn; wat overigens niet wil zeggen dat Jean verstand moest hebben van water of boten op zich, hij kan ook gesjouwd of getimmerd hebben. 

‘Kapitein Benthien aan de Beresina’, schilderij door Lourens Alma Tadema, gemaakt rond 1859/1869. (Afbeelding: Wikimedia Commons)

Nog twee te gaan. Voor ik over die twee ga schrijven wil ik graag even mijn voorouder Cornelis van Ginneken (kwartierstaatnummer 130) vermelden. In 2014 schreef ik reeds over zijn inzet voor de keizer aan de hand van een uitgereikte Sint-Helenamedaille in de jaren 1850, maar de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik tot op vandaag niet zeker weet of het hier mijn voorouder betreft of een broer van hem. Dit vergt verder onderzoek, iets waar ik nu even geen tijd voor heb (de volgende vijftien artikelen staan al in de wachtrij), maar ik wilde hem niet laten ontbreken in dit lijstje.

Corneile Scheurbiers werd in de Franse tijd opgenomen in de 75ste cohorte, dezelfde eenheid als waar Corneil van de Waeteringe in diende; een schutterij ter verdediging van zijn eigen département. Hij werd volgens de Franse registers geboren te Bergen op Zoom op 13 februari 1788 als zoon van Chritien Scheurbiers en Clara van Meer, en was daarmee een broer van mijn voorouder Pieter Schuurbiers (kwartierstaatnummer 174). Het inventarisnummer van zijn inschrijving is 23Yv143, het stamboeknummer is 672. Mocht er iemand ooit naar Vincennes afreizen; ik zie graag een kopie van deze inschrijving tegemoet. Hetzelfde geldt voor Theodore Piquet, geboren op 3 juni 1784 te Bergen op Zoom als zoon van Arnoud Piquet en ‘Anne Marie B’. Hij was daarmee een broer van mijn voorouder Anna Catharina Piquet (kwartierstaatnummer 165). Theodore’s ouders hadden van doen met de Waalse kerk in Berrege en daarmee stond hij dus van alle soldaten in dit lijstje ‘t dichtste bij de Franse cultuur. Hij diende bij het 33ste regiment lichte infanterie (‘infanterie légère’ in ‘t frans), waarvoor hij werd ingeschreven in ‘t register 22Yc234 met stamboeknummer 286. Dit regiment werd in 1808 opgericht uit wat groepjes soldaten die in Spanje vochten, maar werd in 1809 opgeheven. Doch een jaar later werd zij weer opgericht uit ‘Hollandse’ troepen. We hebben ‘t dan over 1810, dus het kan goed zijn dat Theodore als één van de eerste Bergse dienstplichtigen aan de slag moest.

Van het ’33ième régiment d’infanterie légère’ is bekend dat zij vocht in ‘Slusk’ en ‘Krasnoe’. Als we weten dat met Krasnoe de slag bij Krasnoï bedoeld werd, kunnen we er ook vanuit gaan dat ‘Slusk’ de slag bij Smolensk was. Krasny en Smolensk waren twee plaatsen die de ‘Grande Armée’ van Napoleon aandeed op zijn terugtocht vanuit Moskou. Op 18 november 1812 vertrokken de Fransen uit Moskou en op 9 november kwamen ze aan in Smolensk (bij de huidige grens met Wit-Rusland), nog steeds bedreigd door Russische troepen. Van de soldaten die er over waren was er nog slechts veertig procent bewapend, en dan hebben we ‘t nog niet over de omstandigheden op de reis die ze hadden gemaakt vanuit Moskou: temperaturen onder nul, honger, een tekort aan paarden en andere materialen en constante aanvallen door Russen en Kozakken. Napoleon kreeg een nieuw idee: ze moesten naar Minsk zien te komen; daar stond een groot Frans voorraaddepot.

‘De nachtbivak van het Napoleontische leger bij ‘t terugtrekken uit Rusland in 1812.’ Schilderij door Vasily Vereshchagin rond 1896/1897, Historisch Museum Moskou. (Afbeelding: Wikimedia Commons)

De keizer had al langere tijd geen contact meer met de Russische veldmaarschalk Kutuzov. Hij veronderstelde dan ook onterecht dat de Russen ook zo moesten lijden onder ‘t weer, wat nog wel wat slechter geworden was. En dus liep de Grande Armée niet ingedeeld in regimenten in gevechtsstand naar Krasnoï, maar in lange rijen, gemengd met arme locals. Een begrijpelijke houding als je zo uitgeput en uitgehongerd bent, zeg maar. De Russen bleken daar niet gevoelig voor; de verraderlijke kozakken evenmin. Wat volgde was die slag bij Krasnoï, wéér een klap voor de Grande Armée in Rusland. Dit moet voor Theodore een enorme slag zijn geweest. Omdat het 33ste regiment deze twee steden aandeed, lijkt het me logisch dat ze ook in Moskou waren eerder, maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen. Dit laatste verhaal is er een met een tragisch einde. In ‘t Bergs archief vond ik slechts twee aktes waarin Theodore vermeld werd. De eerste betrof zijn katholieke doop op 5 november 1780 te Bergen op Zoom. In een tweede akte was hij getuige bij de doop van zijn neef en mijn voorouder Theodorus Bosman (kwartierstaatnummer 82) op 13 juni 1799 te Bergen op Zoom. Daarna is niets meer over hem te vinden. Ik ben bang dat we kunnen concluderen dat hij niet terugkwam. 

