De dood van knecht Kees

We schrijven zondag 23 januari 1774. Het was drie graden en helder. Mijn directe voorvader Cornelis Bernaerts (*Wuustwezel, Antwerpen, 1735, +Halsteren, West-Brabant, 1800) ging op weg naar de lokale herberg, een kwartiertje lopen. De 38-jarige Cornelis kwam oorspronkelijk uit Wittegoor, een heidegebied bij ‘t Antwerpse Wuustwezel, maar was in 1764 afgekomen op kansen in de regio Halsteren. De zeekleipolders waren nog niet heel oud, en ‘t was goed boeren daar; hij was zeker niet de enige die van zandgronden in de regio overging op de kleigronden naast de Brabantse Wal. Cornelis was in 1764 getrouwd met Maria Augustijn, maar zij overleed in 1770, op de Kladde. De Kladde was ook waar hij zijn bedrijf opgebouwd had: officieel in de Oud-Glymespolder op het kruispunt van de Kladde, Lepelstraat en Steenbergen. De Oud-Glymespolder was één van de heerlijkheden van Halsteren; wat op haar beurt weer onder het markiezaat viel. Uit notariële stukken blijkt dat zijn voormalige schoonzusters en zwagers nog dichtbij woonden. Inmiddels was hij hertrouwd met Joanna (Janna) de Grauw (*Oud-Gastel, West-Brabant, 1748, +Halsteren, 1779). Uiteindelijk zou Cornelis drie keer trouwen en achttien kinderen krijgen; en waar zijn naam gedurende zijn leven nogal onderhevig was aan de nieuwe hippe maar wisselende spelling van ambtenaren (Bernaers, Bernaarts, Bijnaert, Bijnaers, Bernarts, Bernaars, Bernards, Bernaards, Bijnaerts), zou hij uiteindelijk de stamvader worden van de familie Bernaards. Waaronder ondergetekende.

Om dit verhaal wat tot leven te brengen, heb ik mijn potloden weer ‘ns uit de kast gehaald. Deze tekeningen zijn niet waarheidsgetrouw; er was tenslotte nog geen fotografie in 1773 en portretten waren alleen voorbehouden aan de markies. Verder is alles afkomstig uit de gerechtelijke stukken en andere archiefstukken, inclusief getuigenverklaringen en roepnamen als Cees en Kees. 

Boer Bernaerts (ik houd zijn geboortenaam aan), moest dus op die koude januaridag verschijnen in een lokale herberg. Niet voor gezelligheid. Hij was gedagvaard voor een verhoor, afgelegd door baljuw Rupertus. Een baljuw was een soort manusje-van-alles; naar mijn inzicht het beste te omschrijven als de afgevaardigde van de hogere heer, in dit geval markies Karel Theodoor. Eén van de taken van de baljuw was zorgen dat gerechtelijke vonnissen goed werden uitgevoerd. Daarbij fungeerde hij ook als eiser, een soort van officier van justitie. Nu, het gros van de gerechtelijke stukken in ‘t Halsters dorpsarchief hebben betrekking op niet betaalde huur of grondkwesties. Maar hier lag dat wat anders. 

Afbeelding: RK Begraafboek Halsteren/WBA Bergen op Zoom

Bovenstaande begraafinschrijving was van Cornelis (Kees) Schuurweegen. Hij werd op 13 december 1773 begraven, met een gratis dienst. Dat deed de RK-kerk voor overledenen die te arm waren om te betalen. Vermeld werd ook dat hij woonde op de Kladde. Kees was geen onbekende van boer Bernaerts. Hij was namelijk knecht geweest bij hem. En.. de boer had hem een paar dagen daarvoor geslagen. Met een blaaspijp. En dat verklaart ook waarom boer Bernaerts een ruime maand later verhoord werd. De verhoortechnieken van baljuw Rupertus waren niet optimaal. Het waren nogal gesloten vragen. Maar het geeft wel een goeie schets van de gebeurtenissen die dag. De vragen heb ik vertaald naar modern Nederlands.

  1. Wat is uw naam, ouderdom en geboorteplaats? Den gedaagde zegt te heeten Cornelis Bijnaarts en oud te weesen omtrent 35 jaaren en gebooren te zijn te west Weesel.
  2. Klopt het dat in de laatste zomer Kees Schuurweegen bij u als knecht heeft ingewoond? Ja.
  3. Klopt het dat Kees Schuurweegen na zijn tijd als knecht uitgediend te hebben op Sint Andriesdag bij u is vertrokken? Ja.
  4. Klopt het dat Kees Schuurweegen op 3 december bij u langs is gekomen om wat spullen die hij had achtergelaten op te halen? Ja.
  5. En vroeg Kees Schuurweegen toen hij in uw keuken waar de meid was? Ja.
  6. Heeft u toen geantwoord met “ik heb met jou niets meer te maken, en met de meid ook niet”? Zegt neen maar op die vraag gesegt te hebben dat de meijt in de schuur was.
  7. Klopt het dat Kees Schuurweegen toen tegen u begon te vloeken en met zijn hoed u in het gezicht geslagen heeft? En dat uw pijp daardoor uw mond uit vloog? Ja.
  8. En zei u toen tegen Kees Schuurwegen dat hij een schurk is? Neen.
  9. Klopt het dat Kees Schuurweegen toen zijn mes getrokken heeft en in de deurpost is gaan staan? En daarbij zei “kom er maar uit boer!” terwijl hij met de schede over de deurpost sneed? Zegt neen maar dat Cornelis Schuurweegen zijn mesch heeft getrokken en zig in de midden van de deur van de keuken heeft geposteert zeggenden als in den articul verder vermelt staet. Zegt nader dat Schuurweegen gezegt heeft “komt er maer uijt God doome” namentlijk in plaes van “komt er maar uijt boer”.
  10. En stond u toen op om de ijzeren blaaspijp die aan de schoorsteen hing op te pakken? Ja.
  11. En kwam Kees Schuurweegen toen naar u toe met het mes in zijn hand? Ja.
  12. En stak hij naar u? Ja.
  13. Klopt het dat u toen met de ijzeren blaaspijp Kees Schuurweegen een klap op zijn hoofd heeft gegeven? En dat hij toen bewusteloos neerviel met zijn gezicht op de grond? Zegt ja dog niet te weeten waerhij hem Cornelis Schuurweegen geraekt heeft.
  14. U snapt toch wel dat u iemand makkelijk dood kan slaan met zo’n blaaspijp? Ja.
  15. Hoe komt u er dan bij om dat te doen? Zegt zulx gedaen te hebbe om dat denselven op hem gedaegde met een mesch aen kwam en om zijn lijff te defendeeren. 
  16. Waarom bent u niet weggerend toen Kees Schuurweegen op u af kwam? Zegt omdat niet uijt zijn huijs kon om dat de deur toewas.
  17. U had dus geen kans om u in te houden? Neen.

Samenvattend: Kees Schuurweegen was knecht bij boer Bernaerts, was samen met de meid ontslagen of gestopt (is wat onduidelijk) eind november 1773 en kwam terug om spullen te halen. Daarop werd Kees agressief, bedreigde de boer met een mes, waarop de boer hem bewusteloos sloeg met een blaaspijp. Dat klinkt als noodweer, maar het roept ook vragen op. Waarom werd Kees agressief, als hij alleen zijn spullen kwam halen? Waardoor overleed hij? In het verhoor wordt enkel gewag gemaakt van bewusteloosheid. En het voorval gebeurde op 3 december, terwijl Kees pas op 13 december begraven werd. Ze lieten zijn lijk toch niet tien dagen liggen; zeker in die tijd niet? Extra verwarring wordt opgeroepen door de eis van de baljuw. Daaruit blijkt zeker geen noodweer. 

“Zoo heeft de Heer Eijsser dan ook met kunnen afsijn om na bekomen decreet van w’edele Agtbaare den Gedaagde in Persoon te dagvaarden en tegens denselven te neemen den onderstaanden Eijsch en Conclusie. Mits welke en andere reeden in tijden en wijlen desnoods nader te allegueerende voorn’ Procureur in den naame als boven Eijsche doende concludeert dat de gedaagde ter zaake voors’ zal werden gebannen voor den tijd van tien Jaaren uijt de stad en Marquisaat van Bergen op den Zoom en Heerlijkheijd Borgvliet met Condemnade in de kosten en misen van justitie mitsgaders in de kosten van desen processe off tot anderen.”

Tien jaar verbanning uit het Markiezaat van Bergen op Zoom en de heerlijkheid Borgvliet, mét het betalen van de kosten van de rechtszittingen en het proces. Dat is een zware straf. Boer Bernaerts zou met zijn vrouw en (mogelijk) vier kinderen alles achter moeten laten. Zijn boerderij, zijn bedrijf, de familie van hem, zijn wijlen eerste echtgenote Maria Augustijn en zijn huidige vrouw Janna de Grauw. En het Markiezaat was groot, het strekte zich uit van Lillo tot Oudenbosch en van De Heen tot Schijf. Ik besef me nog iets. Ik stam zelf af van twee kinderen van boer Bernaerts: Adriana Bernaards, geboren in 1800, en Pieter Bernaards, geboren in 1775. Doordat laatste zoon in de Glymespolder werd geboren en te Halsteren werd gedoopt weet ik nu al dat de eis van de baljuw niet werd ingewilligd. Immers, in dat geval had het gezin niet meer in Halsteren gewoond in 1775. Maar ik stam direct af van die zoon Pieter Bernaards (1775-1854). Had het vonnis geweest zoals de eis, dan was er hoogstwaarschijnlijk geen familie Bernaards in deze regio! Ik dank mijn achternaam min of meer aan de uitspraak in deze rechtszaak. 

Deze kaart uit 1785 door de bekende landmeter J.B. Adan hangt tegenwoordig in het oude stadhuis. Men kijkt naar het oosten. Boer Bernaerts moet ergens helemaal links gewoond hebben.