 

Afbeelding: Wikimedia Commons

Wat kan ik hier als slot opschrijven? In 1857 had Frankrijk weer een koning, Napoleon III. Hij loste in dat jaar één van de punten uit ‘t testament van de keizer in; alle veteranen uit de periode 1792-1815 werden onderscheiden met de Sint-Helenamedaille. Tenminste, dat was de bedoeling. Als deze medaille al uitgereikt werd aan een Nederlandse veteraan, was het niet gebruikelijk dat hij ‘m droeg. Geschiedenis wordt tenslotte geschreven door overwinnaars. “Aux compagnons de gloire Napoleon 1er” stond er op ‘t doosje. En er zat een certificaat als op de afbeelding hierboven bij. Jean Hopmans zou er als ‘t goed is een gehad moeten hebben. Ik beeld ‘t me even in: “le grand chancelier de l’ordre impérial de la Legion d’Honneur certifie que Monsieur Hopmans, (Jean), de Berg-op-Zoom (Pays-Bas) ayant servi durant la période de 1792 à 1815 a reçu la Medaille de S’te Hélène.” Natuurlijk, de keizer was hard en rücksichtlos te werk gegaan, en zijn enorme leger heeft veel moeten doorstaan voor zijn vrij idiote plannen met Europa. Maar ‘t continent is er niet slechter op geworden; ‘t Ancienne Régime was definitief voorbij. En de band tussen Napoleon en zijn soldaten was altijd goed geweest. Dit was tenslotte geen huurleger, deze soldaten hoorden bij het land waar ze voor vochten. Ik denk dat als je één van deze voorouders die teruggekomen waren zou vragen terug te kijken, dat ze best trots waren.

 

Gebruikte bronnen (waar nog niet reeds in dit artikel vermeld):

  • T. Roep & C. Loerakker: Van Nul tot Nu deel 2, Big Balloon Publishers, 1985
  • ‘Mémoires des Hommes’, website van de archiefdienst van het Franse ministerie van Defensie
  • Napoleon-series.org
  • CBG Den Haag
  • Nederlands Ministerie van Defensie voor de index
  • DTB-boeken uit ‘t stadsarchief Rotterdam
  • Huwelijksregister Wouw 1814
  • RK Doopboek Bergen op Zoom 1797-1808
  • RK Doopboek Bergen op Zoom 1768-1780

 

 

 

Deel dit artikel

Plaatsaanduidingen in de Bergse Buitenpoorterij (1812)

In de Bergse bevolkingsregisters begin 19e eeuw werd bij de sectie Buitenpoorterij zelden een nadere plaatsaanduiding vermeld. Behalve in de Franse tijd. In half frans, half nederlands werd de naam van straat of nabije hoeve vermeld. De huisnummers zijn hetzelfde als die in de wijklijsten van 1814 en 1815; bij die registers werd weer een huiseigenaar genoteerd zodat de plaats te koppelen is aan het kadaster over 1811-1832. Hieronder zette ik de plaatsaanduidingen uit 1812 op een rij, voor mede-onderzoekers. Er werd begonnen met Oud-Borgvliet (omvatte in ieder geval ’t Fort-Zeekant, de Augustapolder, delen van de Wouwse Plantage en Antwerpschestraatweg e.o.) en de telling begint daarna op nieuw met ‘Wouwscheweg’, de huidige Wouwschestraatweg. Toponiemen als ‘Clavervelden’, ‘Zéesuiper’, de Kragge, Vreedenburg (bij camping Vreedenburg), de Bommesee, en Bloemendaal (zuidkant van Meilust) kennen we nu nog wel. De andere zijn bijna allemaal te koppelen aan de scans van ‘t kadaster van de Dienst voor ’t Nationaal Erfgoed.

Sectie K (1812)

  • 1 t/m 11: Borgvliet
  • 13 t/m 23: Borgvlied
  • 1 t/m 7: Wouwscheweg
  • 9 t/m 14: Wouwscheweg
  • 15: Waalequartier
  • 16 & 17: Wouwscheweg
  • 19 & 20: Wouwscheweg
  • 22: in de Leegt
  • 23: de Leegt
  • 25: Clavervelden
  • 26: Vijfhoek
  • 27: de Lint
  • 28: Zéesuiper
  • 29: Zeezuiper
  • 31: Eengsmeer
  • 33: Wouwscheweg
  • 34 & 35: Zeesuiper
  • 36: de Kragge
  • 37: Leeuwerk
  • 39: Middelkragge
  • 40: Dernier Kragge
  • 43: Middelkragge
  • 46 & 47: Klijnen Drol
  • 49: Zandstraat
  • 50: Laagelint
  • 53: Jagersrust
  • 56 t/m 61: Zandstraat
  • 63: Zandstraat
  • 68-2: Vreedenburg
  • 69: Vreedenburg
  • 70: Bloemendaal
  • 71: la ferme Bleekerij
  • 72: de Kraaij
  • 74: Bommesée
  • 75: Zoomrust
  • 77: Baarsvlied, dans la ligne
  • 79: Bloemendaal
  • 82 & 83: Meylust
  • 85: Steenhoven
  • 86 & 87: Bommesée
  • 89: Meylust
  • 90: Kragge
Deel dit artikel