Bij de eis zat een verklaring van de procureur, De Boet. Er waren getuigen gehoord, en dit was volgens hem wat er gebeurd was. Op 3 december rond half elf ‘s morgens was Cornelis (Kees) Schuurweegen, die van de zomer tot Sint Andriesdag als knecht had ingewoond bij boer Bernaerts, naar diens huis gekomen. Hij kwam spullen halen die hij nog had liggen daar. Boer Bernaerts zat in de keuken, bij de haard. Kees vroeg aan hem waar de meid was. Het antwoord ‘misnoegde’ Kees en hij begon te vloeken. Daarna nam hij zijn hoed af, sloeg daarmee in het gezicht van de boer waardoor diens pijp uit z’n mond vloog.

“En zijn hoed heeft genoomen van zijn hoofd en daarmee den Gedaagde voor sijn vreesen heeft geslagen, zoo dat de pijp die den Gedaagde in de mond hadde, daar uijt vloog, dat de Gedaagde daarop tegen gem’ Cornelis Schuurweegen hebbende gesegt “het is schelme werk dat gij dat doed”

Boer Bernaerts zei daarop: “het is schelmenwerk, wat jij doet!”, een uitspraak die de boer bij het verhoor overigens ontkende. Kees liep terug naar de deurpost van de middelste keukendeur en bleef daar staan, met zijn mes. De vrouw van de boer, Janna de Grauw, was door de andere keukendoor weggelopen en had deze dichtgetrokken. Kees sneedt met het mes over het hout van de deurpost en zei: “kom er maar uit boer” of “kom er maar uit, godverdomme”. Daarop was boer Bernaerts opgestaan, had hij de blaaspijp van de schoorsteen gepakt en in reactie daarop, sprong Kees met zijn mes in de hand naar de boer toe. Hij maakte steekbewegingen naar de boer toe, en de boer sloeg hem met de blaaspijp op z’n hoofd. Kees viel plat op z’n gezicht neer en lag daar ongeveer twintig tellen bewusteloos. Dan stond hij op en zei tegen Marijn Joppe, met wie hij gekomen was “morjue wat doet mijn kop zeer”. Vervolgens ging hij naar een kamertje om zijn spullen te pakken en de kist met spullen van de meid, Adriana, weg te brengen. Adriana was inmiddels ook in huis gekomen en had op verzoek van Kees wat water gehaald om het bloed van zijn kop te vegen. Zij zag een buil aan de linkerzijde van Kees’ voorhoofd, onder zijn haar. De buil bloedde. Kees is vervolgens die zaterdagavond 4 december op bed gaan liggen, en kreeg hij vlagen van hevige koorts. Op 10 december overleed hij. Zijn dode lichaam werd onderzocht door dokter en chirurgijn en zij concludeerden dat de slag met de blaaspijp op zich niet dodelijk was, maar alleen dodelijk bij verzuim. Oftewel, dodelijk als men geen medische behandeling ervoor zocht. Doordat Kees toch overleed door de klap, zij het indirect, stelde de procureur dat boer Bernaerts toch verantwoordelijk was voor zijn dood. 

Het lijkt op zich een redelijk verhaal. Maar toch blijven er ook vragen onbeantwoord. Zoals waarom Kees zo boos werd. En waarom de eis klaarblijkelijk niet werd ingewilligd. En waarom overleed de knecht door ‘versuijm’, als er ook gewag gemaakt wordt van een dokter en een chirurgijn?

Afbeelding: Schepenbank van Auvergnepolder en Oud Glymespolder; processtukken in de criminele zaak tegen Cornelis Beinaards inzake doodslag, 1774, WBA Bergen op Zoom.

 

Boer Bernaerts liet het er niet bij zitten. Hij trok een beerput open over wijlen knecht Kees. Daar kreeg hij ongetwijfeld hulp bij van een deskundige, gezien de juridische termen en het feit dat de boer analfabeet was. Het verweer moest een indruk geven van waarom noodweer in het geval van knecht Kees zeker op zijn plaats was. Het begint als volgt:

“Want daar de ged’e bij elk bekend staat, voor een braaff, eerlijk, seedig en vreedelievend man, warsch van alle rusien en oneenigheeden. Daar is het in teegendeel overkennelijk dat wijlen Cornelis Schuurwegen is geweest van een driftig en quieulleus humeur; geneegen tot Dronkenschap, en door den Drank verhit zijnde, tot vegten niet alleen, maar tot de vermoedste onderneemingen op ‘t leeven van sijn evenmensch geneijgd”

Die passage komt neer op: waar boer Bernaerts bekend staat als een braaf, eerlijk, zedig en vredelievend man, wars van ruzies en onenigheden, is het overduidelijk dat bij wijlen Kees Schuurweegen het tegenovergestelde het geval was. Hij was van een driftig humeur, genegen tot dronkenschap, en wanneer dronken in staat tot vechten en het pogen te ontnemen van het leven van zijn medemens. Amai.

In zijn leven gaf Kees meermaals blijk van bovenstaande. Men verteld dat hij twee maal als knecht in dienst was bij boer Cornelis la Meer op Vossemeer (waarschijnlijk Oud-Vossemeer, waar een familie Lameer woonde), maar ook twee keer vanwege ‘boosaardig’ conflict voortijdig werd weggejaagd daar. Hij zou La Meer zelfs een keer hebben willen aanvallen, maar dat zou door noodweer zijn belet door de boer. Niet lang daarna was hij met vier of vijf personen ‘van zijn alooi’ teruggegaan naar La Meer om hem te mishandelen of misschien zelfs te doden. Dat was volgens het verslag ook gebeurd, als La Meer niet voortijdig gewaarschuwd was. De boer had drie geladen pistolen in huis gehaald en een dragonder om hulp gevraagd. In de tijd dat Kees knecht was bij boer Bernaerts, kreeg hij het ook aan de stok met diens buurman, Pieter van Loon, met diverse anderen erbij. Op derde pinksterdag 1773 had hij ruzie met boer Bernaerts. Dat was dan nog voor dat hij als knecht in dienst kwam bij de boer. Terwijl hij ‘ijselijkste’ vloeken sprak, sloeg Kees met zijn tabaksdoos op tafel, zo hard dat de tabak in de schaal met salade vloog die bij de boer op tafel stond. Ook toen liep hij richting de deur en maakte hij aanstalten zijn mes te trekken. De meid bracht hem toen tot bedaren, door te zeggen: “Kees, zie nou wat je doet, laat je mes zitten!”. Bij dat voorval bleef boer Bernaerts stil in huis zitten.

“Ja de uijtspoorige verwoedhijt van de dikwils genoemde Schuurweegen is selfs zoo verre gegaan dat hij des ged’es Huijsvrouw, tot tweemaalen toe heeft gedrijgt, zoo haar als hem Ged’e te zullen snijden en steeken”

Kees had zich tegen anderen uitgelaten, terwijl hij zijn mes toonde, dat hij boer Bernaerts daarmee ging steken. Hij bedreigde ook meermaals Janna de Grauw, vrouw Bernaerts dus. Hij zou haar en boer Bernaerts snijden en steken. Heftig. Op een dag was boer Bernaerts van huis om klusjes te doen, en was Kees naar het huis van de schoonvader van Bernaerts gegaan, Pieter de Grauw (*Oud-Gastel, 1720, +Wouw, 1774, kwartierstaatnummer 514). Janna’s zus was daar ook, en zij had vriendelijk tegen Kees gezegd, dat hij beter niet meer kon drinken tot hij dronken was. De zus had blijkbaar niet mogen weten van zijn drinkgewoonten. Kees werd woest en zei vloekend: “dat heeft u niemand anders dan die Scheele Donder verteld”, waarmee hij Janna de Grauw bedoelde. “Ik ga eens naar huis toe, ze zal er van langs krijgen.” Hij ging daarop, al vloekend en dreigend (degene die dit optekende had gevoel voor drama) ook echt terug naar de Oud-Glymespolder en de zus van Janna rende achter hem aan; ze wist tenslotte van het ‘ondeugend karakter’ van Kees en wist ook dat Janna zwanger was, waarschijnlijk op dat moment van zoon Joannes Bernardts, die op 16 oktober 1773 geboren zou worden. Een dronken agressieve knecht en een zwangere huisvrouw, da’s geen ideale combinatie. Janna’s zus wilde haar beschermen. Kees kwam aan op de boerderij en Janna legde hem niets in de weg. Hij bedreigde haar, hij zou haar ‘het hart intrappen’. Toen Janna’s zuster aankwam probeerde zij hem te kalmeren, maar Kees moest daar niets van hebben, pakte een tang en dreigde de zus haar hersens in te slaan ermee. Volgens de verklaring zou dat ook gebeurd zijn als er niet toevallig nog ‘enige luijden’ in huis waren. 

Ik vraag me toch af waarom mijn voorvader in hemelsnaam Kees die zomer terug als knecht in huis nam. Zonder kant te willen kiezen, maar hij had zijn zwangere vrouw bedreigd. Meid Adriana, die we later weer terugzien in de stukken, verklaarde dat Kees telkens smeekte om vergiffenis en beterschap beloofde. Het moeten zeer overtuigende smeekbedes geweest zijn. Dan volgt er nog een verklaring over wat er op de dag des onheils, 3 december, gebeurd was bij het huis van de weduwe van Jan Mulders; de buurvrouw. De verklaring werd door boer Bernaerts aangeleverd en zal dus ongetwijfeld zijn standpunt overbrengen. Nadat Kees meermaals tegen jan en alleman gedreigd had de boer om het leven te brengen, kwam hij op die dag om half tien ‘s morgens aan bij de boerderij met Marijn Joppe om zijn spullen te halen. Boer Bernaerts was niet thuis en Kees ging toen naar de buurvrouw, de weduwe Mulders. Het moet een soort zoete inval zijn geweest op de Klad destijds, want als je naar alle verklaringen kijkt, liep iedereen de hele dag zomaar bij elkaar binnen. Bij de weduwe ging hij aan de drank, waardoor hij nog bozer werd. Samen met het uitbraken van vloeken en verzweringen vertelde hij, dat hij met opzet boer Bernaerts ging aanvallen.

“En zijn reeds gistend Bloed door het drinken van morgendrank ten huijse van de voorn’ wed’e Mulder meer en meer heeft aangeset, Alwaar hij onder het uijtbraaken van de ijselijkste vloeken en verschweeringen heeft betuijgt, dat hij met opset ge(..) de Ged’e te attaqueeren! En ten laasten, omtrent halff elff van daar gaande, schoon hem de selve weduwe vrugteloos tragte te weederhouden continueerende in sijn vloeken heeft geschrijt “gij sult den glimissen Boer (de noteerdende daar meede de ged’e) eens gauw teegens den Dijk zien leggen.”

De weduwe trachtte hem te bedaren, maar tevergeefs. Kees zei: “jij zal die Glymessenboer binnenkort tegen de dijk zien liggen”. Met Glymessenboer bedoelde hij boer Bernaerts, waarschijnlijk was het een verwijzing naar de kleine polder waar die woonde, de Oud-Glymespolder. Dit alles werd geuit zonder dat hij de boer nog gezien had, deze was immers niet thuis geweest. Ook een verklaring van Cornelia Augustein, huisvrouw van Jan Aards en zus van Bernaerts’ eerste vrouw, verklaarde iets soortgelijks. De boer zei daarop nog dat hij voor de haard een pijp zat te roken, met zijn vrouw erbij, dat Kees binnenkwam, naar de meid vroeg en hem in het gezicht sloeg.

Afbeelding: Schepenbank van Auvergnepolder en Oud Glymespolder; processtukken in de criminele zaak tegen Cornelis Beinaards inzake doodslag, 1774, WBA Bergen op Zoom.

Dan volgt een verklaring van Marijn Joppe, ongeveer negentien jaar oud, geboren te Steenbergen en als knecht inwonend bij de kinderen van Cornelis Sloots, die verklaarde dat hij in maart als knecht gewoond heeft bij Cornelis Beijnaards, woonachtig in de Oud-Glymespolder. Daar woonde ook Cees Schuurweegen, met wie hij kennismaakte. Marijn woonde maar acht dagen bij Bernaerts, omdat hij “niet met den boer kon accordeeren”. Misschien was boer Bernaerts ook niet de makkelijkste man.. Op 1 december ging Joppe uit de huur bij de kinderen Sloots en verbleef op ‘t moment van zijn verklaring in de Lepelstraat.

Joppe stond op 2 december aan de deur bij zijn ‘laposter’, de vrouw van Cees Slokkers. Cees kwam daar ook langs en zij hadden samen gegeten. Daarna ‘gingen zij ter lane’ naar het huis van de weduwe Mulder, waar Cees bleef slapen. Joppe bleef die nacht slapen bij Miermans, hetzelfde huis waar Schuurweegen ook zou overlijden. Op vrijdagmorgen 3 december, rond zes uur, ging Marijn weer langs het huis van Cornelis Slokkers. Cees Schuurweegen en ene Jacobus van Eekelen kwamen daar ook naartoe. Zij aten en dronken daar wat en gingen toen gedrieën naar de weduwe Mulder. Het was toen inmiddels acht uur. Tot ongeveer negen uur bleven zij daar; toen Cees tegen Marijn zei: “kom ga eens meede om mijn goed te haalen”. Rond half tien gingen zij dan naar het huis van Bernaerts, maar die was nog niet thuis. De twee gingen toen maar naar een kamertje in de boerderij van Bernaerts, waar de meid was, Adriana Albregts. Zij gaf een linnen keel (kiel?) en een blauwe, wollen kortrok aan Cees. Dan gingen zij weer naar het huis van Cornelis Slokkers en van daaruit door naar de weduwe Mulders. Bij de weduwe dronken zij één of twee ‘zoopjes’. Dat ochtenddrinken past wel in ‘t profiel van Schuurweegen zoals we dat eerder konden lezen. Omtrent half elf die ochtend probeerden ze opnieuw langs te gaan bij Bernaerts. Hij was inmiddels thuis, en zat in de keuken bij de hoek van de haard, klaar om te gaan eten. De tafel was gedekt. Zijn vrouw zat aan de andere kant van de tafel in het midden, recht voor het vuur. Verder waren alleen twee kinderen in de keuken. Cees ging de keuken in om spullen van hem te pakken, en vroeg waar de meid was. Hier begint het verhaal dat we eerder lazen, maar nu vanuit het perspectief van Marijn Joppe. Bernaerts antwoordde: “ik heb geen affaire meer met de meijd off met jouw ook niet, gij kunt maar gelijk optrekken”. Hij stuurde hem dus weg. Daarop sloeg Cees de boer, waardoor diens pijp uit zijn mond vloog. Vrouw Bernaerts liep naar buiten. Het hele gevecht met de blaaspijp en het mes vond toen plaats, waarbij Marijn opmerkte dat hij zeker wist dat Cees de boer wilde steken, en dat de boer geen kans had om weg te komen door de schuurdeur omdat Schuurweegen hem dan sowieso van achteren in zijn ribben gestoken zou hebben.

Na de klap met de blaaspijp lag Schuurweegen twintig tellen roerloos op de grond, waarna hij opstond, klaagde over dat z’n kop zeer deed en zijn spullen is gaan pakken. Hij moest ook de kist van de meid hebben, die ontslagen was, zo maak ik op uit de getuigenis. Vrouw Bernaerts, de meid Adriana en Jan Huijgen met zijn vrouw liepen terug het huis binnen. “Hoe bloed gij zoo?”, vroeg de meid aan Cees. “Swijg maar stil en doet de kist maar van het kamertje”, antwoordde hij. Toen vroeg ze het opnieuw, en hij antwoordde dat hij van zijn baas een klap met de blaaspijp had gehad. Hij vroeg om wat water, wat de meid haalde en waarmee zij vervolgens de buil op zijn hoofd afdeed. Samen droegen ze de kist van de meid naar het huis van Cornelis Slokkers. Ze, en ik weet even niet of dat meer mensen waren dan Kees en Marijn, liepen direct door naar de Lepelstraat, naar Jan Aards. Aards vroeg, waar zijn vrouw bij was, of Kees eens wilde ‘slokken’. Kees weigerde dat en Aards vroeg daarop “wat scheeld uw dat gij zoo triestig zijt?”. Kees vertelde over het voorval en vroeg toen aan Aards of hij even op bed mocht gaan liggen. Dat mocht. Het was inmiddels rond twaalf uur. Om elf uur ‘s avonds was Kees opgestaan en was daarna bij de hoek van de haard wat gaan kletsen met Marijn en ander gezelschap. Ze rookten nog wat pijpen. Wat volgt is nog wat datums en plaatsen. Op zaterdagochtend rond zeven uur gingen zij van het huis van Aards naar de Klad. Kees ging weg en zij zagen elkaar om vijf uur ‘s middags weer bij Cornelis Slokkers thuis. Marijn ging op verzoek van Kees bij Miermans vragen of zij daar konden slapen. Dat mocht. Kees heeft daar de hele nacht “getopt”. Om zeven uur de volgende morgen ging Marijn naar de ‘vroegkerk’ en heeft Kees sindsdien niet meer gezien.

De volgende getuigenverklaring. Jan Aards is meermaals vermeld in het verslag wat Marijn Joppe gaf. Jan woonde in Lepelstraat met zijn vrouw Cornelia Augustijn, een zus van de eerste vrouw van boer Bernaerts. Jan verklaarde dat op 3 december Kees met Marijn bij hem was gekomen, waarop hij vroeg om eens te slokken. Kees weigerde dat. In bijzijn van zijn vrouw vroeg Jan wat er gebeurd was; waarop Kees het hele verhaal vertelde. Hij had ‘gecrabbelvuijst’ met zijn boer. Vrouw Aards verklaarde daarna iets heel belangrijks. Kees had toen hij klaar was met zijn verhaal het volgende gezegd dat de boer gelijk had om ‘toe te tasten’. “Want als ik tot mijn vermeet had konne koomen souw ik het den boer ook gebakken hebben, maar nouw heb ik de slag weg.” Ook het slachtoffer bevestigt dus dat er sprake was van noodweer.

Jan Aards en vrouw hadden Kees aangeraden een chirurgijn erbij te roepen, maar hij vond dat niet nodig. “Het is sulk een nood niet.” Kees heeft met Jan wat kleermakersloon afgerekend, vroeg toen of hij even op bed mocht gaan liggen. Hij at nog een boterham en dronk thee voor hij ging slapen. Het was toen rond twaalf uur ‘s middags. Kees is ‘s avonds opgestaan, heeft nog wat gesproken met mensen in de hoek bij de haard en rookte men hen een pijp. De volgende morgen om zeven uur vertrok hij, naar eigen zeggen op weg naar zijn schoenmaker. Aards en zijn vrouw zagen hem daarna niet meer.

“Want als ik tot mijn vermeet had konne koomen souw ik het den boer ook gebakken hebben, maar nouw heb ik de slag weg.”

Vanaf het begin van dit verhaal heb ik al het idee dat de meid een grotere rol speelt hierin dan je zou denken. Haar getuigenverklaring zou meer helderheid moeten kunnen geven daarover. Adriana Albregt, ongeveer achttien jaar, woonde op het moment van het afleggen van de verklaring thuis bij haar moeder Bet Dietvorst en haar stiefvader Pieter de Jong in Nieuw-Vossemeer. Adriana verklaarde dat zij van de oogsttijd 1773 tot Sint Andriesdag bij boer Bernaerts had ingewoond als dienstmaagd. Na St. Andries had zij nog tot vrijdag 3 december bij hem mogen blijven. Die datum is inmiddels welbekend. Ze vertelde dat Kees daar ook woonde als knecht, en dat hij ruzie heeft gehad met vrouw Bernaerts. Ze kon zich niet herinneren waar die ruzie over ging, maar wel dat het bijgelegd was.

Op vrijdagmiddag 3 december 1773 rond half tien ‘s morgens, zat Adriana in de keuken te spinnen. Kees kwam binnen met Marijn en zei “goeden dag al te maal”. Zoals bekend was boer Bernaerts niet thuis en Adriana ging mee met de knechten om Kees’ linnen kiel en blauwe wollen kortrok te pakken voor ze. Vervolgens ging ze naar de stal om de beesten te verzorgen en dan naar de schuur om mee te helpen schoonmaken. In de schuur waren ook Jan Huijpen en Anna Augustijn van de Kladde (de zus van boer Bernaerts’ eerste vrouw) en knecht Jan Brand. Rond half elf kwam vrouw Bernaerts schrijend en zeer ontsteld de schuur binnenlopen. Huijgen, Anna Augustijn en vrouw Bernaerts liepen toen het huis terug in door de deur naast de schuur. Adriana vervoegde zich bij Kees en Marijn en vroeg, zoals in de verklaring van Marijn, waarom hij zo bloedde. Ze haalde water voor Kees, waarmee Marijn zijn hoofd afdeed. De woensdag erna, 8 december, was Adriana in het huis van Adriaan Miermans, tavernier op de Kladde. Kees lag daar met in zijn kamer zijn broer Jan Schuurweegen. Adriana hoorde dat Kees tegen zijn broer zei: “ik heb ‘er maar eene gehad maar het was een goede”, waarbij hij ongetwijfeld verwees naar de klap. Ze sprak verder niet met Kees. Mijn vermoeden dat de meid meer te maken had met de hele kwestie, was dus niet juist.

Jan Schuurweegen was de broer van Kees. En dat biedt mogelijk een aanknopingspunt om te kijken waar deze knecht vandaan kwam, want daar ben ik inmiddels wel benieuwd naar. Er is eigenlijk maar één kandidaat. Een Joannes (Jan) Schuurwegen, geboren rond 1736 te Merksem, was in 1764 in Bergen op Zoom getrouwd met Maria van Galle uit Brecht of West- of Oostmalle. Dit echtpaar had wel een zoon Joannes, die zelfs woonde in Halsteren en Nieuw-Vossemeer, maar deze werd pas geboren in 1770. Een zoon Cornelis was er niet. Dat, samen met de leeftijden, maakt het waarschijnlijker dat Kees een broer was van deze Jan Schuurwegen, en dat hij dus zelf ook in Merksem werd geboren. Dat zou betekenen dat hij net als boer Bernaerts uit de Antwerpse Kempen kwam, en dat geeft weer een extra dimensie aan de passages zoals die in voor die tijd correct Nederlands zijn opgetekend. Want die conversaties vonden waarschijnlijk plaats in plat Antwerps. En dat geeft het geheel nog wat extra dramatisch karakter. Overigens behoort het Halsters tot dezelfde dialectgroep, dus veel verschil tussen hen en de ‘locals’ was er vast niet.

Tot slot een verklaring van Wouter van der Lis, dokter in Bergen op Zoom en Gillis Selverans, chirurgijn, woonachtig ‘in de Lepelstraat’. Zij onderzochten het lijk van Schuurweegen op 11 december 1773. Het lichaam lag in het huis van Adriaan Miermans, woonachtig op de Klad. Hun lijkschouwing, en ik heb het vaker gezien, doet echt af aan het algemene idee dat men vóór de industriële revolutie geen flauw benul had van het lichaam en zorg. Het beeld van kwakzalvers en ruwe chirurgijnen. Natuurlijk was anatomisch lijkschouwen met de kennis die men toen voor handen had gemakkelijker dan behandelen, maar toch.

“Zijnde anders de bekleedsele, ongeschonden het bekkeneel van desselfs bekleedsele ontblood Zijnde, heeft men in het bekkeneel een Scheur ontdekt die tot de dura mater doorging, loopende naar het linker opperhoofdsbeen, en een Scheur in het voorhoofds been, deese laaste Scheur ging niet door, en eijndigd in het been dat des holligheijd van het linkeroog formeert bij de neus.”

Op het lichaam van knecht Kees vonden ze geen verwondingen behalve een wond, drie vingers boven het linkeroog, een duim groot. Dat was niet hun hele onderzoek. Ze sneden oprecht Kees’ gezicht open. In het bekkeneel, het deel van de schedel waar de hersenen in zitten, ontdekten zij een scheur die doorliep tot de dura mater. De scheur liep naar het linker opperhoofdsbeen. Er was nog een scheur in het voorhoofdsbeen, die scheur liep niet door, maar eindigde in het been dat langs de rand van de linkeroogkas loopt bij de neus. Beide scheuren hadden de grootte van ruim twee duimen. Toen zij het bekkeneel oplichtten, namen zij gestold bloed waar, en na het wegnemen van de dura mater en de pia mater namen ze waar dat er bloedingen waren geweest in de hersenen. In de ventrucili cerebri werd geen bloed gevonden maar wel een waterachtige weiachtige stof. De conclusie van de medici was dat de verwondingen op zichzelf niet dodelijk waren, maar wel bij toeval of.. verzuim. En dat laatste is dan nog de enige vraag die openstaat. 

Afbeelding: Schepenbank van Auvergnepolder en Oud Glymespolder; processtukken in de criminele zaak tegen Cornelis Beinaards inzake doodslag, 1774, WBA Bergen op Zoom.

Selverans, de chirurgijn uit Lepelstraat, verklaarde ook dat hij op 5 december 1773 naar het huis van Miermans op de Kladde was geroepen. Daar trof hij Cees Schuurweegen aan met een zware koorts. Hij vroeg wat er gebeurd was en Schuurweegen vertelde dat hij drie á vier dagen geleden door Bernaerts op ‘t hoofd geslagen was met een blaaspijp. Schuurweegen had koorts gekregen en Selverans nam hem ‘sestien oncen’ aan bloed af door een ader open te leggen. Aan de linkerzijde van Cees’ voorhoofd vond hij een kleine wond zonder zwelling. De volgende ochtend kwam Cees terug bij de chirurgijn en klaagde dat hij steeds de neiging had om over te geven. Hij gaf Cees wat ‘lactans’ en ‘s middags kwam Schuurwegen terug om aan te geven dat zijn braakneigingen weg waren en zijn hoofdpijn niet zo erg meer was. Severans vertelde hem dat het wel weer erger kon worden, en vroeg of hij een dokter erbij moest roepen, maar dat wilde Cees niet, dat was te duur voor ‘m. Op de 7de van die maand kwam Severans weer langs; hij had het er maar druk mee. De knecht had toen zware koortsen maar naar eigen zeggen voelde zijn hoofd veel beter. Een dag later, en de chirurgijn stond weer aan het bed van Cees. De hoofdpijn was nu weg, maar hij had zware pijn in zijn rug en leden, en zijn rug was verstijfd. Severans benadrukte nogmaals het belang van een dokter; hij was bang dat Schuurweegen ‘s avonds ‘toevallen’ zou krijgen, die tot kwade gevolgen zouden kunnen leiden. Zijn broer weigerde dat meermaals. Hij wilde nog wachten.

Ook een behandeling aan Cees’ nek werd geweigerd door zijn broer. Severans diende dan maar een ‘mixtuur’ in tegen toevallen van de koorts; waarvan hij elk uur een lepel moest innemen. ‘s Avonds was het dan toch raak: Severans liep bij Schuurweegen binnen, die hij ”genoegsaam zonder spraak” aantrof. Op de 9de, de volgende morgen, was de knecht in een “droevige toestant”, zonder spraak, duizelend en slaperig. Severans liet onmiddelijk Cees’ broer komen, die snel aankwam. Hij vroeg de broer alsnog om alsjeblieft toestemming te geven om de dokter van Bergen op Zoom op te roepen. Dat ging niet meer, maar dokter Roels te Hoogerheide zou ‘s anderendaags arriveren. De toestand van Schuurweegen bleef onveranderd. De volgende middag, 10 december 1773, was de situatie nog hetzelfde. De chirurgijn moest van de dokter twee ‘Spaansche vliegen’ op de benen van de patiënt aanbrengen. Ik heb even moeten zoeken naar wat dat zijn, maar het artikel “Twee plattelandschirurgijns in het graafschap Vlaanderen in de achttiende eeuw” (Universiteitsbibliotheek Gent, 2000) heeft het over “Spaanse vliegen en andere blaartrekkende plaasters”. Die avond kwam Severans terug aan, net nadat Schuurweegen was overleden.

Het gereedschap van een chirurgijn. (Afbeelding: Historisch Leersum).

Afbeelding: Schepenbank van Auvergnepolder en Oud Glymespolder; processtukken in de criminele zaak tegen Cornelis Beinaards inzake doodslag, 1774, WBA Bergen op Zoom.

Het hele gebeuren is tragisch. Wie heeft er nou echt schuld? Boer Bernaerts? Die gaf de klap tenslotte. Kees zelf? Hij was zo agressief. Jan Schuurweegen? Hij onthield zijn broer van zorg. Het lijkt erop dat baljuw Rupertus afhankelijk was van correspondentie om tot een uitspraak te komen. Het ging om twee neutrale rechtsgeleerden. En nou hoop ik niet dat boer Bernaerts in voorlopige hechtenis zat, want die uitspraak volgde pas op 1 oktober 1774, bijna een jaar later.

“Gezien meede het schriftelijk antwoord van den gedaagde, en de stukken en bescheiden aan beide zijden ingedient en overgelegt, en gelet op al het geene ter materie dienende is, en eenigzints heeft kunnen en mogen moveeren. Mijne voornoemde Heeren Regt doende na ingenome advis van twee neutrale regtsgeleerden ontzeggen den Heere Eisscher R.O. sijnen eisch en conclusie op en jeegens den gedaagde gedaan en genomen, en compenseeren niettemin de kosten van deezen processe om reedenen deesen geregte daar toe moveerende. Aldus (salvo meliori) geadviseert binnen Bergen op den Zoom den 1 oktober 1774.”

Vrijspraak dus.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *